De Volkskrant, 12-10-2012, door Wieteke van Zeil 11 mei 2008

De grote sprong voorwaarts

Wie voor Jan van Eyck zelf naar Boijmans reist, wordt misschien teleurgesteld. Toch accentueert de expositie in Rotterdam juist het genie van de Vlaamse schilder.


Tussentitels: Wat de tentoonstelling ook laat zien: dat schilderkunst toen nog deemoedig stond tussen houtsnij-, tapijt- en glaskunst
Wie weet hoe die panelen indertijd werden gebruikt in het leven van de eigenaren


Het jaar 1422, daar begon het zo'n beetje. Daar is een dikke, onbuigbare lijn getrokken. Daarvoor was er niets, artistiek gezien. Als de rivier Styx ligt daar die lijn, die de zichtbare wereld onderscheidt van de onzichtbare, de onderwereld. Die onderwereld, dat zijn de Middeleeuwen. De zichtbare wereld begon bij Jan van Eyck. Die ene, mysterieuze schilder die zag hoe het werkte: als je naar dingen kijkt, verschijnen ze niet aan je op een vaste manier. In een vaste kleur met een vaste helderheid. Kijk naar het water en je ziet geen blauwe vlek, maar weerspiegelingen van soms wel honderd soorten blauw. Kijk 's avonds naar een boom en die ziet er anders uit dan in de ochtenddauw.

Dat, het verschijnen van de dingen, de onderlinge samenhang, en de macht van de schilder om dit te verbeelden: de werkelijkheid van het moment, gedragen door tijd en licht die onvermijdelijk invloed op haar hebben. Dat begon bij Jan van Eyck.

En dan is het héél verleidelijk om te veronderstellen dat er daarvoor niets was. Dat hij als een ufo op de wereld landde. Dat hij, ja joh, de messias van alle moderne kunst is.

Het werd het uitgangspunt voor de tentoonstelling De weg naar Van Eyck, die morgen opent in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam: wat ging eigenlijk vooraf aan de bejubelde schilder? En als onderliggende queeste: kwam hij uit het niets, of was zijn werk een logisch gevolg van de kunst die al werd gemaakt?

Tentoonstellingen die met zulke sterk afgebakende vragen zijn opgezet, kunnen bijna niet misgaan. Je wordt geholpen bij het kijken. Geen breed overzicht, geen kunstenaar of stijl op een presenteerblaadje, alstublieft, mevrouw, meneer, geweldig, hè? Geen hoog-in-de-torenhouding van tentoonstellingsmakers die slechts oh's en ah's verwachten van de bezoeker, die bij gebrek aan kennis maar bewonderend gaat staan applaudisseren.

Niet in Boijmans. Daar is alles een verlegenheidsdiagnose. Ze weten het zelf meestal ook niet. Wie de kunstwerken gemaakt heeft, of wáár, zelfs of het Van Eyck was of niet. Daar ga je met je ufo-theorie. Als je zó weinig handvatten hebt om kunstwerken te plaatsen of toe te schrijven, gewoon omdat er nauwelijks documenten zijn of vergelijkingsmateriaal, dan kun je maar beter niet al te hard roepen dat je gelijk hebt.

Verlegenheidsdiagnoses, zoals de arts die een kwaaltje niet kent maar toch echt een oplossing voor de pijn probeert te vinden, zich maar ergens aan vastklampt. Zo lijken de meeste toeschrijvingen van deze kunstwerken tot stand gekomen.

Dat betekent niet dat ze gissend te werk gingen, conservator Friso Lammertse en specialist Stephan Kemperdick uit Berlijn. Van de getoonde schilderijen is in detail nagegaan of er 'haakjes' zijn: een lendedoek die ook voorkomt in een manuscript waarvan wél zeker is dat die van 1370 is. Diagnose: een groep panelen, het Antwerpen-Baltimore Quadriptiek, dat ruim na 1400 geschilderd leek, kan nu gerust dertig jaar eerder worden gedateerd. Kijk naar het harnas van de soldaat: mode uit 1370.

Het gemuggezift van twee kunstnerds die alles willen weten, van kunst waarvan bijna niemand nog iets weet. Godzijdank zijn ze er: mensen die interesse hebben in details die niet in eerste instantie relevant lijken. Zonder hen zouden we geen fluit van de geschiedenis begrijpen. Deze tentoonstelling is opgebouwd uit dergelijk onderzoek, en schept een vernieuwd beeld van de Jan van Eyck die we allemaal zo bewonderen.

Dat is wat we voorgeschoteld krijgen in Boijmans; een tentoonstelling als één groot voorstel. Een vertrekpunt voor discussie. Serieuzer kun je de bezoeker bijna niet nemen.

Weinig Van Eyck
Wie verwacht een Jan van Eyck-tentoonstelling te zien, en dat zullen er met deze titel toch best een hoop zijn, wordt teleurgesteld. Om een beeld van de kwaliteit van Jan van Eyck te geven, hangen er drie schilderijen (waarvan twee niet zeker van hem), twee felbediscussieerde tekeningen en een prachtige boekschildering, waarvan een deel in 1912 in vlammen op ging, maar nog enkele bladen bewaard bleven: het zogenoemde Turijn-Milaanmanuscript.

Als je Van Eyck echt wil zien, moet je naar Gent, waar hij in veruit de meeste vierkante meters aanwezig is met het Lam Gods-altaar (dat overigens sinds begin oktober wordt gerestaureerd, dus geduld). In Brugge krijg je met de Madonna van de kanunnik Van der Paele ook een goed beeld, en de Rolin Madonna in het Louvre is de derde grote proeve die van de kunstenaar te vinden is. Voor de volgende keer. Nu eerst Boijmans, waar met 90 kunstwerken een beeld wordt neergezet van de voorafgaande jaren in Duitsland, Frankrijk, en wat toen 'de Nederlanden' waren.

Om een beeld te geven van de volledigheid: er zijn zo'n 25 paneelkunstwerken van vóór Jan van Eyck bewaard uit de Nederlanden, waarvan het grootste deel hier te zien is. Handzame devotiestukken, vaak met de Kruisiging, soms met Maria en baby Jezus of een origineler voorstelling zoals de Judaskus, in combinatie met Pilatus die zijn handen wast. Een drieluik met de Kruisafneming - een favoriet thema waarmee de diepe emoties in de kunst werden geïntroduceerd in Noord-Europa - is nieuw, althans, een vondst uit een privécollectie, die nooit eerder publiek werd getoond of gepubliceerd.

Kemperdick kon hem 'linken' aan een tekening en een manuscript en plaatste het in Brugge. Zo'n vondst is ingrijpend, want het is meteen een van de beste pre-Eyckiaanse panelen. Wat de tentoonstelling ook laat zien: dat schilderkunst toen nog deemoedig stond tussen andere kunsten als houtsnijden, ivoorbewerken, tapijt en glaskunst. Zoals directeur Sjarel Ex bij de opening opmerkte: met Jan van Eyck pas begon de beeldcultuur. Sinds zijn weergave van de werkelijkheid krijgt de schilderkunst steeds meer prioriteit.

Maar hier is nog royaal uitgepakt met beeldhouwwerken, wat de schilderijen context geeft. Je ziet eenzelfde streven naar natuurlijke houdingen, vormen en emoties, in een heel andere verschijningsvorm. Twee albasten beeldjes, ze lijken bijna van ivoor, van het graf van Filips de Stoute, zijn adembenemend. De 'weners' (rouwenden bij het graf) van Claes Sluter en Claes de Werve zitten niet vol details, maar zijn juist in hun eenvoud warm en overtuigend. Zo'n hoofdje dat wegbuigt van verdriet, of van die samengevouwen handen, zoals je dat doet als je echt treurt - je ziet een vergelijkbaar emotioneel handenwringen in Van Eycks Kruisiging uit Berlijn, bij Maria.

Schatplichtig
In kringen wandelt de bezoeker naar de echte Van Eyck toe, in de cirkelopstelling in Boijmans. Als de drie lagen van Dantes Divina Commedia bijna, van de chaotische, moeilijk te duiden buitenste ring, via de kunstenaars van de artistieke centra in Gelre, Dijon, Parijs, Brugge, Keulen, Brabant, en Maastricht naar het ultieme, de schoonheid van Van Eyck zelf.

Zo worden ook visueel geraffineerd twee statements in één tentoonstelling gemaakt. De eerste: een herwaardering van de artistieke uitvindingen uit de tijd vóór Jan. De tweede, het onontkoombare: Jan is en blijft de grootste, de beste, het heilige in de kunst. Hij is schatplichtig aan zijn voorgangers, meer misschien dan we dachten. Maar de stap die hij zet is dan ook wel weer zo groot dat het toch ufo-achtige proporties heeft.

Een slimme manier om de kernvraag open te houden. Toch ontbreekt er aan de presentatie iets, waarmee de kijker dieper het verhaal in had kunnen komen. Er zit een historische kloof tussen toen en nu, die heel moeilijk te negeren is. Johan Huizinga benoemt in zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919) het probleem dat in deze tentoonstelling zichtbaar wordt: dat de kunst slechts beperkt zicht biedt op het leven uit die tijd. 'Van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden dan voorheen, sinds wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is geworden.' We zien de late Middeleeuwen hier door de kunstwerken, de beelden. Maar wat zeggen die ons over het leven aan de Bourgondische hoven? Het leven van de gewone man en vrouw? De opvattingen over God en natuur, liefde en dood?

Waar de kunst van de Gouden Eeuw ons nog aanspreekt omdat we die samenleving grotendeels begrijpen - het alledaagse leven in de genrekunst, het aanzien van de burgers in de portretkunst, de koopmansgeest in de zeegezichten en de natuurbeleving in de landschappen - daar is de vorm van de kunst van rond 1400 een probleem voor veel bezoekers. Wie weet hoe die panelen werden gebruikt in het leven van de eigenaren? Wie vat de vanzelfsprekendheid van God en rituelen in elke alledaagse handeling?

De makers hebben alles gegeven om de artistieke kwaliteiten begrijpelijk te maken, maar om deze kunst te reduceren tot de artistieke waarde die we nu nog aan ze hechten, is vrees ik onvoldoende om ze echt te kunnen herwaarderen. Waarom aarzelen tentoonstellingsmakers om de historische context erbij te presenteren? Om een completer beeld op te roepen van de samenleving waarin deze kunst kon ontstaan? Is het angst voor reconstructiekitsch? Of is het te moeilijk om dat wat we uit de literatuur weten, visueel te maken?

Het is, zo blijkt uit sommige van de begeleidende teksten en gesprekken met de conservatoren, parate kennis voor hen. Hoe ze leefden, de hooggeplaatsten en de gewone mensen, hoe het hele alledaagse leven doordrenkt was van religie, het hele wereldbeeld van goddelijk ontzag. 'De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in de glans van een goddelijk mysterie', schreef Huizinga, 'maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken omgangsvormen.'

Dat leven, de stilte van de straten en de overweldiging van een processie die dat doorbreekt, moeten we er zelf bij denken. We worden verwend met artistieke, kunsthistorische inzichten, maar krijgen nét te weinig inzicht in de wende die er in het wereldbeeld van de mensen sloop in deze tijd, waardoor Jan van Eyck kon landen. En een nieuwe blik op de wereld kon aankondigen.

De weg naar Van Eyck. T/m 10 februari in museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Catalogus 39,50 euro. Speciale Van Eyck-uitgave van Kunstschrift, 10,50 euro. boijmans.nl

Van Jan van Eyck is weinig bekend. Het is niet eens zeker of hij in Maaseik is geboren, wat men denkt, en wanneer (het zal tussen 1390 en 1400 zijn). Hij stierf in Brugge in 1441. De Italiaanse kunstenaarsbiograaf Vasari meldde in 1550 dat Jan van Eyck de olieverf uitvond. Een hardnekkige mythe die nog steeds bestaat, maar niet klopt. Wel verfijnde hij de techniek op ongekende manier. Biograaf Karel van Mander zag het Lam Gods in Gent en noemde de gebroeders Van Eyck (van Hubert is nóg minder bekend) de stamvaderen van de kunst der Nederlanden.
 


Red. van absolute tinten naar nuances


Naar Allochtonen knuffelen  , Allochtonen lijst  , Allochtonen overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]