De Volkskrant, 25-06-2005, column van Marjolijn Februari

Hebben die autochtone Nederlanders al niet genoeg problemen

In het heetst van die blakerende zomer werden alle poezen in de buurt afgeschoten door een scherpschutter die Beer heette. En daar was reden voor, er waren ook inderdaad veel te veel poezen, ze sleepten 's nachts rond met de half-afgekloven karkassen van kalkoenen en lieten een smerige bende achter in de parken en onder de geparkeerde auto's op straat. En een kabaal! Dus moest er nodig worden ingegrepen, vond de buurt, en we zaten hier goddorie toch niet voor niets in het Midden-Oosten! Scherpschutters genoeg.
    In mijn herinnering komen langzamerhand die poezen weer tevoorschijn nu ik deze week 's nachts niet kan slapen van de hitte. Door alle recente berichten over Palestina en de Gazastrook maak ik me zorgen over het IsraŽlisch-Palestijns conflict terwijl ik me van de ene zij op de andere gooi - en net als ik de slaap begin te vatten, springt de poes op bed, strijkt flikflooiend langs mijn wang en kriebelt met haren en snorren in mijn neus tot ik proestend overeind schiet. `Ga slapen', roep ik boos, maar dan ben ik meteen zelf weer hopeloos wakker.
    Die zomer logeerde ik een paar weken lang bij twee oude zusters die een prachtig groot huis bewoonden met een kleindochter en een poes. Achteraf heb ik wel eens gedacht dat ze misschien de twee oude nichten van Kafka waren, over wie ik heb horen vertellen dat die ook in het Midden-Oosten wonen en een keukenkast vol manuscripten hebben, waar niemand aan mag komen. Het had heel goed gekund, want de twee zusters waren niet Duits maar ze spraken wel Duits, en ze kenden wonderlijke verhalen over onrecht en gerechtigheid. Toch denk ik niet dat ze de oude nichten van Kafka waren: daarvoor waren ze veel te vrolijk.
    Vannacht, nu ik hier wakker lig, wordt de wereld steeds benauwder en zit er een poes op mijn bed en zitten zoveel poezen in mijn hoofd dat ik geen lucht meer krijg. Omhoog starend in het donker maak ik me grote zorgen over het Palestijns-IsraŽlisch conflict en over het steeds populairdere commentaar dat dit conflict inmiddels al is overgewaaid naar Nederland. Over het laatste maak ik me niet zozeer zorgen omdat het waar is, maar omdat het waar wordt als je hel maar vaak genoeg herhaalt. Want als dat waar wordt, importeren we met het conflict dus ook de vicieuze cirkel waarin alles, letterlijk alles, een excuus wordt voor agressie en geweld.
    Van die vicieuze cirkel wordt hier en daar al iets zichtbaar in Nederland. Vannacht maak ik me zorgen omdat ik laatst een intelligente en grappige, allochtone vrouw, die ik bewonder, hoorde zeggen dat ze misschien een hoofddoek gaat dragen. Waarom? Omdat de autochtone Nederlanders zoveel moeite met die hoofddoeken hebben, zei ze. ja, zoveel is duidelijk, maar waarom zou je dan een hoofddoek gaan dragen?
    Hebben die autochtone Nederlanders niet al genoeg problemen? Ze gaan scheiden, hun moeder wordt dement, hun zoon kan niet meekomen op school, ze hebben kanker of een andere vreselijke ziekte en dan is er ook nog de angst dat mensen de islam willen verspreiden onder de christenen. Zou je als weldenkend mens dan die angst niet van ze wegnemen, zou je je buren niet helpen en geruststellen? Waarom ze nog eens pesten door een hoofddoek te gaan dragen, als je zelf niet gelovig bent? Het is mij een volkomen raadsel. Maar het is wel een begin van een vicieuze cirkel.
    Nu begint ook de poes zich zorgen te maken. In het donker zie ik de contour van zijn gespitste oren en ik begrijp dat ik gauw iets vriendelijks moet zeggen. Wees maar niet bang, zeg ik, de scherpschutters in de buurt hadden geen schijn van kans tegen de poes die in het huis woonde van de twee oude zusters en hun kleindochter. De familie had van de binnentuin namelijk een waar paradijs gemaakt en daar sliep de poes overdag. 's Nachts sliep hij uiteraard bij de kleindochter op het voeteneinde van haar bed.
    Zelf nog steeds klaarwakker maak ik me er intussen zorgen over dat - o, ironie - wij een hoogleraar sociale cohesie hebben die rondloopt met bodyguards. Nog steeds vind ik dat we allemaal veel luider en veel duidelijker moeten blijven roepen dat bedreiging van politici en commentatoren diep schandalig is, misdadig, immoreel en blasfemisch. Maar tegelijk zou het voor de sociale cohesie ook wel bevordelijk zijn af en toe eens te bedenken hoeveel dingen juist goed gaan.
    Want is het niet een ongelofelijke prestatie dat in zo'n klein en drukbevolkt land in korte tijd zoveel immigranten zijn opgenomen zonder veel bloedvergieten? Is dat vroeger ooit beter gebeurd? Nee. Is dat elders ooit beter gebeurd"? Waar dan? Canada? Frankrijk? Nee. De integratie is in Nederland dan ook helemaal niet mislukt. Ze is ook inderdaad niet gelukt. Maar wat had je dan verwacht:' Dat we lachend met elkaar door de straten zouden dansen?
    Indertijd nam ik na een paar weken afscheid van de oude dames; aan het eind van de zomer kwam ik terug om te vragen hoe het ging. Hun achttienjarige kleindochter was een half jaar op reis gegaan, zeiden de zusters hoofdschuddend, en ze had honderdtachtig blikjes kattenvoer achtergelaten in de keuken. Rij haar vertrek was ze in tranen uitgebarsten - ze vertelden het deels ongerust, deels vertederd - en had smartelijk uitgeroepen: 'Ich kann niemals einen Mann so sehr liebhaben wie die Katze'.
    Het is een prachtige wereld, zong Louis Armstrong. En soms denk ik aan die honderdtachtig blikjes kattenvoer op het aanrecht, en dan geef ik hem gelijk.
 

Terug naar Filosofie lijst , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]