De Volkskrant, 16-10-2015, door Stefan Kuiper 11 mei 2008

Tentoonstelling | Van Bosch tot Breugel is prachtig

Achteruitboeren

Er werd gemept, onder rokken getast en gezopen in de 16de eeuw. De boer onderging in die tijd een metamorfose. In Museum Boijmans zijn nu zo'n tachtig werken, van Bosch tot Breugel, te zien. Een feest in een prachtige presentatie.

Vergis u niet. Het is eigenlijk een vreemde eend in de bijt, deze blikvanger in de tentoonstelling Van Bosch tot Breugel. Ik heb het over Jheronimus Bosch' Hooiwagen-drieluik (circa 1515). Preciezer: de binnenzijde van dat werk, een bruikleen van het Prado, is een vreemde eend.

Die binnenkant toont drie voorstellingen, te weten: hel, zondeval en een allegorie op de hebzucht. Op die laatste zien we een reusachtige hooiwagen. Naar goed Boschiaans gebruik is die omringd door een bont gezelschap van wereldse en fantastische figuren die een graantje proberen mee te pikken: monniken, muzikanten, struikrovers, boeren, demonen met vissen- en hertenkoppen. Jezus aanschouwt het geheel vanuit zijn wolk - ik schreef haast skybox - en ziet dat het niet goed is.

Het is een hallucinant tableau, duizelingwekkend in zijn gedetailleerdheid, overweldigend in zijn verbeeldingskracht en van zichzelf al de reis naar Rotterdam waard, maar representatief voor de expositie is hij niet.

Dat representatieve deel bevindt zich aan de achterzijde, op de zijluiken. Zij tonen in gesloten stand een marskramer die op het punt staat te worden aangevallen door een hondje. Deze voorstelling, en dit was bijzonder, is zichtbaar vrij van religieuze connotaties. Het tafereel is profaan. Alles - man, hond, dansend paartje, doedelzakspeler - kán in principe door Bosch in het echt zijn gezien. Genrestukken noemen we zulke werken met anonieme figuren in een wereldse setting tegenwoordig. Boijmans toont nu zo'n tachtig 16de-eeuwse exemplaren.

Dat is op zich al een festijn, maar wat het nog beter maakt, is de presentatie. Die is voorbeeldig. Bosch' triptiek fungeert als epicentrum van een tiental aan deelthema's gewijde kabinetten. Duitse prentkunst, keukenstukken en bakkerijen - waarin, op hun beurt, weer kleine vitrines zijn ingebouwd die contemporaine gebruiksvoorwerpen tonen: stenen kruiken, koperen kookketels, een originele klotendolk, een tuitkan die identiek is aan het exemplaar afgebeeld op het belendende schilderij. Die compartimenten doen je geconcentreerder en vooral rustiger kijken, wat nodig is, want deze 16de-eeuwse etsen en schilderijen, waaronder bruiklenen uit onder meer Genua, Madrid, Parijs en Wenen zijn vaak genereus, om niet te zeggen: druk. Er valt belachelijk veel op te zien. De werken bevatten meer figuurtjes, terzijdes, voorstellingen in voorstellingen, toespelingen, dubbelzinnigheden en symboliek dan je mogelijkerwijs aankan. Nog eens teruggaan kan geen kwaad. De interessante, prachtig uitgevoerde catalogus lezen evenmin.

Waar ik van op keek, was dat de geboorte van het genrestuk zo'n exclusief vroeg-Nederlandse aangelegenheid was. Leiden, Den Bosch, Antwerpen (en enkele Duitse plaatsen, inderdaad): dat waren de steden waar de kunstvorm ontlook. Onder invloed van reformatie en een nieuwe stedelijke burgerij begonnen schilders zich toe te leggen op zaken die voorheen slechts als decor of ter stoffering van geestelijke stukken dienden: keukens, herbergtaferelen, bordeel-scènes, boerenkermissen; woekeraars, landsknechten, keukenmeiden, kei-snijders, kwakzalvers, huisvrouwen. De achtergrond werd voorgrond - soort van. En wat zich op die voorgrond aandiende, had vaak een gewelddadig en/of scabreus karakter. Pijn en pies - daar had men aardigheid in. Er werd gemept en onder rokken getast dat het een aard had; een feest was geen feest als er niet ergens aan tafel een goeie kotspartij was geweest, bij voorkeur eentje waarbij de substantie door een rondscharrelende hond werd opgelikt (een klassieker, hier zichtbaar op Sebald Berhams Grote kermis). Weinig locaties leenden zich beter voor dergelijke taferelen als het bordeel (te herkennen aan de stok met kruik boven de ingang). Of het boerenerf.

Die boer onderging als personage binnen enkele decennia een fascinerende metamorfose. Werd hij aanvankelijk nog werkend op het land of leurend met zijn have afgebeeld, al dan niet rijdend op een ezeltje; al snel kwam daar een minder godvrezend type voor in de plaats. Werkend zag je deze boer nieuwe stijl zelden nog. Zuipend des te vaker. En andere boeren de hersenen in slaand. En bedrogen wordend door snelle, stadse meiden. Stuk voor stuk fijne stereotypen, uiteraard. Nuffige burgers, die de werken kochten voor in hun eetkamers, konden hun lol ermee op.

De schilder die daarop het grappigst inspeelde, laat zich snel herkennen: Pieter Bruegel de Oude (1528-1569). Bruegel schilderde het boerenleven als een soort geperverteerd smurfendorp: een carnaval van processies, banketten, vechtpartijen en mannen met dophoedjes en kruisstukken die je eufemistisch gezegd opdringerig kunt noemen.

De meest monumentale boerenschilder op de tentoonstelling laat zich al even makkelijk herkennen. Dat was Pieter Aertsen (1507-1575). De kunstenaar en schrijver Karel van Mander (1548-1606) omschreef hem als een man 'die weynigh van hem selve hielt / zeer slecht en boerigh om aensien', maar dat minderwaardigheidscomplex en onverzorgde uiterlijk zaten hem niet in de weg. Als religieus schilder was hij zeer succesvol.

Van die reputatie is nu weinig meer zichtbaar. Zijn tijd was wreed voor Aertsen. De beeldenstorm liet zijn oeuvre niet ongemoeid. In de Oude Kerk in Amsterdam, zijn geboorteplaats, werd een van zijn grootste drieluiken aan diggelen geslagen. In Warmenhuizen ging een Kruisiging naar de ratsmodee. Had je Aertsen kunnen vertellen dat uitgerekend zijn boeren en keukens hem eeuwige roem zouden verschaffen: hij had je zeker vreemd aangekeken. En toch was dat precies wat gebeurde. Mede dankzij hun grandeur. Aertsen gaf boeren een statuur voorheen voorbehouden aan heiligen.

Het dagelijks leven is de vlag waaronder men dergelijk werk in Rotterdam presenteert, maar dagelijks moet niet worden verward met realistisch. Die schilderijen van Aertsen waren zeker geen snapshots. Het was ondenkbaar dat de schilder bij een boerderij aanklopte met de vraag of-ie zijn ezel eens in de keuken kon zetten; het werk kwam tot stand in het atelier.

Het dure tafellaken en zilvergoed waarvan Aertsen zijn boeren liet eten (en dat de samenstellers in de catalogus hoofdbrekens bezorgt), bijvoorbeeld, kunnen best hetzelfde zijn als datgene waarvan de familie Aertsen zelf op zon- en feestdagen at; zijn boeren waren wellicht acteurs. Het werk bevat een sterk element van make believe. De mensen en spulletjes zijn echt, de voorstelling is fictie.

Deze ook: De eierdans uit 1552. Het toont een interieur, een tafel - met weer dat mooie tafelkleed - een ketel boven het vuur; de vloer bezaaid met bloemen en preien, een hoed, een schaaltje en een ei - de rekwisieten voor de enigmatische eierdans. En daartussen dus die boeren, drinkend, zingend, spelend op een doedelzak. De meest uitzinnige boer heeft zijn hand al op de borst van een pront ogende boerin gelegd. Die heeft Yvon Jaspers van Boer zoekt vrouw niet nodig.

Op het symposium voorafgaand aan de opening van de expositie werd betwijfeld of de exacte betekenis van dergelijke werken te kennen valt, maar je moet het niet ingewikkelder maken dan het is. Zeker, de 16de eeuw is de 21ste niet; er zal tussentijds heus het nodige lost in translation zijn gegaan: kleding die we niet langer herkennen als raar of oubollig, latente sociale codes die onopgemerkt blijven, maar de aantrekkingskracht van de werken - toen en nu - lijkt me zonneklaar. Die zit in het verbodene. In de zichtbaarheid van wat niet hoort. Het onverbloemd tonen van grensoverschrijdend, vanaf een zekere leeftijd, laakbaar gedrag.

Zo'n kermis van Bruegel of vreetfestijn van Aertsen is uitzonderlijk in zijn ambachtelijkheid en inventiviteit (die van Aertsen trouwens iets minder uitzonderlijk dan die van Bruegel), maar gevoelsmatig staan ze niet zo heel ver af van de klucht. Of, nog moderner, van een jongeren- op-Chersonissos-realitysoap. We maken ons er vrolijk over, maar niet zonder herkenning. Soms zijn we zelf net zo.

Van Bosch tot Bruegel. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, t/m 17/1. Catalogus 34.95 euro.


Tussenstuk:
Toespelingen

Tijdens de opening adviseerde mediëvist Herman Pleij zijn gehoor vooral hun dirty mind te gebruiken, en inderdaad: wie wil kan in de schilderijen tal van toespelingen zien. Een prei in een pot staat voor de copulatie. Een kruik en een pollepel staat óók voor de copulatie. Een opstaande boomtak naast een gat in de boomschors: welja, de copulatie. De graffiti van fallussen in een bordeelscène (gemaakt rond 1530) van de kunstenaar die de Brunswijkse Monogrammist wordt genoemd, is dan weer geen toespeling. Die is openlijk schunnig.

 
Web:
Tentoonstelling Van Bosch tot Breugel is prachtig
TT:
Aertsen gaf boeren een statuur voorheen voorbehouden aan heiligen


Naar Allochtonen knuffelen  , Allochtonen lijst  , Allochtonen overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]