De Volkskrant, 23-04-2011, door Wilma de Rek .2009

Interview | Paul Cobben (60), hoogleraar geschiedenis van de filosofie

'Men doet een stoomcursus en noemt dat hard werken'

De drang naar erkenning is een wezenlijk element van de mens, stelt de Tilburgse filosoof Paul Cobben. 'Maar er is iets bijzonders aan de hand. Bij zaken als die in Alphen aan den Rijn gaat het om erkenning in de betekenis van 'kijk mij, ik haal de krantenkoppen'. Dan krijgt de zucht naar erkenning iets zieks. De suggestie is: elke boerenlul is in principe een beroemdheid.'

Op de dag van het interview staat op de opiniepagina van de Volkskrant een stuk van collega-filosoof Paul ter Heyne. Hij schrijft over het bloedbad in Alphen aan den Rijn. Ter Heyne vindt dat de media de gebeurtenis te veel afdoen als een incident, terwijl volgens hem eerder sprake is van een nieuw fenomeen in hoogontwikkelde landen, waarvan we er nog wel meer kunnen verwachten. De aandacht moet niet uitgaan naar schietclubs en computerspelletjes,maar eerder naar onze individualistische cultuur; naar zaken als opvoeding en moraal.

Zit daar iets in? Onbreekt het ons aan moraal, is het hier een losgeslagen bende?

'Het is hier helemaal geen losgeslagen bende! Er hoeft niet dát te gebeuren, of het wordt eindeloos geanalyseerd en uitgekauwd. Uren wordt over allerlei gebeurtenissen gedebatteerd. We zijn juist heel erg bezig met onze moraal. De vraag is alleen hoe je er vorm aan geeft, aan dat debat. Balkenende - hij is nu passé, maar goed - probeerde op zijn manier de normen en waarden op de kaart te zetten door er een beleidsspeerpunt van te maken. Het heeft weinig effect gehad, maar de poging was goed bedoeld.'

Wie moet dan zorgen dat dat debat de juiste vorm krijgt? De filosofen?
'Nee, ik denk niet dat de filosofen dat moeten doen. Filosofen horen geen politieke voortrekkersrol te vervullen, dat is hun rol niet. Ze moeten de vraag stellen hoe je datgene wat nu gebeurt, moet duiden. Analyseren welke duiding zin heeft en welke onzinnig is; dat kun je als filosoof prima doen. Maar vervolgens gestalte geven aan samenlevingsverbanden, grote en kleinere, dat moeten mensen echt zelf doen.'

Paul Cobben (1951) is hoogleraar geschiedenis van de filosofie aan de Universiteit van Tilburg. Hij schrijft over moraliteit en zedelijkheid, en over de vrijheid van het individu in samenhang met zijn omgeving. Zijn laatste boek, The nature of the self - recognition in de form of right and morality verscheen in 2009.
    ‘Wat betreft schietpartijen zoals die in Alphen aan den Rijn: we kunnen weinig zeggen over de beweegredenen van de individuele daders, maar het is wel duidelijk dat erkenning in veel van dat soort gevallen een rol speelt.
    'De drang naar erkenning is een wezenlijk element in de mens. Menszijn heeft geen betekenis zonder die erkenningsrelatie. Erkenning door anderen, per definitie; want een mens kun je niet op zichzelf stellen, al is het maar omdat hij een biologisch wezen is; en een biologisch wezen kun je niet isoleren. Je behoort tot de soort mens. Het 'ik' kan alleen maar bestaan in een wereld die hem als 'ik' erkent.

Heeft de mens die drang naar erkenning altijd gehad?
'Ja, het is iets elementair menselijks. Mensen spreken een taal; maar je spreekt alleen maar een taal als je tot een gemeenschap behoort, nooit in je eentje. Menszijn is ondenkbaar buiten de gemeenschap. En het leven in een gemeenschap heeft altijd met erkenning te maken, want je wordt in- of uitgesloten; en je wordt alleen ingesloten als je op de een of andere manier bij de groep hoort. Daarom is die groep zo belangrijk.
    'Die erkenning neemt verschillende vormen aan. Grofweg kun je in de samenleving drie domeinen onderscheiden: het domein van de familie, de directe omgeving dus; dan het domein van de civil society; en ten slotte het domein van de staat.
    'Maar er is iets bijzonders aan de hand met de vormen waarin tegenwoordig erkenning gezocht wordt. Het gaat om erkenning in de betekenis van 'kijk mij, ik haal de krantenkoppen'. Dat heeft iets zieks. De suggestie is: elke boerenlul is in principe een beroemdheid. Een ander aspect is dat verwacht wordt dat die erkenning onmiddellijk plaatsvindt. Vroeger was het normaler om te zeggen: heb je talent? Oké, als je dat hebt, kost het toch nog tientallen jaren om dat te ontwikkelen; dat vereist hard werken. Maar het onderdeel 'hard werken' wordt weggefilterd, dat doet niet meer mee. Het moet onmiddellijk. Mensen doen tegenwoordig even een stoomcursus, en dat wordt dan hard werken genoemd.
    'Het derde element is dat de werkelijkheid van die erkenning in veel gevallen tamelijk abstract is. Ze bestaat slechts voor zover ze in de media huist. Het is niet een substantie die ook op zichzelf, buiten die media om, betekenis heeft. Er is een hele categorie bekende Nederlanders waarvan je je kan afvragen waaróm ze nou precies bekend zijn. Ja, omdat ze voortdurend naar elkaar verwijzen; maar niet omdat er een grond is, een fundament dat die beroemdheid legitimeert. Dat soort erkenning is van een andere orde dan de erkenning van iemand die echt iets kan.
    ‘Zo’n daad als in Alphen aan den Rijn; dat doet iemand in de hoop dat hij er de krantenkoppenmee haalt. Het is een manier om erkenning te verkrijgen die er kennelijk niet op een andere manier komt. Ik las dat die jongen een of ander baantje had als magazijnbediende,
waar je vermoedelijk ook de zin van je leven niet uit kunt putten. En dat hij tegelijk wel heel erg bezig was met zingeving, met van dat geestengedoe enzo.’

Kun je stellen dat het publieke domein wordt overgewaardeerd, in onze tijd?
'In zekere zin wel. Het is niet slecht, die erkenningsdrang, ook niet als het om erkenning in het publieke domein gaat, maar het is wel belangrijk dat de erkenning verschillende vormen heeft. Wanneer de erkenning in het publieke domein de enige vorm is die telt, krijgt het iets bedreigends. De hele wereld staat tegenover me; wat heb ik daar als eenling tegenin te brengen?
    'Als de zoektocht naar erkenning ontaardt, heeft dat bijna altijd te maken met het ontbreken van een adequate vorm van een familiesfeer. Een leven moet zijn ingebed in een groep. In die zin is die drietrap - familie, civil society, staat - van belang. Er moet een omgeving zijn waarin je je geborgen weet, waarin mensen om je heen zijn die je bevestigen in de normen en waarden die je hebt.
    'In bepaalde samenlevingen is het natuurlijk evident dat je tot een bepaalde groep behoort. Dat hadden wij in de tijd van de verzuiling ook nog wel, maar die tijd is definitief voorbij. Je hoort niet meer automatisch tot een bepaalde stand, of een bepaalde groep. Dus in die zin moet je die erkenning actiever verwerven. Hij ligt niet meer voor je klaar.'

Cobben neemt in zijn werk de opvattingen van de vroeg 19de-eeuwse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel als uitgangspunt. Hegel behandelde het probleem hoe mensen hun verlangen naar volledige persoonlijke vrijheid kunnen verenigen met een samenleving die gebaseerd moet zijn op een gemeenschappelijke moraal. Een actueel probleem, in zijn tijd, want Hegel was 19 jaar toen de Franse revolutie uitbrak, de climax van de Verlichting die de individuele autonomie van de mens tot uitgangspunt verhief van alle sociale en politieke instituties. Vrijheid was hét grote onderwerp van Hegel en zijn tijdgenoten.

Wist u al snel dat Hegel uw leidraad moest worden?
'Nou, in mijn studententijd was alles marxisme, dus daar ging ik ook in mee. Maar ik wilde begrijpen wat erachter zat. Toen kwam ik in aanraking met mensen die zich verdiepten in de Hegeliaanse achtergrond van het marxisme. En ontdekte ik dat Hegel toch wel heel erg belangrijk is geweest - niet alleen voor het marxisme trouwens.
    'Als je achteraf kijkt naar de menselijke geschiedenis, dan is er een ontwikkeling te reconstrueren. Vroeger had je dictaturen; daarbij was er één iemand vrij, namelijk de dictator zelf. In het oude Griekenland waren sommige mensen vrij. Maar uiteindelijk heeft in de Franse revolutie het principe van de vrijheid politiek gestalte gekregen. Voor Hegel is die revolutie een soort voltooiing van het inzicht in vrijheid. Mensen zijn fundamenteel vrij; universeler kan het niet.
    'Maar die nieuw verworven vrijheid na de Franse revolutie matchte natuurlijk helemaal niet met de bestaande standenmaatschappij; dus daar moest van alles voor bedacht worden. Hegel is ook een van de eerste critici van de Verlichting. De vrijheid van het individu, die zag hij als een enorme verworvenheid; maar de terreur die op die Franse revolutie is gevolgd, het afslachten van de aristocratie, vond hij niet toevallig. Want als al die individuen, die losgeslagen zijn van hun traditie, hun vrijheid proberen te verwerkelijken, staan ze ineens tegenover elkaar. Dan blijkt de vrijheid van de een ten koste te gaan van de vrijheid van de ander. Die onmiddellijke vrijheid waarin we puur, naakt tegenover elkaar staan, die werkt niet. Die maakt je kapot.
    'En dat is ook in onze tijd nog altijd interessant. Hoe vrijheid gestalte krijgt, dat hangt af van specifieke staten en culturen, en van de tijd waarin je leeft. Daar blijft een bepaalde dynamiek in zitten. Je kunt nooit een bepaalde heilsstaat voorschrijven, Marx deed dat wel, maar dat moet je als filosoof niet willen, daarmee doe je juist afbreuk aan die menselijke vrijheid.'

De Franse revolutie ging over vrijheid én gelijkheid. Maar volgens de Franse schrijver Michel Houellebecq heeft al die vrijheid uiteindelijk vooral ongelijkheid gebracht. We hebben een samenleving waarin de een volop beschikt over geld en seks en status, en de ander aan de kant staat.
'Ik denk dat vrijheid en gelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als Houellebecq stelt dat vrijheid tot ongelijkheid leidt, ben ik het daar volstrekt mee oneens. Die opvatting berust op een verkeerd begrip van vrijheid. Natuurlijk is het zo dat als we onze vrijheid uitoefenen, dat tot uitkomsten leidt die voor iedereen verschillend zijn; en in die zin leidt het tot ongelijkheid.
    'Maar die ongelijkheid ontstáát niet door vrijheid. We waren al ongelijk; we hadden en hebben verschillende persoonlijkheden, verschillende talenten. De vrijheid om je talenten te ontplooien, leidt niet opeens tot een gelijkheid in talent. Als we vrijheid en gelijkheid met elkaar in verband brengen, dan moeten we ons goed realiseren dat vrijheid niet een eigenschap is, zoals het hebben van een talent dat kan zijn.
    'Vrijheid is een relatiebegrip. We zijn ook vrij omdat anderen ons als vrij erkennen. Erkennen van een ander als vrijheid betekent: zijn autonomie erkennen, erkennen dat hij het recht heeft om op zijn manier invulling te geven aan zijn leven. En juist in die autonomie, in het recht dat ons toegekend wordt om op onze eigen manier inhoud te geven aan onze vrijheid, zijn we gelijk. Daarom botsen vrijheid en gelijkheid uiteindelijk niet. Ik kan zien dat een ander een geheel andere invulling geeft aan zijn leven dan ik, maar daaraan ligt toch een gelijkheid ten grondslag.'

Hoe moet je je als individu staande houden, in deze tijd?
'Ik denk dat je je goed moet realiseren dat er nooit één domein is waarbinnen je erkenning moet zoeken. Als ik naar mezelf kijk: voor een wetenschapper geldt dat je internationaal moet publiceren. Wat ik in het Nederlands schrijf, telt niet voor de universiteit. Mijn artikelen moeten in internationale, hoogstaande tijdschriften van internationale, hoogstaande uitgevers staan. Als dat mijn enige kader zou zijn, zou ik niet overleven. Je ziet die mensen niet, je spreekt ze niet, het zijn voor mij geen mensen van vlees en bloed. Dus voor mij zijn mijn directe collega's minstens zo belangrijk.
    'Er is altijd een kleinere wereld nodig waarin je basis ligt, waarvan je zegt: hier wortel ik, hier haal ik mijn concrete normen en waarden vandaan. Niet om daar dogmatisch aan vast te houden en je verder niet te ontwikkelen. Juist niet. Je kunt je eigenlijk pas ontwikkelen wanneer je een soort innerlijke zekerheid hebt. Alleen dan kun je openstaan voor wat de ander te bieden heeft. Op het moment dat je een stevige basis hebt, kun je anderen waarderen. Dan is de ander niet bedreigend, eerder een bron van nieuwsgierigheid: hij doet het zo. Oké.'


Tussenstuk:
Gehandicapte zoon

In de maand van de filosofie, die als thema 'het echte leven' heeft, interviewen Peter Giesen en Wilma de Rek zes filosofen. Vandaag aflevering 5: Paul Cobben (1951), hoogleraar geschiedenis van de filosofie aan de Universiteit van Tilburg. Hij schrijft vooral over moraliteit en zedelijkheid, en over de vrijheid van het individu in samenhang met zijn omgeving. Zijn laatste boek, The nature of the self - recognition in de form of right and morality verscheen in 2009. Paul Cobben is al lange tijd weduwnaar en heeft twee zonen van 27 en 25 jaar, van wie de oudste nog thuis woont omdat hij gehandicapt is. Als hij niet filosofeert of voor zijn zoon zorgt, speelt Cobben graag toneel; hij werkte onder anderen met Arnon Grunberg, met wie hij bevriend is, en hij speelt geregeld Descartes in de eenakter De heer Descartes en de jonge Pascal. Een ontmoeting van Jean-Claude Brisville.


Terug naar Filosofie lijst , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]