WERELD & DENKEN
 
 
Confucius

14 jan.2007


De Volkskrant, 05-12-2008, Door Olaf Tempelman

Onvermijdelijk als de zon

Wijsgeer van gehoorzaamheid, orde en discipline - zo staat Confucius bekend. In de populaire beeldvorming is de Chinese denker verworden tot een karikatuur, stelt Annping Chin. Zij keerde terug naar de bronnen uit een behoefte de echte Confucius te leren kennen, de man in wiens naam al vijfentwintig eeuwen anderen spreken.


Confucius is China’s geheime wapen én China’s blok aan het been. De wijsgeer leefde vijfentwintig eeuwen geleden. Zijn naam wordt telkens weer door niet-Chinezen opgevoerd in verklaringen wat China ‘anders’, ‘speciaal’ of ‘uitzonderlijk’ maakt. In de 20ste eeuw werd hij tijdelijk door Mao overschaduwd. Nu de Grote Roerganger een historisch fossiel is, is Confucius weer een populaire sleutel tot Chinese mysteries. Hoe het kan dat China op plekken met een extreme bevolkingsdichtheid min of meer leefbaar blijft? Confucius leerde beheersen. Hoe het kan dat een markteconomie naast een communistisch politiek systeem bestaat? Confucius leerde werken en gehoorzamen.
    Ik ben een keer op een college over Confucius getrakteerd in een grauwe Roemeense provinciestad waar het lokale personeel van een skipakkenfabriek massaal naar Italië was vertrokken. De directeur had tweehonderd meisjes uit China laten aanvoeren die voor minder geld in hoger tempo betere kwaliteit bleken te leveren. Hoe dat kon? ‘Confucius’, verzuchtte de skipakkenmagnaat.
    Arme Confucius, karikatuur van gehoorzaamheid, beheersing, kalmte, controle, netheid, orde beleefdheid, respect, gezagsgetrouwheid, discipline, onderdanigheid, nijverheid, onberispelijkheid en wat al niet meer. De Chinese autoriteiten verguisden hem een paar decennia, maar propageren hem tegenwoordig weer volop. Ter verspreiding van de Chinese cultuur worden de laatste jaren wereldwijd instituten opgericht die Confucius’ naam dragen. Nota bene communistische partijbonzen roemen de kwaliteiten van een op ‘confucianisme’ gebaseerde samenleving. Ze bezoeken zijn graf in Qufu, wat tot pijnlijke taferelen leidt als leden van de lokale bevolking gezichten herkennen. Een aantal van de middelbare-bonzen-in-pak dat Confucius komt eren, was namelijk al eens in Qufu, in november 1966, jong, met rood boekje en blauw jasje, toen om op instigatie van Voorzitter Mao het graf van de wijsgeer te schennen. De Culturele Revolutie waartoe de Roerganger had bevolen, beoogde China te bevrijden van de ballast van de culturele overdracht – en wie symboliseerde die meer dan Confucius?

Wat ook treurig is: veel van de Chinese politici van nu hebben een nauwelijks minder karikaturaal beeld van Confucius dan de Roemeense skipakkenmagnaat.

Voor zover de wijsgeer al verheugd zou zijn dat zijn naam na vijfentwintig eeuwen nog circuleert – aardse roem wekte, zo weten we, zijn wantrouwen –, hij zou het zeker niet leuk vinden dat anderen steeds in zijn naam spreken en hem van alles toedichten. Dat gebeurt al een flinke tijd. Al in de eeuwen na zijn dood ontstonden twee confuciaanse scholen, die van Mencius en Xunzi, die de nalatenschap van de meester erg verschillend interpreteerden, en waarvan die van Mencius, met zijn positieve mensbeeld, zijn plooibaarheid en zijn voor heersers weinig confronterende inhoud, beter in de Chinese maatschappij wortel schoot dan die van de bepaald niet behaagzieke Xunzi, met zijn weinig hooggestemde visie op het mensdom.

Een belangrijke bijdrage aan de mythevorming rondom Confucius leverde de geschiedschrijver Sima Qian. Hij vervaardigde ongeveer vijfhonderd jaar na de dood van de wijsgeer een omvangrijke biografie waarin hij zich te buiten gaat aan de zondes van het invullen, het toevoegen en het opleuken. Zo zou Confucius bijvoorbeeld ooit ontvangen zijn door de nogal promiscue echtgenote van een heerser. Bij Sima Qian wordt dat een smeuïg verhaal met een solide erotisch spanningsveld. De Taiwanees-Amerikaanse wiskundige Annping Chin verklaart haar biografie The Authentic Confucius, vertaald als Confucius – Een leven tussen filosofie en politiek, in de eerste plaats te hebben geschreven als reactie op de duimzuigerij van Sima Qian – uit een behoefte de echte Confucius te leren kennen, de man in wiens naam altijd weer anderen spreken.

Confucius heeft dat enigszins over zichzelf afgeroepen door geen eigen geschriften na te laten. Voor haar biografie keerde Chin, die in Yale de intellectuele geschiedenis van China doceert, onder meer terug naar ‘Gesprekken’, uiteenlopende uitlatingen over Confucius die ongeveer een eeuw na zijn dood werden samengebracht. Ze bevatten veel lacunes en helemaal niets over Confucius’ privéleven. De leemten in haar biografie stemmen, aldus Chin, ‘overeen met de leemten in de bronnen’.
    Haar Confucius-biografie is niet ronkend, soms ietwat droog, maar succesvol in het logenstraffen van clichés en het bijstellen van een beeld. In plaats van een autoritair en trefzeker denker die in zijn eigen tijd in hoog aanzien stond en grootse maatschappelijke hervormingen wist af te dwingen, leren we Confucius kennen als een overlevingskunstenaar die dingen steeds in twijfel trok, die moeilijke en gevaarlijke situaties het hoofd moest bieden en lang een zwervend bestaan leidde, al dan niet op de vlucht, een overlever die op zijn lange tochten wijsheid vergaarde door steeds de vraag te stellen: wat dient een fatsoenlijk mens in deze situatie te doen?

Op het hoogtepunt van zijn politieke carrière, rond 500 voor Christus, gold Confucius als een van de verstandigste en ontwikkeldste ambtenaren van zijn geboortestaat Lu. Zijn positie was een lastige. Hij moest zich bewegen tussen narcistische hertogen en rijke, corrupte, onderling strijdende familieclans. Confucius, omzichtig evenwichtskunstenaar, dreigde in dit rattennest verstrikt te raken toen hij besloot voor onbepaalde tijd op reis te gaan. Hij verliet zijn geboortegrond, doch niet uit escapisme.
    Rattennesten, bandietennesten en andere plekken waar menselijke zwaktes welig tieren, dienen het onderwerp te zijn van studie en bezorgdheid. Twee van zijn aforismen zijn in deze context interessant. ‘Een echte edele betreedt niet het domein van iemand die zich ondeugdzaam heeft gedragen.’ Maar ook: ‘Werkelijk hard is datgene wat zich niet laat vermalen.’ Chin: ‘Nadat hij in 497 uit Lu was vertrokken, bleef hij de volgende veertien jaar zijn diensten aanbieden aan figuren van wie hij wist dat ze onwaardig waren. Hij luisterde naar wat ze zeiden, wat vaak niet van drek te onderscheiden was. Maar nooit zou hij eraan twijfelen dat goede ambtenaren veel konden bereiken, al leken ze in de ogen van anderen mislukt. (....) Al was de heer grof en verachtelijk, mensen konden altijd hoop putten uit het feit dat ze hem in het gezelschap van ambtenaren zagen.’ Het kan niets anders of een van de bekende Confucius-bewonderaars van onze tijd, Henry Kissinger, moet hieraan gedacht hebben bij het aanbieden van zijn diensten aan de ‘grove heer’ Nixon.
    Confucius’ jarenlange omzwervingen waren moeilijk en vaak gespeend van enig succes. Met een klein groepje leerlingen trok hij van staat naar staat, op zoek naar een heer of heerser die van zijn wijsheid gebruik wilde maken. Op een goed moment strandde hij met zijn gevolg in de wildernis, waar de hongerdood dreigde. Zijn leerlingen raakten toen door twijfel en paniek overmand. Zilu opperde dat de kennis die ze aan de man trachtten te brengen wellicht niet deugdzaam was, anders zouden ze toch wel ergens emplooi vinden. Confucius antwoordde: ‘Is dat werkelijk zo? Als degenen die deugdzaam zijn altijd vertrouwen genieten, hoe verklaar je dan (het tragische einde van deugdzame lieden als) Bo Yi en Shu Qi?’ De edelste mens kan getroffen worden door ongeluk als hij in de verkeerde tijd leeft. Zi-gong vond dat Confucius zijn ideeën maar eens wat eenvoudiger en leuker moest maken, wilden ze nog ergens aan de bak komen: ‘Uw weg is te groot, die kan de wereld niet bevatten.’ Confucius reageerde laconiek: ‘Al werkt een goede boer nog zo hard, tot oogsten komt hij niet altijd. Mensen zullen niet altijd aanvaarden wat een edele hun kan leren. Nu lijkt het erop dat jij (Zigong) niet streeft naar kennis en zelfkennis. Jij wilt liever je ideeën ingang doen vinden. Dat is een beperkte doelstelling.’ Na anderhalf decennium zwerven konden Confucius en de zijnen terugkeren naar Lu. Daar bracht hij zijn laatste levensjaren door met lesgeven, zonder ooit nog een hoge positie bekleed te hebben.

Welke inzichten mogen we de echte Confucius wel toedichten? De wijsgeer die Annping Chin schetst leert zich in de eerste plaats kennen als een groot humanist. Al een paar eeuwen voor het christendom stelde hij dat we anderen niet mogen aandoen wat we zelf niet wensen. Zijn centrale begrip Rén omvat liefde en mededogen en de deugd om zo goed mogelijk je verantwoordelijkheden naar anderen toe te vervullen. Confucius’ morele filosofie draait om naastenliefde, empathie, respect en begrip – niet om van bovenaf opgelegde regels.
    In het verlengde ervan ligt het concept van leiderschap dat hij voorstaat, gebaseerd op de voorbeeldfunctie. Het voorbeeld dat iemand stelt is altijd superieur aan expliciete regels. De heerser kan zijn onderdanen nooit met harde hand tot werkelijke deugdzaamheid aanzetten, hij dient zelf deugdzaam te zijn. Wie anderen goed wil regeren, moet eerst zichzelf kunnen regeren.

Confucius zijn negatieve uitlatingen over Laozi (Lao-Tse) in de mond gelegd. Maar in feite is zijn gezagsfilosofie niet zo ver verwijderd van het taoïstische concept van wu wei, ‘zonder actie’, het idee dat de heerser meer bereikt naarmate hij minder doet, meer beheerst naarmate hij zichzelf beheerst, beter is naarmate de bevolking minder van zijn aanwezigheid merkt. De klassieke metafoor voor goed gezag is water: het is zacht, maar het slijt rotsen uit. Dat staat allemaal haaks op gehoorzaamheid die het gevolg is van de vuist van een leider.

Steeds opnieuw pleit Confucius voor individuele vervolmaking en zelfdiscipline. ‘Als je fouten hebt, vrees dan niet ze af te werpen’, is een van zijn meest geciteerde aforismen. Autoriteiten die de wet handhaven bestraffen een ondeugd nadat die begaan is, verinnerlijkte gedragscodes en riten verhinderen dat de ondeugd begaan zal worden.
    Riten en gebruiken zijn voor Confucius zo belangrijk omdat zij voor evenwicht en harmonie zorgen: ze heffen de tegenstrijdige menselijke drijfveren op die kwaadaardig gedrag in de hand kunnen werken. De muziek speelt in de riten van Confucius een hoofdrol, daar zij ‘grenzen overschrijdt en harten verenigt’.

Terecht wordt de naam van Confucius nog steeds geassocieerd met het respect en de verering van ouders en voorouders, stelt Annping Chin. Toen zijn leerling Zai Wo een keer vermoeid opmerkte dat in plaats van de drie jaar van rouw die Confucius voorstond ‘een jaar toch wel voldoende is’, reageerde de wijsgeer: ‘Wat is Zai Wo toch ongevoelig! (...) Heeft Zai Wo niet ook liefde en genegenheid van zijn ouders ondervonden?’

Confucius mag ook een afkeer van luxe en rijkdom worden toegedicht, en het inzicht dat nobelheid niets te maken heeft met afkomst. Hij was een meritocraat par exellence, een voorstander ook van een lucide, rationele zelfcorrectie, in plaats van een vlucht in hogere machten. ‘Als je iets verkeerd hebt gedaan, is er geen god op wie je je kan beroepen. Als je niets verkeerds hebt gedaan, kun je een bezwering uitroepen zonder bang te zijn dat de hemel zich zal wreken.’

Een belangrijke – zo niet dé belangrijke – vraag die Confucius de mensheid heeft nagelaten, is hoe je je nu precies moet opstellen tegenover de lui die niet al te ver komen als het gaat om het verwerven van deugdzaamheid en zelfbeheersing, die falen zichzelf te regeren en fouten af te werpen, die de riten aan hun laars lappen, maar zich wel bezondigen aan andere zaken, zoals overheersen.

Moeten we erop vertrouwen dat ze uiteindelijk plooibaar zijn, mededogen kennen en zich naar de riten voegen, zolang er maar wijsgeren in hun beurt zijn en er rituelen worden gepraktiseerd, zoals Confucius’ navolger Mencius stelde? Of is dat het verfomfaaien van Confucius’ scherpe mensbeeld? Navolger Xunzi beschuldigde Mencius ervan de inzichten van Confucius te hebben omgevormd tot behaagzieke, esoterische quatsch. Xunzi’s navolgers kwamen op hun beurt aanzetten met ideeën omtrent strenge wetgeving, lichtjaren verwijderd van de orde van de deugd en de riten.

Er was maar een Confucius, er waren vele confucianisten. Er zijn vele neo-confucianisten en neoneo-confucianisten. Confucius’ leerling Zigong stelde bij zijn graf: ‘Confucius is als de zon en de maan – hij is onvermijdelijk.’ Immers: wie zich van de zon en de maan wil afkeren, overschat zichzelf. Maar niet iedereen ziet dezelfde zon en dezelfde maan.

Annping Chin prefereert Confucius te zien als een heel groot denker die er uiteindelijk toch niet helemaal uitkwam, die ‘om alles bezorgd en in alles actief’ was, die vele wijsheden bezat, maar niet dé wijsheid die de mensheid van alle ellende kon vrijwaren, en die zich daar ook bewust van was: in tegenstelling tot luidruchtige navolgers deed hij niet aan zelfoverschatting.

Annping Chin, Confucius. Athenaeum – Polak & Van Gennep; prijs: € 22,50; 288 pagina's;
isbn: 978 90 25363 987


Tussenstuk:
Meester Kong

Confucius werd in 551 voor Christus geboren in Qufu, de stad in oostelijk China waar nog altijd zijn grafmonument is te vinden. Verschillende bronnen vermelden dat hij ongewoon lang was. Dat hielp hem niet in zijn ambtelijke loopbaan. Vanwege zijn lage komaf maakte hij slechts moeizaam carrière. Pas rond zijn 50ste belandde hij in de hoogste regionen van het bestuurlijke apparaat. Uiteindelijk strekte de invloed van Confucius' filosofie zich uit tot over de grenzen van het Chinese rijk, tot in Korea en Japan. Zijn naam is een verwesterde variant van K'ung fu-tzu, ofwel 'meester Kong'.
 


De Volkskrant, 19-12-2008 Door Mark Leenhouts

Insectjes op de wimpers van muggen

Neem een voorbeeld aan de dronkenlap, die van de kar valt zonder zijn botten te breken. Zijn geest is immers leeg, en zijn lichaam daardoor onaantastbaar.


Als bijna alle sinologen ter wereld ken ik de eerste regels van wijsgeer Mencius uit mijn hoofd: Mencius verscheen op audiëntie bij koning Hui van Liang. ‘Oude heer,’ zei de koning, ‘duizend mijlen vond u niet te ver, u komt mijn land vast voordeel brengen.’ Waarop Mencius zei: ‘Wat praat u van voordeel, sire? Ik breng menselijkheid en plichtsbesef, meer is er niet.’

Vanwege zijn heldere taal is Mencius al decennialang de ideale beginnerstekst voor alle lessen klassiek Chinees, het Chinese Latijn. Tegelijkertijd geeft dit ene citaat meteen al de kern – en de stijl – van zijn denken weer.

Menselijkheid en plichtsbesef: het zijn de pijlers van het confucianisme, en dat is deels te danken aan deze meester Meng, zoals hij in het Chinees heet, die in de 4de eeuw v.Chr. een leerling was van de kleinzoon van Confucius, meester Kong. Lang gold hij niet als een vooraanstaand filosoof, maar in de 12de eeuw werden zijn geschriften met die van de Grote Wijze samengesmeed tot het neo-confucianisme, dat vervolgens tot in de 20ste eeuw als staatsleer werd gepropageerd.

Gezien zijn belang is het dus eigenlijk raar dat Mencius nu pas volledig en direct in het Nederlands is vertaald, door emeritus hoogleraar Karel van der Leeuw. Of toch niet? Het confucianisme is in het Westen nooit zo erg in trek geweest, geassocieerd als het wordt met strenge regels.

En het moet gezegd: de teksten van Mencius hebben vaak het belerende toontje dat daarbij past. In het bovenstaande citaat wijst hij de koning al meteen fel de les, waarna hij vervolgt met de redenering: als de koning alleen aan zijn eigen voordeel denkt, dan zullen zijn ambtenaren en het gewone volk dat ook doen .

Geen speld tussen te krijgen. Minder dor is Mencius als hij dat ‘goede voorbeeld geven’ verder uitwerkt, in een al even beroemde passage over koning Xuan. Deze koning zag hoe een koe naar de offerplaats werd gesleept en kon plotseling de ‘angstige uitdrukking’ van het dier niet verdragen. Voor Mencius is dit nu precies wat menselijkheid inhoudt: het niet kunnen verdragen van het leed van anderen. Na een levendige dialoog besluit hij dat de koning dit gevoel alleen nog maar hoeft uit te breiden naar zijn hele volk, en ‘het hele rijk kan in zijn palm worden rondgedraaid’ .

Afgezien van die politieke toepasbaarheid, vormt het ‘niet kunnen verdragen’ ook de bredere grondtoon van Mencius’ leer. Hij geloofde dat de mens van nature goed was, en het mededogen voor dieren, maar ook voor zuigelingen, was daarvan de kiem. Een kiem die echter nog wel gecultiveerd moest worden tot een echte deugd, door opvoeding en onderwijs. Je kunt Mencius dan ook beslist een moralist noemen, net als de confucianisten die het tegendeel betoogden, dat de mens door cultivering van zijn slechte natuur moest worden afgeholpen.

Regelrechte zedenprekers waren de confucianisten in de ogen van de taoïsten, hun traditionele tegenhangers, die het gekissebis over goed en slecht altijd geamuseerd hebben gadegeslagen. Voor hen geen moralisme maar relativisme – iets wat ook de hedendaagse westerling meer aan lijkt te spreken. Het grootste boek van het taoïsme, dat van Zhuangzi, meester Zhuang, beleefde in 2007 herdruk op herdruk. Onlangs verscheen De geschriften van Liezi , meester Lie, bezorgd door Jan De Meyer.

Liezi en Zhuangzi zijn nauw aan elkaar verwant, men zegt zelfs dat delen van Zhuangzi’s boek naar dat van Liezi zijn overgeheveld. Afijn, de taoïsten doen toch al niet zo aan persoonsverering: aartsvader Laozi (Lao Tse) is een schimmige legende en Zhuangzi moet een gewone lakschilder zijn geweest. Of sommige teksten nu van Zhuangzi zijn of niet, Liezi geeft er altijd een eigen, praktische draai aan: hij is meer gericht op ‘levenskunst’ dan op puur denken en literair vernuft. Dat maakt hem toegankelijker dan Zhuangzi, maar vergeleken met Mencius zijn zijn soms onwaarschijnlijke parabels wel even schrikken. In plaats van een angstige koe voert Liezi bijvoorbeeld een soort minuscule insectjes op die in zwermen samentroepen op de wimpers van muggen, ‘zonder dat de muggen er iets van merken’! Toch waren er twee meesters die, na maanden vasten in de Lege Grot, de diertjes voor zich zagen ‘als de hellingen van de berg Song’ en ze hoorden ‘als het geratel van de donder’.

Het klinkt kolderiek, maar het laat zich allegorisch lezen. De boodschap is dat de mens moet ophouden verschil te maken tussen ‘groot’ en ‘klein’, en bij uitbreiding tussen alle menselijke categorieën: goed en kwaad, nuttig en nutteloos, enzovoort. Want al die indelingen verwijderen de mens van de natuur, waarin dit soort principes helemaal niet bestaan. Proberen één te worden met de natuur is de weg naar de vrijheid, en vandaar dat Liezi onze levensvragen niet beantwoordt met strenge voorschriften à la Mencius, maar met een advies als: ‘Ruim eerst die principes van je maar eens op, dan praten we verder!’

Hoe je dat doet? Het ‘maanden vasten in de Lege Grot’ wijst erop dat uiterste concentratie om je geest leeg te maken de enige manier is. Al kun je ook een voorbeeld nemen aan de dronkenlap, die van de kar valt zonder zijn botten te breken; zijn geest is immers ook leeg, en zijn lichaam daardoor onaantastbaar. Maar voor de moderne mens is het lezen van Liezi zelf al een meditatieve oefening. Want Liezi doet niets anders dan je bestoken met voorbeelden, totdat je vanzelf doordrongen raakt van die bevrijdende relativiteit.

Zo zijn er veel passages over droom en werkelijkheid. Wie is er gelukkiger, een baas die elke nacht droomt dat hij een knecht is, of een knecht die in zijn dromen altijd de baas is, en zo toch zijn halve leven genietend doorbrengt? Voor een taoïst zijn je wakende en slapende leven namelijk beide even waar of illusoir: de kunst is alleen om ze in balans te brengen. Als de baas zijn knecht overdag wat beter behandelt, voelt hij zichzelf in zijn dromen ook wat beter. De berusting die daaruit spreekt, brengt het taoïstische aanvaarden van de natuur ook in verband met het je schikken in je lot – die niet altijd begrepen oosterse wijsheid die Liezi hier wat verder uit de doeken doet.

Het lijkt wel of confucianisten en taoïsten behalve verschillende lezers ook verschillende vertalers aantrekken. Van der Leeuws Nederlands is helder, maar wat stroever, voorzichtiger dan dat van literair vertaler De Meyer. Ook De Meyers inleiding heeft iets meer schwung: op de uitgebreide filologische commentaren na schildert De Meyer het antieke intellectuele leven alsof hij er zelf bij was. Mencius mag minder populair zijn maar toch horen hij en Liezi bij elkaar. Het ideaal van veel Chinezen is niet voor niets je sociale en spirituele leven in harmonie te brengen: confucianistisch van buiten zijn, en taoïstisch vanbinnen. Mooi dus dat we beide wijsgeren nu in het Nederlands hebben.
 


De geschriften van Liezi - De taoïstische kunst van het relativeren. Vertaald en toegelicht door Jan De Meyer. Augustus; prijs: € 27,50; 224 pagina's; isbn: 978 90 457 0168 4

Mencius. Inleiding, vertaling en commentaar door Karel L. van der Leeuw. Damon; 254 pagina’s; € 24,90; ISBN 978 90 5573 690 4


Naar Filosofie lijst  , of site home  .