De Volkskrant, 09-01-2016, door Maarten Doorman is schrijver, filosoof en recensent voor de Volkskrant. .2009


Waarom het Rijks beter kan sluiten

Het Rijksmuseum (net 1000 dagen heropend) moet dicht, vindt Maarten Doorman; want als je alles wilt bewaren en niet meer durft te kiezen, verlamt het verleden je, in plaats van je te inspireren.

Tussentitel: Een levende cultuur staat niet de hele tijd voor het eigen verleden te applaudisseren

Het Rijksmuseum moet dicht. Dat mag vreemd klinken, duizend dagen na het feestelijke moment waarop koningin Beatrix een gouden sleutel omdraaide en zo op het Museumplein een rood-wit-blauw en oranje vuurwerk ontstak. Na een verbouwing van tien jaar was ons belangrijkste museum eindelijk weer open. Wat was het lang geleden dat iedereen stond te juichen voor zoiets als beeldende kunst!
    Al voor het eind van het jaar waren ertwee miljoen bezoekers. Toen ook president Obama kwam kijken en directeur Wim Pij bes zich met hem voor de Nachtwacht wist te laten fotograferen, was de euforie compleet. In Nederland waren nog grote dingen mogelijk. Zelfs in de kunst konden we iets zonder geruzie en compromissen tot stand brengen.
    En wat een exposities kwamen er, met als kroon op dit alles de grote Rembrandt-tentoonstelling, met meer dan een half miljoen bezoekers. Het museum droeg volgens de eigen website bijna een kwart miljard aan het bruto binnenlands product (bbp) bij. De massale belangstelling voedt de Nederlandse trots, precies wat de politiek tegenwoordig verlangt. Zoals ooit ons voetbal van wereldklasse was, kan nu het Rijks zich in collectie en uitstraling meten met het Prado, het Louvre en de Tate.
    En toch moet het Rijksmuseum dicht.
    Want het is op het verleden gericht. Zijn zegetocht verhindert ons te beseffen waar onze kracht ligt. Die schuilt niet in zelffelicitatie, in verbluffende bezoekersaantallen en honderdduizenden stukken appeltaart in het museumrestaurant. Ons verleden is van belang in zoverre het ons nu iets zegt, ons nu inspireert en ons nu helpt richting te geven. Een levende cultuur staat niet de hele tijd voor het eigen verleden te applaudisseren. Die gelooft in wat we op dit moment ondernemen en weet waarom we dat doen, wat we willen en wat anders zou moeten. Ook in de kunst.

Zulke kritiek komt voor filosofen niet uit de lucht vallen. In 1874 onderzocht Friedrich Nietzsche, in Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven, hoe wij ons tot het verleden verhouden. In de negentiende eeuw werd namelijk alle cultuur historisch. Oude kerken werden hersteld, zoals de Dom van Keulen. Overal werd in gotische stijl gebouwd, als men zijn toevlucht al niet zocht tot andere neostijlen, zoals bij het Rijksmuseum.
    Veel kunst ging oude schilders nadoen. Kunst werd kunstgeschiedenis. Muziek muziekgeschiedenis. De identiteit van een land lag voortaan in het verleden. De grote nationale musea uit de negentiende eeuw zijn een indrukwekkend voorbeeld van wat de Amsterdamse hoogleraar literatuurgeschiedenis Marita Mathijsen zo mooi 'historiezucht' noemt.
    Nietzsche vroeg zich af in hoeverre wij eigenlijk beter werden van al die geschiedenis. 'Het overvloedige, schreef hij, 'is de vijand van het noodzakelijke.' Hij vond 'dat wij allen aan een verterende historische koorts lijden.' We maken de geschiedenis monumentaal. Dat leidt tot cynisme, aldus Nietzsche, en wie denkt aan hoe op tv, in de politiek en op straat over kunst van nu wordt gesproken, vindt voorbeelden genoeg. Tot en met een vorige staatssecretaris van Cultuur, die zich erop liet voorstaan weinig affiniteit met hedendaagse kunst te hebben.
    Wie zo laatdunkend over die kunst doet en zich tot het rijke verleden uit het Rijksmuseum beperkt, volgt in de woorden van Nietzsche het devies: 'Laat de doden de levenden begraven.' De bewonderaars van het verleden 'willen niet dat het grote tot stand komt: hun methode is, te zeggen: 'Kijk, het grote bestaat al!"
    Behalve ons daaraan te vergapen lopen we dwangmatig te verzamelen, wat in een tijd dat we alles digitaal kunnen opslaan steeds erger is geworden. Maar als je alles wilt bewaren en niet meer durft te kiezen, verlamt het verleden je, in plaats van jete inspireren. Wanneer het historisch besef het leven niet meer conserveert maar mummificeert', aldus Nietzsche, 'kan je het weerzinwekkende schouwspel van een blinde verzamelwoede aanschouwen, een rusteloos bijeenschrapen van alles wat er ooit geweest is.'
    Nu stellen musea natuurlijk grenzen, alleen al vanwege beperkte ruimte. Zij moeten altijd kiezen in de veelheid van een wereldwijde kunstmarkt. Toch zou Nietzsches waarschuwing moeten voorkomen dat ze hun hol volslepen met buit die ligt te verstoffen in onafzienbare collecties, waar slechts beheerders komen om het klimaat op peil te houden en boekhouders om de verzekerde waarde op te tekenen. Buit die soms hooguit nog wordt getoond in tentoonstellingen met een flinterdun concept.
    We moeten de geschiedenis kritisch tegen het licht houden om te beseffen waar we vandaan komen en niet in een wezenloos heden rond te zweven. Zulke wezenloosheid is een gevaar voor de hedendaagse kunst. Het gevoel van urgentie uit de vorige eeuw is voorbij. Toen waren er stromingen, tijdschriften, bewegingen. We leefden in een tijd van vooruitgang en de kunsten liepen voorop. Hedendaagse kunst komt nu in het nieuws wanneer spectaculaire musea worden gebouwd, wanneer het werk van Damien Hirst of Jeff Koons miljoenen opbrengt en wanneer bezoekersaantallen pieken. Het draait om geld en kijkcijfers, en uiteindelijk alleen om geld.
    Waar het in de kunst over gaat en wat er wordt getoond, verdrinkt in desinteresse of in wollige kunstkritiek. Daarom vergapen zovelen zich aan het verleden. Maar heeft iets pas kwaliteit als het vergeelde vernis van de tijd er een betoverende glans over heeft gelegd? Veroordelen we niet onze eigen tijd - en daarmee onszelf - wanneer wij bijna 400 miljoen euro in de verbouwing van het Rijksmuseum stoppen terwijl een derde van dit bedrag voor het Stedelijk Museum onophoudelijk onder vuur lag? Dit najaar stelde de regering zomaar 80 miljoen euro beschikbaar voor de aankoop van een dubbelportretvan Rembrandt uit de particuliere collectie van de familie De Rothschild, een aankoop die uiteindelijk met Frankrijk gedeeld moest worden. Zou het denkbaar zijn dat zelfs maar een tiende van dit bedrag even moeiteloos op tafel zou komen voor hedendaagse kunst?
    Natuurlijk beantwoordt het Rijksmuseum aan ons verlangen naar een eigen nationale identiteit, te midden van multiculturele verwarring en steeds verdergaande Europese integratie en de globalisering. Maar zou dit grootse, en zo mooi gerestaureerde gebouw niet het kloppend hart moeten herbergen van de kunst van nu? Het Stedelijk Museum zou dan de avant-garde tonen, tot de jaren tachtig. En deze eeuw aan het nieuwe Rijks overlaten. Want waarom zouden we dit weer in volle glorie herstelde gebouw aan de Stadhouderskade niet gebruiken om onszelf en onze eigen tijd serieus te nemen?

Het mag voor een monumentale geschiedenis gemaakt zijn, in een eeuw van technisch vernuft en onbeperkte visuele en digitale mogelijkheden zou het zich juist goed lenen voor hedendaagse kunstpresentaties. Met immense beeldschermen, veelzijdige installaties, verstilde ruimtes, filmzalen en alle mogelijke experimenten waarin beeld met allerlei zintuigelijke ervaringen en intellectuele inzichten wordt gecombineerd.
    Is het niet zonde het Rijksmuseum te sluiten? Ja, dat is zonde. Maar waarom zouden de collecties van dit fantastische museum niet op een iets bescheidener wijze in het Paleis op de Dam tentoon kunnen worden gesteld, in combinatie met de ernaast gelegen Nieuwe Kerk en het nu tot shopping mail verfrommelde voormalige Hoofdpostkantoor, om daar een nieuwe trekpleister voor hoogwaardig toerisme te worden? Natuurlijk is het zonde. Maar erger is een cultuur die zijn eigen kunstenaars niet serieus neemt, en zich in de eenentwintigste eeuw opnieuw verlustigt aan de zeventiende als een herhaling van wat de negentiende eeuw al bewonderde. Het getuigt van een vermoeide en ongeïnteresseerde blik op wat nu gemaakt wordt, en daarmee maken we onszelf tot drenkelingen in de maalstroom van de geschiedenis.
    Daarom moet het Rijksmuseum dicht.

Maarten Doorman is schrijver,filosoof en recensent voor de Volkskrant. Dit is een deel uit De navel van Daphne (Prometheus, €19,95), zijn boek over kunst dat vanmiddag wordt gepresenteerd en vanaf maandag in de winkel ligt.



Web:
'Het Rijksmuseum is weer 1000 dagen open en het is een succesverhaal. Toch betoogt Maarten Doorman in het eerste hoofdstuk van zijn nieuwe boek, De navel van Daphne, dat het dicht moet.
TT:
Een levende cultuur staat niet de hele tijd voor het eigen verleden te applaudisseren
Wie zo laatdunkend over die kunst doet en zich tot het rijke verleden uit het Rijksmuseum beperkt, volgt in de woorden van Nietzsche het devies: 'Laat de doden de levenden begraven.'
Waarom zouden we dit weer in volle glorie herstelde gebouw aan de Stadhouderskade niet gebruiken om onszelf en onze eigen tijd serieus te nemen?

Red:   Doorman (impliceert): Het Rijksmuseum is het enige deel van de Nederlands cultuur.


Terug naar Filosofie lijst , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]