WERELD & DENKEN
 
 

Algemene semantiek | Korte inleiding en bronnen

Informatiefilter

 .2010

Taal heeft vele doelen, waarvan de meeste wel te schikken zijn tussen de twee punten te kenmerken als het overbrengen van "gevoelens" en het overbrengen van "informatie". In dit artikel gaat het over het doorgeven van informatie.

De meeste informatie komt tegenwoordig uit de media. De term is een meervoud van medium, oftewel een instituut dat doorgeeft. De media ontvangen informatie uit en gegeven die weer door. De bronnen zijn eigen medewerkers, medewerkers van andere media, gespecialiseerde informatieverzamelaars als persbureaus, ingehuurde deskundigen, instelleningen die informatie willen verspreiden zoals regeringen,  en nog veel meer. Degenen aan wie media de weer informatie doorgeven zijn makkelijker te omschrijven - dat is het massapubliek, zeg maar: de burgers.

De informatie die de media krijgen is niet dezelfde als die ze doorgeven. Ten eerste is de hoeveelheid informatie die ze krijgen veel groter dan dan ze gewoonlijk kunnen doorgeven. In de selectie van wat doorgegeven wordt, kan het totale beeld van de doorgegeven informatie afwijken van de ontvangen.

Ten tweede verschilt de vorm van de doorgegeven informatie meestal van de ontvangen versie. tegenwoordig kan iedereen dat zelf controleren omdat veel persbureaus nu ook websites hebben. De berichten van de persbureaus over een gebeurtenis zijn meestal kaler dan die in de kranten. Kranten voegen er meestal eigen zaken aan toe, hetgeen extra informatie kan zijn, een verbetering dus, of eigen interpretatie. Dat laatste is meestal een verslechtering als het om de objectiviteit van de informatie gaat. In vaktermen: de persbureaus beperken zich tot "wie", "wat", "waar", "wanneer" - kranten voegen daar "waarom" aan toe. En over dat "waarom" kunnen de meningen makkelijk verschillen, en wel meer naarmate het belangrijker en groter wordt - zoals het bekende zegswijze "Het eerste slachtoffer van oorlog is de waarheid" laat zien uitleg of detail .

In werkelijkheid is dat "waarom"-deel van het verhaal een relatieve kleinigheid. Informatie wordt door de media in matige tot sterke mate gemanipuleerd, deels onbewust en deels bewust. Het onbewuste manipuleren gebeurd door het bestaan van algemeen aanvaarde oordelen aangaande maatschappelijke zaken die in werkelijkheid niet waar of gewoon onzin zijn. Zo is in de huidige tijd een groot deel van de media overtuigd van de waarheid van de stellingen "Alle culturen zijn gelijk" en "Alle mensen zijn gelijk", terwijl dit ongetwijfeld als waarheid even sterk zijn als "De aarde is plat" .

Een andere onbewuste vorm van manipulatie is het ongewijzigd doorgeven van ontvangen en reeds gemanipuleerde informatie. Dat geldt bijvoorbeeld voor zeer vaak om informatie ontvangen van regeringen, bedrijven, politici, enzovoort. Dat wil zeggen: alle informatie ontvangen van personen of instituten die een eigenbelang hebben bij die informatie. Bedenk dat aantal mensen dat het verspreiden van dit soort gemanipuleerde informatie als beroep heeft, voorlichters en dergelijke, een veelvoud is van de mensen die in dienst zijn van de media.

Het bewuste manipuleren gebeurd meestal aan de hand van twee zaken: ideologie en eigenbelang (het belang van de eigen groep of maatschappelijke klasse), of de belangrijke combinatie daarvan geheten "politiek" .

Al deze methoden van desinformatie bedienen zich uiteindelijk van woorden, en kunnen dus gezien worden als misbruik van woorden of misbruik van taal - dit wordt hier niet verder uitgewerkt, maar onder de algemene behandeling van het gebruik van taal, bij Algemene semantiek . Hieronder behandelen we een aantal snelle vuistregels om uit de grote hoeveelheid "informatie" de vermoedelijke werkelijkheid te filteren.

Het allereerste is het kijken naar de bron, en de positie die de bron inneemt ten opzichte van de informatie. Als de informatie gaat over een conflict, wat heel vaak het geval is, moet de positie van de bron in het conflict bepaald worden. Naarmate het conflict grootschaliger is, is de kans groter dat de bron op een of andere wijze bij het conflict is betrokken. Zodra de bron bij het conflict betrokken is, is zijn informatie per definitie onbetrouwbaar. Dat wil niet zeggen dat het niet waar is, maar dat dit onzeker is, het kan even goed niet waar zijn..

De eerste toepassing van deze basisprincipes is dat in alle wereldwijde en continentwijde conflicten waarin de westerse wereld betrokken is, de informatie in en van de westerse wereld niet betrouwbaar is. In het verleden geldt dit voor de ideologische conflict met de Sovjet-Unie, of het communisme. Alles wat in dit kader in het westen is gezegd of geschreven is per definitie onbetrouwbaar. Meer recente gevallen zijn de oorlog tegen Irak, JoegoslaviŽ, en het terrorisme.

Omdat dit hier in een wat systematische context wordt opgeschreven klinkt dit in westerse oren wat ongewoon, maar in feite is het onbewust wel bekend, in de al genoemde zegswijze: het eerste slachtoffer van oorlog is de waarheid. Vervang 'oorlog' door 'conflict' en we hebben een synoniem van de bovenstaande formulering.

Zoals al gesteld: onbetrouwbaar wil niet zeggen: onwaar. Hoe bepaalt men nu in een grote stroom berichten wat wel of niet een beetje waar is? Daarvoor zijn de volgende vuistregels behulpzaam - zowel de regels als de genoemde getallen zijn gebaseerd op inschattingen die weer gebaseerde zijn op jarenlange waarnemingen van dit proces:

  • Als iemand iets beweert over een zaak waar hij een belang bij heeft, is de kans dat het waar is circa 20 procent, en dat het onwaar is circa 80 procent.
  • Als iemand een uitspraak doet over een zaak waar hij geen belang bij heeft, zijn de kansen op waarheid en onwaarheid respectievelijk circa twee derde en ťťn derde.
  • Als iemand iets beweert in een zaak waar hij een min of meer tegengesteld belang bij heeft, zijn de kansen op waarheid en onwaarheid circa 80 en 20 procent.

In omstandigheden waar er meerdere bronnen zijn, zijn soortgelijke regels te formuleren:

  • Als van tien mensen er negen iets beweren dat in het belang is van de groep, en ťťn persoon beweert het tegendeel, is de kans dat de ene persoon gelijk heeft circa twee derde.
  • Als van tien mensen er acht iets beweren dat in het belang is van de groep, en twee personen beweren het tegendeel, is de kans dat de twee personen gelijk hebben minstens 95 procent (vrijwel zeker). uitleg of detail

Een tweede set regels gaat over de manier van presentatie:

  • Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op hogere abstracties, is de informatie onbetrouwbaarder, en wel meer naarmate die abstracties hoger zijn.
  • Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op emotie in plaats van de zaak, is de informatie onbetrouwbaarder.
  • Als bij de presentatie van de informatie gebruik wordt gemaakt van ideologie, is de informatie in hoge mate onbetrouwbaar.
  • Naarmate bij de presentatie van de informatie meer de nadruk wordt gelegd op morele zaken in plaats van de zaak is de informatie onbetrouwbaarder, en wel meer naar de betreffende morele regels algemener zijn.
  • Als bij de presentatie van de informatie gebruik wordt gemaakt van religieuze of soortgelijke zaken, is de informatie in zeer hoge mate onbetrouwbaar.
  • Naarmate bij de presentatie van de informatie meer belang wordt gehecht aan de betrokken persoon of personen in plaats van de zaak, is de informatie onbetrouwbaarder.

Voor al deze gevallen geldt dat waar er in argumenten andere soorten woorden en begrippen worden gebruikt dan degene die direct op de betreffende zaak slaan, de inhoudelijke juistheid van de argumenten kennelijk niet voldoende is - versimpeld: wie moord wil bestrijden, hoeft niet aan te komen met hogere moraal, maar kan volstaan met het wijzen op de schade voor de betrokkene. Met moraal in de hand zijn moord, massamoord en genocide gepleegd - het "voorkomen van schade aan anderen" is iets dat nooit, of in ieder geval veel minder snel, tot massamoord kan leiden.

Op de laatste na, zijn de regels geformuleerd in volgorde van onbetrouwbaarheid. Voor de laatste twee, die over ideologie en religie, is het mogelijk om redelijk betrouwbare cijfers te geven. Voor religie ligt dat tussen de 90 en100 procent, met een sterke neiging richting 100 - dit hangt af van de soort religie, met natuurreligies en weinig wereldlijke varianten als boeddhisme als minst erge, en die met een almachtige godheid en strenge regels als ergste, en de bekendste godsdiensten van christendom, jodendom en mohammedanisme als allerergste, in die volgorde.
    De reden voor deze (af)waardering is dat als mensen religie in argumenten gaan betrekken, ze dus ook redelijk actief gebruik maken van religie in hun leven. En religie is voor de echte religieus de zin van zijn leven. De religieuze factor in een argument van een religieus zal dus altijd alle andere factoren overstijgen, en er is dus geen enkel oorzakelijk verband met de werkelijkheid. Dat wil niet zeggen dat de informatie of argumenten van de religieus per se onwaar zijn, maar alleen dat de kans even groot is dat ze waar of onwaar zijn. Wat die persoon zegt, is dus onbruikbaar, en kan weggegooid worden.

De kleinste mate van afwaardering van betrouwbaarheid is bijna het aanhalen van hogere abstracties. Het is de kleinste omdat abstracties nog wel slaan op de inhoudelijke kant van de zaak. Het leidt tot een afwaardering, omdat abstracties per definitie minder relatie hebben met het onderwerp dan zaken van gelijk niveau - dit volgens de aloude regel dat je koeien kan vergelijken met paarden, maar niet, of veel minder, met vee. De hogere abstractie met de naam "vee" slaat op veel soorten dieren, bijvoorbeeld ook pluimvee, en heeft dus veel minder gemeen met een koe dan een paard  Onder "vee" valt ook een kip, en een kip is een vogelsoort en geen zoogdier, zoals koe en paard zijn. Geformuleerd in termen van argument: "Voor de bevalling van een koe moet je de dierenarts laten komen - dus voor de bevalling van een paard ook" is geldig, terwijl "Voor de bevalling van een koe moet je de dierenarts laten komen - dus voor de bevalling van een kip ook" dat niet is.

Hieruit is ook onmiddellijk duidelijk dat dit in versterkte mate geldt naarmate het verschil in abstractie groter is. Refererende aan de abstractieladder van Hayakawa => : een argument aangaande koeien dat ook de term "boerderijtoebehoren" gebruikt is nog minder betrouwbaar dan als het "vee" gebruikt:  "Een koe heeft voer nodig - een tractor is net als een koe een boerderijtoebehoren - dus een tractor heeft ook voer nodig" (probeer het ook eens omgekeerd, en met benzine ...).

Het feit dat een redenatie met een hogere abstractie onbetrouwbaar is, wil niet zeggen dat hij ongeldig is. Want neem het volgende voorbeeld: "Voor de koop van een koe is geld nodig - een tractor is net als een koe een boerderijtoebehoren - dus voor de koop van een tractor is ook geld nodig" - dit is duidelijk wťl waar.

Voor vele zaken is het gebruik van argumenten met hogere abstracties noodzakelijk - zo is wetenschap weinig anders dan het systematische gebruik van hogere abstracties. Om de betrouwbaarheid van een redenatie met hogere abstracties te vergroten, heeft de wetenschap een extra middel uitgevonden: de veldtest, of "experiment" => . Dat is weinig anders dan het controleren van de uitkomst van de redenatie. Dat wil zeggen: je haalt de dierenarts bij de bevalling van de kip, en gaat na of dit enige zin heeft gehad. En als het in andere gevallen wat minder duidelijk is dan met de kip, dan herhaal je de test nog een aantal keren - net zolang tot die duidelijkheid er wel is. In het geval van argumenten en informatie: je maakt een voorlopige  evaluatie zonder een definitieve beslissing te nemen, en wacht op verdere herhalingen van argumenten of informatie, liefst uit andere bronnen, om na voldoende herhaling tot die definitievere beslissing te komen.

Dit wat betreft hogere inhoudelijke abstracties. Ideologie is ook een vorm van hogere abstractie, maar dan eentje met ingebouwde regels die niet getest kunnen worden. Dat is dus  nog onbetrouwbaarder dan een gewone hogere abstractie.

Morele waardes lijken op ideologieŽn, maar daar zijn meestal ook meer basale geestesprocessen als emoties en instincten bijna betrokken. is het extra oppassen als ze gebruikt worden door anderen, want het risico op niet-inhoudelijke beÔnvloeding is erg groot.

Waarmee we op natuurlijke wijze zijn aangekomen bij het ergste geval: religie, waarin de waarde van de werkelijkheid  sterk is verminderd door het volledig uitschakelen van de test naar de werkelijkheid (er is geen godsbewijs dus religie kan nooit in bewijzen geloven) en de sterke betrokkenheid van basale emoties, aangaande leven, dood, enzovoort. Stel de betrouwbaarheid van het gebruik van abstracties op 50 procent, trek er voor iedere stap oftewel iedere volgende regel in het rijtje 10 procent van af, en je bent voor religie zo'n beetje uitgekomen op nul.

Voor al deze regels geldt als extra regel, dat het gebruik van deze niet-inhoudelijke argumenten moet leiden tot een sterke afwaardering van de betrouwbaarheid naarmate de aangehaalde abstracties, emoties, morele regels, ideologien, religie of personen dichter bij de eigen persoon staan.
     Dit lijkt tegen de intuÔtie in te gaan, omdat het normaliter zo is dat het gebruik van bijvoorbeeld een religieus factor de argumenten betrouwbaarder maakt voor iemand die de (zelfde) religie aanhangt.
     Dat laatste is inderdaad zoals het in de geest normaliter werkt. Dat wil zeggen: de geest filtert de binnenkomende informatie al uit op datgene dat al aan ideeŽn in de geest is vastgelegd => . Dat is dus een zelfversterkende werking van het filter  => , en juist datgene dat moet worden voorkomen, als men streeft naar evenwicht => , of in dit geval: een goed beeld van de werkelijkheid.

Dan zijn er nog twee regels die niet slaan op specifieke informatie, maar op informatiebronnen:

  • Naarmate bepaalde personen vaker gebruik maken van het spelen op personen of emoties is wat deze personen zeggen onbetrouwbaarder.
  • Voor personen die in sterke mate gebruik maken van spelen op personen en emoties geldt dat als ze iets beweren, is de kans groter dat het tegenovergestelde van wat ze beweren waar is.

Deze persoonsregels, met name de tweede, moeten met enige voorzichtigheid worden toegepast, want ze zijn in strijd met de gezond-verstandregel die zegt dat het niet gaat om wie wat zegt, maar wat hij zegt - een andere versie van laatste regel. Bovendien is er vaak geen precies tegenovergestelde van wat de persoon beweerd heeft. Maar de regel werkt vaak genoeg om hem hier niet te vermelden.
    De reden dat deze regels toch vaak werken ligt waarschijnlijk in de competitieve sfeer. De individuele belangen van personen lopen vaak niet gelijk op (hetgeen natuurlijk is want dit is in belang van de soort), en dat geldt natuurlijk ook voor combinaties van personen en hun gezamenlijke belangen. Als deze groep een bepaalde set leefregels heeft en de andere groep een ander, zullen die leefregels meestal op een of ander gebied botsen, en is er sprake van concurrentie en competitie. In het kader van concurrentie kan het van belang zijn de anderen groep van foute informatie te voorzien. En foute informatie kan het best overgebracht worden door ze in te kleden in goed lijkende, plausibele, argumenten. Alle hierboven genoemde manieren waarop informatie vervuild kan zijn, zijn ook goede manieren om anderen van foute informatie te overtuigen. De bestaande term hiervoor is "propaganda". In zoets als de buitenlandse politiek wordt het bedrijven van propaganda door velen gezien als een legitiem middel. Die propaganda is er vaak op gericht om anderen te overtuigen van iets dat niet in hun belang is. Dan is het voor die anderen dus een geldige mogelijkheid om het tegenovergestelde aan te nemen van wat de propaganda beweert. Een bekend literair voorbeeld van propaganda is "Oorlog is vrede", bedacht door George Orwell => . In het kader van het boek waar het in staat, 1984, en als beschrijving van hoe de "vijand" propaganda bedrijft, ziet men dit inderdaad als inhoudelijk onjuist - als propaganda. Toch gelooft een groot deel van de mensen die dit zien, ook in het idee van het brengen van beschaving door middel van oorlog, zoals gedemonstreerd door de oorlogen in Vietnam, Irak en Afghanistan. Wat dus hetzelfde is als geloven in "Oorlog is beschaving".

Wat voorbeelden van de andere regels uit de maatschappelijke praktijk:

Voorbeelden van de eerste regel zijn alles met vermelding de termen Vrijheid, Democratie, de Mensenrechten, enzovoort (let op de hoofdletters).

Voorbeelden van de tweede regel zijn de moord op de Koeweitse couveusebaby's => , de Kosovaarse "genocide", zielige asielzoekers, zielige allochtone immigranten, zielige negerkindjes in Afrika, enzovoort.

Voorbeelden van het derde zijn zaken als "In naam van het communisme ..." (vul in talloze andere "ismes") , "De multiculturele samenlevingen een verrijking van onze cultuur" (vul in talloze andere varianten), enzovoort.

Voorbeelden van het vierde zijn vrijwel alles dat termen als "Goed", "Kwaad", enzovoort bevat (let op de hoofdletters).

De vijfde regel, die over religie, spreekt min of meer voor zich.

Voorbeelden van de laatste regel, personen als afleider, zijn de crisis met LibiŽ (tachtiger jaren), met als persoonlijke afleider Khadaffi (Reagan: "Khadaffi is de opvolger van Hitler, en de duivel op aarde"); de oorlog met JoegoslaviŽ, met als afleider Milosevic (Clinton: "Milosevic is de opvolger van Hitler, en de duivel op aarde"); en de oorlog met Irak, met als afleider Saddam Hoessein (Bush sr. en Bush jr.: "Saddam Hoessein is de opvolger van Hitler, en de duivel op aarde"). Die voorbeelden laten ook zien waarom dit gedaan wordt: door de zaak te concentreren op ťťn persoon, wordt het punt vermeden dat de actie tegen deze ene persoon onnoemlijke veel schade brengt aan zeer grote aantallen andere, onschuldige,personen (tot in de vele miljoenen).
    Of met behulp van Nederlandse gevallen: "Hans Janmaat is een fascist die alle allochtonen wil vermoorden". "Pim Fortuyn is een fascist die alle allochtonen wil vermoorden". "Rita Verdonk is een fascist die alle allochtonen wil vermoorden". "Geert Wilders is een fascist die alle allochtonen wil vermoorden". Dat "... die alle allochtonen wil vermoorden" wordt er niet expliciet aan toegevoegd, maar de suggestie wordt gewekt door allerlei zwarte toespelingen die in die richting duiden ("Allochtonen gaan zich onveilig voelen door de woorden van ...").

De twee persoonsregels zijn erg handig, omdat niet alleen specifieke informatie, maar hele informatiestromen kunnen worden weggegooid kan worden, doodgewoon door te kijken naar wie het zegt. De al genoemde Amerikaanse presidenten, alle IsraŽlische voorlichters en politici ("Alle Palestijnse aanslagen zijn uitgevoerd door Yasser Arafat persoonlijk, inclusief alle zelfmoordaanslagen"), vrijwel alle multiculturalisten, enzovoort. In deze gevallen klopt ook regel twee: met de Amerikaanse oorlogsdaden is de vrede niet gediend gebleken, maar de vrede schade te zijn aangebracht, het geweld in het Midden-Oosten is niet de schuld van de Palestijnen maar van Joodse immigranten, en de multiculturele samenleving is niet een verrijking van onze cultuur maar een verarming (allochtone culturen hebben gebracht: wij-zijdenken, cliŽntilisme, uithuwelijken, eerwraak, wapenbezit, enzovoort).

Het bovenstaande is geformuleerd voor informatie komende van de media, maar gaat in feite om het proces van verwerking van alle informatie die de geest vanuit de wereld ontvangt - de media zijn, zoals in het begin gezien, slechts een doorgeefluik. Andere doorgeefluiken voor het individu zijn de ouders, broers en zussen en de verdere kringen van de sociale omgeving. Waarvoor natuurlijk precies hetzelfde geldt als de media: ieder van die doorgeefluiken kan en zal de informatie die het individu krijgt vervormen.

Dit kan nog verder veralgemeniseerd worden. De verwerking van binnenkomende informatie vindt plaats in de hersenen, waar die informatie  wordt gebruikt om een eindeloze reeks beslissingen te nemen - beschreven in Beslissingen vervolg .


Naar Democratie praktisch , Media lijst , Politiek & Media overzicht  , of site home .