Informatiefilter, algemeen
| 7
nov.2010 |
Op diverse plaatsen op deze website gaat het om processen die vallen onder de
algemene terminologie van "het verwerken van informatie". Dat wil zeggen: uit
een binnengekomen boodschap moet iets gefilterd worden en aan de hand daarvan
een beslissing worden genomen. Dat laatste is niet altijd direct zichtbaar, maar
aan het eind van ieder proces neemt de geest sowieso altijd beslissingen over
hoe en waar binnengekomen impressies worden verwerkt en opgeslagen
.
De ruwe binnenkomende boodschap bestaat altijd uit meerdere componenten, soms
van meerdere zintuigen, en die componenten worden vaak apart opgeslagen. Het
algemene probleem is dus waar wat heen moet. Hier behandelen we het geval dat het
gaat om objectieve informatie over de buitenwereld, de werkelijkheid, en de
verwerking daarvan in het bewuste deel van het brein. En bovendien gaat het over
een enkele component: de taal. Het toegespitste probleem is dus hoe uit de
taalkundige boodschap die informatie gehaald kan worden die de werkelijkheid
weerspiegelt. Dit is niet een ernstige beperking, aangezien het sterke vermoeden
bestaat dat veel van het bewuste denken in de geest ook plaatsvindt via taal.
De bronnen van taal zijn vele, en hier delen we ze in in drie groepen,
gesorteerd op "afstand": het eigen hoofd (dat is: het bewuste denkproces),
de directe sociale omgeving (ouders, familie, collega's, enzovoort), en de rest
van de wereld, voornamelijk via de media. Voor het proces dat we hier gaan
beschrijven: het filteren van een boodschap op de werkelijkheidswaarde van de
informatie, is het het handigst om het geval van de media als voorbeeld te nemen
De term "media" is een meervoud
van "medium", oftewel een instituut dat doorgeeft - de media ontvangen informatie
uit de wereld en geven die weer door naar andere delen van de wereld. De bronnen zijn eigen medewerkers, medewerkers van
andere media, gespecialiseerde informatieverzamelaars als persbureaus,
ingehuurde deskundigen, instelleningen die informatie willen verspreiden zoals
regeringen, en nog veel meer. Degenen aan wie media de informatie
weer doorgeven zijn eenduidiger te omschrijven - dat is het massapubliek, zeg maar:
de burgers.
De informatie die de media krijgen is niet dezelfde als die ze doorgeven. Ten
eerste is de informatie die ze krijgen een selectie van alle informatie die er
(ook met betrekking tot een specifieke zaak) in de wereld ter beschikking is. Ten
tweede is de hoeveelheid informatie die ze wel krijgen veel groter dan dat ze
gewoonlijk kunnen doorgeven. Door deze en andere vormen van selectie kan het
totale beeld van de doorgegeven informatie afwijken van de totale beeld van de
werkelijke situatie
.
Ten derde verschilt de vorm van de doorgegeven informatie meestal van de
ontvangen versie. Tegenwoordig kan iedereen dat zelf controleren omdat veel
persbureaus nu ook websites hebben. De berichten van de persbureaus over een
gebeurtenis zijn meestal "kaler" dan die in de kranten. Kranten voegen er meestal
eigen zaken aan toe, hetgeen extra informatie kan zijn, een verbetering dus, of
eigen interpretatie. Dat laatste is meestal een verslechtering als het om de
objectiviteit van de informatie gaat
. In vaktermen: de persbureaus beperken zich
tot "wie", "wat", "waar", "wanneer" - kranten voegen daar "waarom" aan toe. En
over dat "waarom" kunnen de meningen makkelijk verschillen, en wel meer naarmate
het belangrijker en groter wordt - zoals het bekende zegswijze "Het eerste
slachtoffer van oorlog is de waarheid" laat zien
.
In werkelijkheid is die "waarom" toevoeging aan de boodschap een relatieve
kleinigheid. Informatie wordt door de media in matige tot sterke mate
gemanipuleerd, deels onbewust en deels bewust, zie de lijst horende bij het
artikel hier
. Het onbewuste manipuleren gebeurt
door het bestaan van algemeen aanvaarde oordelen aangaande maatschappelijke
zaken die in werkelijkheid gedeeltelijk waar, niet waar of gewoon onzin zijn. Zo is in de huidige
tijd een groot deel van de media overtuigd van de waarheid van stellingen als
"Alle culturen zijn gelijk" en "Alle mensen zijn gelijk", terwijl die als waarheid
ongetwijfeld even sterk zijn als de oudere "universele" stelling "De aarde is plat"
.
Een andere onbewuste vorm van manipulatie is het ongewijzigd doorgeven van
ontvangen reeds gemanipuleerde informatie. Dat "gemanipuleerde" geldt bijvoorbeeld
zeer
vaak voor informatie ontvangen van regeringen, bedrijven, politici, enzovoort. Dat
wil zeggen: alle informatie ontvangen van personen of instituten die een
eigenbelang hebben bij die informatie. Bedenk dat het aantal mensen dat het
verspreiden van dit soort gemanipuleerde informatie als beroep heeft,
voorlichters en dergelijke, een veelvoud is van de mensen die in dienst zijn van
de media.
Het bewuste manipuleren gebeurt meestal aan de hand van twee zaken: ideologie
en eigenbelang (het belang van de eigen groep of maatschappelijke klasse), of de
belangrijke combinatie daarvan geheten "politiek"
.
Al deze methoden van desinformatie bedienen zich uiteindelijk van woorden, en
kunnen dus gezien worden als misbruik van woorden of misbruik van taal. Hieronder
formuleren we een aantal snelle vuistregels om uit de grote hoeveelheid
"informatie" de vermoedelijke werkelijkheid te filteren. Die vuistregels zijn
een een praktische weerslag van de algemene studie van het gebruik van
taal onder de naam Algemene semantiek
.
Het allereerste set regels gaan over de bron van de boodschap, en de positie die de bron inneemt ten opzichte van
de informatie. Als de informatie gaat over een conflict, wat heel vaak het geval is, moet de
positie van de bron in het conflict bepaald worden. Naarmate het conflict grootschaliger is, is
de kans groter dat de bron op een of andere wijze bij het conflict is betrokken. Zodra de bron
bij het conflict betrokken is, is zijn informatie per definitie onbetrouwbaar. Dat wil niet
zeggen dat het niet waar is, maar dat dit onzeker is - het kan even goed niet-waar zijn..
De eerste toepassing van deze basisprincipes is dat in alle wereldwijde en continentwijde
conflicten waarin de westerse wereld betrokken is, de informatie in en afkomstig van die westerse wereld
niet betrouwbaar is. In het verleden geldt dit voor de ideologische conflict met de Sovjet-Unie,
of het communisme. Alles wat in dit kader in het westen is gezegd of geschreven is per
definitie onbetrouwbaar. Recente gevallen zijn de oorlog tegen Irak, Joegoslavië, en het
terrorisme - meer voorbeelden zijn verzameld hier
.
Omdat dit hier in een wat systematische context wordt opgeschreven, klinkt het in
westerse oren wat ongewoon, maar in feite is het onbewust wel bekend, in de al
genoemde zegswijze: "Het eerste slachtoffer van oorlog is de waarheid". Vervang
'oorlog' door "groot politiek conflict" en we hebben een synoniem van de bovenstaande
formulering.
Zoals al gesteld: onbetrouwbaar wil niet zeggen: onwaar. Hoe bepaalt men nu in een grote
stroom berichten wat wel of niet een beetje of wat meer waar is? Daarvoor zijn de volgende vuistregels
behulpzaam - zowel de regels als de genoemde getallen zijn gebaseerd op
inschattingen die weer gebaseerd zijn op jarenlange waarnemingen van dit proces.
De eerste set regels gaat over de bron van de boodschap:
- Als iemand iets beweert over een zaak waar hij een belang bij heeft, is de
kans dat het waar is circa 20 procent, en dat het onwaar is gemiddeld circa
80 procent, waarbij het percentage in een specifiek geval varieert met de
mate van belang
.
-
Als iemand een uitspraak doet over een zaak waar hij geen belang bij heeft, zijn de kansen
op
waarheid en onwaarheid respectievelijk circa twee derde en
één derde.
-
Als iemand iets beweert in een zaak waar hij een min of meer tegengesteld belang
bij heeft, zijn de kansen op waarheid en onwaarheid circa 80 en 20 procent, en
hoger/lager, tezamen met de mate van eigenbelang
.
Let overigens in dit verband op de veelvuldig gehanteerde retorische truc van de
"Ja, maar ..."
: een persoon beweert in het begin van zijn betoog iets dat in strijd lijkt met
zijn eigenbelang, om vervolgens een langdurig eigenbelang-verhaal op te hangen:
"Een arbeider heeft weliswaar recht op een pensioen, maar het mag niet ten koste
gaan van het bedrijf bla bla bla, en de staat bla bla bla, en belasting betalen
is slecht voor bla bla bla". Is getekend: De Aandeelhouder.
In omstandigheden waar er meerdere bronnen zijn, zijn soortgelijke regels te formuleren:
-
Als van tien mensen er negen iets beweren dat in het belang is van de groep, en
één persoon
beweert het tegendeel, is de kans dat de ene persoon gelijk heeft circa twee derde.
-
Als van tien mensen er acht iets beweren dat in het belang is van de groep, en twee personen
beweren het tegendeel, is de kans dat de twee personen gelijk hebben minstens 95 procent
(vrijwel zeker).

Een tweede set regels gaat over de manier van presentatie - deze regels staan in
volgorde van kans op afwijkingen, beginnende met de laagste:
-
Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op
hogere abstracties, is de informatie onbetrouwbaarder
, en wel meer naarmate die abstracties hoger zijn
.
-
Naarmate bij de presentatie van de informatie meer belang wordt gehecht aan de
betrokken persoon of personen in plaats van de zaak, is de informatie
onbetrouwbaarder, en wel meer naarmate de persoon een belangrijker rol wordt
toegedicht.
-
Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op
emotie in plaats van de zaak, is de informatie onbetrouwbaarder, en wel meer
naarmate er meer emotie wordt opgeroepen.

-
Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op
morele zaken in plaats van de zaak is de informatie onbetrouwbaarder, en wel
meer naar de betreffende morele regels algemener zijn.
- Als bij de presentatie van de informatie gebruik wordt gemaakt van ideologie, is de informatie
in hoge mate onbetrouwbaar.

- Als bij de presentatie van de informatie gebruik wordt gemaakt van religieuze of
soortgelijke zaken, is de informatie in zeer hoge mate onbetrouwbaar.

Voor deze regels geldt ter onderbouwing dat waar er in argumenten andere soorten woorden
en begrippen worden gebruikt dan degene die direct op de betreffende zaak slaan, de
inhoudelijke juistheid van de argumenten kennelijk niet voldoende is -
in praktische termen: wie moord wil bestrijden, hoeft niet aan te komen met hogere moraal,
maar kan volstaan met het wijzen op de schade voor de betrokkene. Met moraal in
de hand zijn moord, massamoord en genocide gepleegd - het "voorkomen van schade
aan anderen" is iets dat nooit, of in ieder geval veel minder snel, tot
massamoord kan leiden. Wat nog harder geldt voor ideologie (zie het nazisme) en
religie (zie "Dood aan de ongelovigen!").
De mate van betrouwbaarheid, en afwaardering daarvan, is moeilijk te bepalen, en
alleen schattenderwijs en als gemiddelde te geven.
De eerste stap is al gedaan: het zetten in de geschatte volgorde
betrouwbaarheid. Vervolgens gebruiken we de methode van de extremen om de
waardes te bepalen
, te beginnen met het onderste twee die over ideologie en religie.
Daarvan is het mogelijk om redelijk
betrouwbare cijfers te geven aangaande de onbetrouwbaarheid van hun boodschappen. Voor religie ligt dat tussen de 90 en 100 procent,
met een sterke neiging richting 100 - dit hangt af van de soort religie, met
natuurreligies en weinig wereldlijke varianten als boeddhisme als minst erge, en
die met een almachtige godheid en strenge regels als ergste, en de bekendste
godsdiensten van christendom, jodendom en mohammedanisme als allerergste, in die
volgorde. Zolang bidden tot god gezien wordt als een geldige manier om iets in
de materiële wereld te veranderen, is ieder uitspraak die uit deze richting komt
volstrekt onbetrouwbaar.
De reden voor deze (af)waardering is dat als mensen religie
in argumenten gaan betrekken, ze dus ook redelijk actief gebruik maken van
religie in hun leven. En religie is voor de echte religieus de zin van zijn
leven. De religieuze factor in een argument van een religieus zal dus altijd
alle andere factoren overstijgen, en er is dus geen enkel oorzakelijk verband
met de werkelijkheid. Om heel precies te zijn: de religieus zoekt het bewijs van
goddelijk ingrijpen in de werkelijke wereld, en goddelijk ingrijpen is alleen
herkenbaar als het tegen de normale werkelijkheid ingaat. Als iemand genezen
wordt door een operatie, is dat geen bewijs van een goddelijk ingrijpen en ook
in tegenspraak met de religieuze visie op het leven. Pas als de genezing op
"wonderbaarlijke" wijze tot stand komt, kan er sprake zijn van religieuze
bevestiging. Als er religieuze motieven terecht komen in het praten over de
gewone wereld, zijn die dus juist tegengesteld aan de wens die gewone wereld te
verklaren. Een religieus argument kan dus voor mensen die alleen over de werkelijke
wereld willen praten vrijwel volledig afgeschreven worden. Dat wil zeggen: de
onbetrouwbaarheid is circa 100 procent
De kleinste mate van afwaardering van betrouwbaarheid is bijna het aanhalen van
hogere abstracties. Het is de kleinste omdat abstracties nog wel slaan op de
inhoudelijke kant van de zaak. Het leidt tot een afwaardering, omdat abstracties
per definitie minder relatie hebben met het onderwerp dan zaken van gelijk
niveau als de werkelijkheid - dit volgens de aloude regel dat je koeien kan vergelijken met paarden,
maar niet, of veel minder, met vee. De hogere abstractie met de naam "vee" slaat
op veel soorten dieren, bijvoorbeeld ook pluimvee, en heeft dus veel minder
gemeen met een koe dan een paard Onder "vee" valt ook een kip, en een kip
is een vogelsoort en geen zoogdier, zoals koe en paard zijn. Geformuleerd in
praktische termen: het argument "Voor de bevalling van een koe moet je de dierenarts laten
komen - dus voor de bevalling van een paard ook" is geldig, terwijl "Voor de
bevalling van een koe moet je de dierenarts laten komen - dus voor de bevalling
van een kip ook" dat niet is.
Hieruit is ook onmiddellijk duidelijk dat dit in versterkte mate geldt naarmate
het verschil in abstractie groter is. Refererende aan de abstractieladder van
Hayakawa
: een argument aangaande koeien dat ook de term
"boerderijtoebehoren" gebruikt is nog minder betrouwbaar dan als het "vee"
gebruikt: "Een koe heeft voer nodig - een tractor is net als een koe een
boerderijtoebehoren - dus een tractor heeft ook voer nodig" (probeer het ook
eens omgekeerd, en met benzine ...).
Het feit dat een redenatie met een hogere abstractie onbetrouwbaar is, wil niet
zeggen dat hij ongeldig is. Want neem het volgende voorbeeld: "Voor de koop van
een koe is geld nodig - een tractor is net als een koe een boerderijtoebehoren -
dus voor de koop van een tractor is ook geld nodig" - dit is duidelijk wél waar.
Voor vele zaken is het gebruik van argumenten met hogere abstracties
noodzakelijk - zo is wetenschap weinig anders dan het systematische gebruik van
hogere abstracties. Om de betrouwbaarheid van een redenatie met hogere
abstracties te vergroten, heeft de wetenschap een extra middel uitgevonden: de
praktische test, of veldtest, of "experiment"
. Dat is weinig anders dan het controleren van de
uitkomst van de redenatie. Dat wil zeggen: je haalt de dierenarts bij de
bevalling van de kip, en gaat na of dit enige zin heeft gehad. En als het in
andere gevallen wat minder duidelijk is dan met de kip, dan herhaal je de test
nog een aantal keren - net zolang tot die duidelijkheid er wel is. In het geval
van argumenten en informatie: je maakt een voorlopige evaluatie zonder een
definitieve beslissing te nemen, en wacht op verdere herhalingen van argumenten
of informatie, liefst uit andere bronnen, om na voldoende herhaling tot die
definitievere beslissing te komen.
Het argumenteren in hogere inhoudelijke abstracties heeft dus ongeveer even
sterke positieve als negatieve consequenties. We kunnen de betrouwbaarheid
daarvan dus, schattenderwijs, op fifty-fifty, 50 procent, zetten.
Met de bovenste op 50 procent en de onderste op circa 100 procent
onbetrouwbaarheid, is de rest is nu invullen. Uitgaande van de gegeven
volgorde en het aantal rubrieken kan je stappen van circa 10 procent nemen.
Waarbij ideologie eigenlijk wel samengenomen kan worden met religie, want ook
ideologie heeft ingebouwde regels die niet getest kunnen worden.
Morele waardes lijken op ideologieën, maar daar zijn meestal ook meer basale
geestesprocessen als emoties en instincten bijna betrokken. Die kunnen
ingevallen van discussies over sociale en psychologische zaken wel degelijk een
werkelijkheidswaarde hebben, zoals in een regel als "Gij zult niet doden" (die
dus overigens niets met religie te maken heeft - deze regel was er eerder dan
religie).
De emoties en instincten zelf staan dus nog een trede hoger - het verschil is
dat ze geen algemene en eeuwig geldige regel zijn gemaakt.
Waarmee de tweede regel overblijft: die over het gebruik van personen als
argument - wat in de terminologie van de discussie en dialoog waarschijnlijk de
meest gebruikte overtreding is, namelijk het Ad hominem. Volgens de gebruikte
schattingsregel zou dit uitkomen op een afwaardering van circa zestig procent.
Dat lijkt nogal positief. Maar een hoger getal zou wel heel veel discussies
onmiddellijk afschrijven. Vandaar de toevoeging dat die zestig procent
geldt per overtreding, wat de betrouwbaarheid razendsnel doet afnemen: één keer:
40 procent (100 - 60), twee keer: circa 15 procent, drie keer: circa 5 procent -
enzovoort.
Voor al deze regels geldt als extra regel, dat het gebruik van deze
niet-inhoudelijke argumenten moet leiden tot een sterkere afwaardering van de
betrouwbaarheid naarmate de aangehaalde abstracties, emoties, morele regels,
ideologieën, religie of personen dichter bij de eigen persoon staan. Deze regel
is gebaseerd op het simpel ervaringsfeit dat, zeg, een christelijk persoon een
boodschap eerder gelooft als het uit de mond van een andere christen komt, en
dus minder geneigd is de informatie uit die boodschap te testen op haar
werkelijkheidswaarde ("De aarde is plat", weet u nog wel...).
Dan zijn er als derde set nog twee regels die niet slaan op specifieke informatie, maar op
bronnen van informatie:
-
Naarmate bepaalde personen vaker gebruik maken van het spelen op personen of emoties is wat
deze personen zeggen onbetrouwbaarder.
-
Voor personen die in sterke mate gebruik maken van spelen op personen en emoties geldt dat
als ze iets beweren, is de kans groter dat het tegenovergestelde van wat ze
beweren waar is.
Deze persoonsregels, met name de tweede, moeten met enige voorzichtigheid worden toegepast,
want ze zijn in strijd met de gezond-verstandregel die zegt dat het niet gaat om
wie wat zegt, maar wat hij zegt - een andere versie van laatste regel uit de
vorige groep. Bovendien is er vaak geen precies tegenovergestelde
van wat de persoon beweerd heeft. Maar de regel
werkt vaak genoeg om hem hier niet te vermelden, zie de voorbeelden die een
stukje verderop worden gegeven.
De reden dat de derde set regels toch vaak werken ligt waarschijnlijk
in de competitieve sfeer. De individuele belangen van personen lopen vaak niet
gelijk op, en dat
geldt natuurlijk ook voor combinaties van personen en hun gezamenlijke belangen.
Als bijvoorbeeld deze groep een bepaalde set leefregels heeft en de andere groep een ander,
zullen die leefregels meestal op een of ander gebied botsen, en is er sprake van
concurrentie en competitie. In het kader van concurrentie kan het van belang
zijn de anderen groep van foute informatie te voorzien. En foute informatie kan
het best overgebracht worden door ze in te kleden in goed lijkende, plausibele,
argumenten. Alle hierboven genoemde manieren waarop informatie vervuild kan
zijn, zijn ook goede manieren om anderen van foute informatie te overtuigen. De
bestaande term hiervoor is "propaganda".
In zoiets als de buitenlandse politiek
wordt het bedrijven van propaganda veelal gezien als een legitiem middel, en in
de gewone politiek is dat niet veel minder.
Die propaganda is er vaak op gericht om anderen te overtuigen van iets dat niet
in hun belang is. Dan is het voor die anderen dus een geldige mogelijkheid om
het tegenovergestelde aan te nemen van wat de propaganda beweert.
Een bekend
literair voorbeeld van propaganda is "Oorlog is vrede", bedacht door George Orwell
(Wikipedia) . In het kader van het boek waar het in staat, 1984, en als
beschrijving van hoe de "vijand" propaganda bedrijft, ziet men dit inderdaad als
inhoudelijk onjuist - als propaganda. Toch gelooft een groot deel van de mensen
die dit zien, ook in het idee van het brengen van beschaving door middel van
oorlog, zoals gedemonstreerd door de oorlogen in Vietnam, Irak en Afghanistan.
Wat dus hetzelfde is als geloven in "Oorlog is beschaving". Allemaal
voorbeelden waarin het aannemen van het tegenovergestelde van het gepropageerde
datgene is gebleken dat juist is.
Wat voorbeelden van de andere regels uit de maatschappelijke praktijk:
Voorbeelden van de eerste regel met de hogere abstracties zijn alles met
vermelding de termen Vrijheid, Democratie, de Mensenrechten, enzovoort (let op
de hoofdletters) - in praktische termen: "Het opsluiten van illegalen is in
strijd met de Mensenrechten". De weerlegging ligt zoals gewoonlijk in het
spiegelbeeld: "Het niet-opsluiten en niet-uitzetten van illegalen is de facto
identiek aan vrije immigratie, en schendt de rechten van de bestaande inwoners".
Voorbeelden van de tweede regel, personen als afleider, zijn de crisis met Libië (tachtiger jaren), met als
persoonlijke afleider Khadaffi (Reagan: "Khadaffi is de opvolger van Hitler, en
de duivel op aarde"); de oorlog met Joegoslavië, met als afleider Milosevic (Clinton:
"Milosevic is de opvolger van Hitler, en de duivel op aarde"); en de oorlog met Irak, met als afleider Saddam
Hoessein (Bush sr. en Bush jr.: "Saddam Hoessein is de opvolger van Hitler, en de
duivel op aarde"). Die voorbeelden laten ook zien waarom dit gedaan wordt:
door de zaak te concentreren op één persoon, wordt het punt vermeden dat de
actie tegen deze ene persoon, oorlog, onnoemlijke veel schade brengt aan zeer grote
aantallen andere, onschuldige, personen (tot in de vele miljoenen).
Of een ander berucht voorbeeld uit de buitenlandse politiek,
tot aan de dood van de betrokkene, uit de mond van alle Israëlische voorlichters
en politici: "Alle Palestijnse aanslagen zijn uitgevoerd door Yasser Arafat
persoonlijk, inclusief alle zelfmoordaanslagen".
Of voor het Nederlandse geval: "Hans Janmaat is een fascist
die alle allochtonen wil vermoorden". "Pim Fortuyn is een fascist die alle
allochtonen wil vermoorden". "Rita Verdonk is een fascist die alle allochtonen
wil vermoorden". En als voorlopig laatste: "Geert Wilders is een fascist die alle allochtonen wil
vermoorden". Dat "... die alle allochtonen wil vermoorden" wordt er niet
expliciet aan toegevoegd, maar de suggestie wordt gewekt door allerlei zwarte
toespelingen die in die richting duiden ("Allochtonen gaan zich onveilig voelen
door de woorden van ...", "Hij/ze wil asielzoekers/immigranten/moslims
deporteren").
Voorbeelden van de derde regel, het gebruik van emotie-opwekkers, kunnen komen
uit de al eerder genoemde lijst van politieke leugens, zoals de vermeende moord op de
Koeweitse couveusebaby's gebruikt om de oorlog tegen Irak te
rechtvaardigen
, de Kosovaarse "genocide" gebruikt
om de oorlog tegen Servië te rechtvaardigen
. Of wat dichter bij huis voorbeelden zoals asielzoekers die zielig gemaakt worden om hun onterechte toelating te
rechtvaardigen
, allochtone immigranten die zielig gemaakt worden om hun onaangepaste en
criminele gedrag te rechtvaardigen
, negerkindjes in Afrika
die zielig gemaakt worden om zinloze hulp te rechtvaardigen
, enzovoort.
Voorbeelden van het vierde, de moraalaanroep, zijn termen als fatsoen, "goed", "fout", "Goed", "Kwaad",
enzovoort bevat (let op de hoofdletters). Je kan ook argumenten aanvoeren om dit
met de volgende categorie, ideologie, te verwisselen, en het hangt dus in
aanzienlijke mate van de zwaarte van het geval af.
Voorbeelden van dat vijfde, ideologie, zijn zaken als "In naam van het communisme ..." (vul
in talloze andere "ismes") , "De multiculturele samenlevingen een verrijking van
onze cultuur" (vul in talloze andere varianten), enzovoort.
De laatste regel, die over religie, is al min of meer afgedaan en spreekt
eigenlijk voor zich.
De twee persoonsregels uit de derde set zijn erg handig, omdat erdoor niet alleen specifieke informatie, maar
hele informatiestromen kunnen worden weggegooid, doodgewoon door te
kijken naar wie het zegt. De al genoemde Amerikaanse presidenten, alle
Israëlische voorlichters en politici,
vrijwel alle multiculturalisten, enzovoort. Ook dit zijn allemaal gevallen
waarin ook tweede persoonsregel klopt: met de Amerikaanse oorlogsdaden is de vrede niet gediend gebleken, maar de
vrede schade te zijn aangebracht, het geweld in het Midden-Oosten is niet de
schuld van de Palestijnen maar van Joodse immigranten, en de multiculturele
samenleving is niet een verrijking van onze cultuur maar een verarming
(allochtone culturen hebben gebracht: wij-zijdenken, cliëntilisme,
uithuwelijken, eerwraak, wapenbezit, enzovoort).
Dit over de filtering van informatie voor zover slaande op informatie uit de
media.
Zoals al in het begin gesteld zijn dezelfde soort processen werkzaam op alle niveaus
waarop informatie, boodschappen, tot de individuele mens komen: media, sociale
omgeving, familiekring. Natuurlijk heeft
ieder van de genoemde soorten brongebieden zijn eigen karakteristiek:
boodschappen van ouders en dergelijke vallen veel sneller op het emotionele vlak
en hebben vele sneller en veel meer een emotionele component, maar voor allemaal
geldt dat ze als geheel de geest van het individu ingaan, en daar op
verschillende plaatsen terechtkomen: het emotionele deel van de boodschap wekt
iets op in de emotionele hersenen, het informatieve deel gaat eerst naar de
bewuste hersenen.
Het proces in de hersenen kan grotendeels vertaald worden naar dat met
betrekking tot de media. Er is in beide gevallen een objectieve werkelijke
wereld. In beide gevallen is er een eerste selectie uit die oneindig grote
werkelijke wereld: voor de media in de berichten die ze ontvangen, en voor de
hersenen in de informatie die ze van de zintuigen krijgen - dat is namelijk al
sterk gefilterd, zoals overbekend is voor het oog: kleuren als infrarood en
ultraviolet ziet het menselijke oog niet, en voorbij die kleuren liggen er nog
veel meer.
De tweede fase is wat de media zelf doorgeven. Dat is in de
hersenen datgene wat naar het bewuste deel van de hersenen gaat - heel veel
blijft in het onbewuste achter (bij de ogen is dat bijvoorbeeld het bewuste en
het onbewuste zichtsveld). En tenslotte de diverse vervormingen van de
informatie door de media zijn ook in de hersenen terug te vinden - er is de
onbewuste vervorming, met als bekende voorbeeld de optische illusies, de
overbekende vervormingen door emoties, en tenslotte de vervorming door al in de
hersenen aanwezige ideeën omtrent de werkelijkheid - dit is allemaal nader
beschreven hier
.
In deze volgorde is dit tevens gerangschikt naar hardnekkigheid: aan optische
illusies is niets te doen - dat zit in de aard van het zintuig en de neurologie.
Aan de invloed van emoties is wel iets te doen, maar is duidelijk erg moeilijk
en vergt langdurige training (dat heet "opvoeding"), en het lukt gemiddeld
genomen voor iets als enkele tientallen procenten. De vervorming door ideologie
is ingebracht door de wijdere sociale omgeving, en het meest vatbaar voor
verbetering. Dat is het terrein waarop het voorgestelde filter het meest van
toepassing is.
Er is echter één groot verschil tussen de filtering door de media en die door de
eigen geest: die door de media is niet beïnvloedbaar door het individu, die van
zijn eigen geest wel. Beïnvloeding van het filter in de geest dóór de geest is
een vorm van het algemene proces van terugkoppeling
. Van terugkoppeling zijn er twee hoofdsoorten: degene die de afwijking
versterkt, en degene die de afwijking tegenwerkt - het eerste noemt men
"positieve" terugkoppeling, want het is een toename dus heeft het wiskundig een
plusteken, en het tweede "negatieve", want het is een afname dus wiskundig een min-teken.
De praktijk werkt vaak precies andersom uit: de "positieve" terugkoppeling geeft
negatieve resultaten en andersom - kanker is een geval van "positieve"
terugkoppeling. Dit is ook zo in onze situatie: bij "positieve" terugkoppeling
zorgt het filter voor nog meer afwijking tussen idee en werkelijkheid. Bij
"negatieve" terugkoppeling wordt het filter naar minder afwijking tussen
werkelijkheid en idee gestuurd. Het tweede is ruwweg de methodiek gehanteerd
door de wetenschap - de wetenschap test zijn afwijking van de werkelijkheid, en
probeert die te verminderen
. Het eerste geval is dus ruwweg het omgekeerde van
de wetenschap - en daaronder verstaat men normaliter de religie, en dus meer
algemeen: de ideologie. Maar als je wetenschap formuleert als "het rationele
denken", kan je daar ook "de emoties" tegenover stellen. Emoties en vooral
ideologie hebben dus een zelfversterkende werking op het filter dat het beeld
van de werkelijkheid vervormt: door de ideologie heb je een filter dat de
ideologie bevestigt - die daardoor sterker wordt, en de informatie nog meer
filtert, enzovoort. Meer over ideologie hier
.
Met deze gelijkstellingen is nu helder wat de bovenstaand geformuleerde regels
doen: ze proberen de door fysiologie (de optische illusies), emoties, en
ideologie veroorzaakte vervormingen van het beeld van de werkelijkheid te
corrigeren, door een vorm van "negatieve" terugkoppeling. En zoals bij
Terugkoppeling gezien
, is negatieve terugkoppeling het proces dat leidt tot een toestand van
evenwicht
, een evenwicht hier bestaand uit een goed beeld van de werkelijkheid.
Het bovenstaande filter, en het verhaal eromheen, is dus het algemene geval van
meer op specifiek psychologische problemen toegesneden methodieken als
cognitieve therapie
, rationeel-emotieve therapie, en het voor gebruik door het algemene publiek bedoelde neuro-linguistisch
programmeren
(Wikipedia). Deze overeenkomst stamt van de basis die ze gemeen hebben met de
analyse hierboven, zijnde het idee van algemene-semantiek ontwikkelaar Alfred
Korzybski
(Wikipedia), dat zegt dat psychologische misconcepties en problemen samengaan
met taalkundige misconcepties en problemen.
Tot nu toe is bij alle besproken informatiestromen uitgegaan van
eenrichtingsverkeer. Er is ook een tweerichtingsversie genaamd "discussie" of
"dialoog". Dit proces heeft naast regels voor de binnenkomende informatie zoals
ze hierboven staan, ook zijn eigen gedragsregels, die uitgewerkt zijn hier
. Maar het direct interactieve karakter brengt ook op het vlak van de over te
brengen boodschap weer nieuwe dynamiek met zich mee, zoals, vooral onder mannen,
de wil tot "het winnen van de discussie". In het kader van dit soort zaken acht
men weer verdere afwijkingen van de werkelijkheid geoorloofd, waarvan vele al
sinds de oudheid bekend zijn onder namen als "Ad populum" (op het volk spelen),
en dat inmiddels het aantal van vele tientallen retorische trucs heeft bereikt
. Voor informatie ontvangen in het kader van discussie of dialoog geldt de voor
de voor de hand liggende uitbreidingen van de al genoemde regels:
- Naarmate in een discussie of dialoog meer gebruik wordt gemaakt van
retorische trucs, is de betrouwbaarheid van de informatie kleiner.
- Naarmate in een discussie iets wordt beweerd met een grotere hoeveelheid
of meer extreme vormen van retorische trucs, is er een grotere kans dat het
tegenovergestelde van het beweerde waar is
.
Voor de laatste regel geldt ook weer het genoemde voorbehoud van
voorzichtigheid, maar ook hier is hij in de praktijk gebleken zeer vaak te
werken. In dit geval kan het ook dienstig zijn om het hanteren van de regel in
de discussie te melden, in een poging de methodiek van de andere partij te
matigen.
En tenslotte is er nog een heel algemene regel, waarvoor hetzelfde geldt als de
voorgaande twee. Voordat we hem introduceren, eerst een "rechtvaardiging" ervan
aan de hand van haar tegenovergestelde. Dat tegenovergestelde luidt:
| |
Niet de inhoud van een boodschap is van belang, maar de vorm. |
Deze uitspraak is in diverse gedaantes terug te vinden, gedaan door literatoren
en andere alfa's
. Zelfs in het maatschappelijke leven is hij terug te vinden, in de manier
waarop een sollicitatiebrief wordt beoordeeld: spelfouten worden essentiëler
geacht dan vele inhoudelijke zaken
.
In het geval van het vinden van informatie in een
boodschap, hebben we het tegenovergestelde doel, en is de vorm een afleider
daarvan. Naarmate die informatie mooier is ingepakt, is het dus des te
makkelijker om af te geraken van dat doel. Wat extra gevaarlijk is omdat degenen
die mooi kunnen schrijven en spreken, in zeer gevallen doelstellingen hebben die
afwijkt van die van mensen die zich concentreren op de inhoud, zoals in de
bekende tegenstelling tussen alfa's (en gamma's) en bèta's
- het geval van de sollicitaties is slechts een specifiek voorbeeld van een
algemeen verschijnsel
, ertoe geleid hebbende dat de alfa's en gamma's de baas zijn in de wereld
. Daar komt nog bij dat diezelfde groep veruit de grootste capaciteiten tot
liegen bezit
.
De zoeker van informatie kan en moet zich dus wapenen tegen
het belangrijkste strijdmiddel van de alfa's en gamma's en de machtigen van
deze wereld, met de volgende stelling:
- Naarmate een boodschap in mooiere taal is gesteld en mooiere woorden en
beelden gebruikt, oftewel retorisch begaafder is verwoord, is de informatie
erin onbetrouwbaarder
.
Slechts een beperkte hoeveelheid oefenen en luisteren naar politici en wat
alfa- en gamma-intellectuele waarnemers over de leugens van politici opmerken zal de algemene juistheid van deze stelling aantonen, en laten
zien dat het aantal uitzonderingen redelijk tot zeer beperkt is. Er zijn
zelfs neurologische aanwijzingen voor de relatie
. Test zelf
hoeveel van datgene dat ze zeggen er later uitkomt of waar blijkt te zijn, zie
hier
(buitenlands) of hier
(binnenlands).
Al het voorgaande gaat over het verkrijgen van enigszins betrouwbare informatie.
Met die informatie moet in het algemeen ook nog iets gedaan worden. Redeneren,
denken, weer verder argumenteren, beslissingen nemen, en dat soort zaken. Ook
hierin kan veel goed en fout gaan. Een aantal foute denkmethodes staat verzameld
hier
, en wat werkende methodes hier
.
Naar Algemene semantiek, trainingsprogramma
,
Alg. semantiek lijst
, Alg. semantiek overzicht
, of site home
.
|