Boekrecensie: Das Narrenschiff door Sebastian Brant
De Volkskrant, 30-03-2007, door Kees Fens
Een schip vol narren, dwazen, gebrekkigen
Das Narrenschiff van Sebastian Brant (1458-1521) laat iets zien van de
verontrusting die er in de laatmiddeleeuwse maatschappij bestond over het
menselijk kwaad. Het boek is een ware zedenspiegel.
Tussentitel: ‘Veel trachten naar de priesterstaat, Naar kloosterpij,
papengewaad, Met rouw en leed als resultaat.’
Had men maar naar de ware leer geluisterd, dan had de zedenspiegel en
zedenhekeling die het boek Das Narrenschiff is, door Sebastian Brant
(1458-1521) niet geschreven hoeven te worden. ‘Gij narren, wilt toch van mij
leren,/ Verstand begint bij vrees des Heren,/ Men vindt der heiligen wijze
raad,/ Op ’t pad dat men voorzichtig gaat.’ Het is een nooit versleten, maar
altijd vergeten leer. Maar de mens blijft narrig, zoekt zijn gelijk en geluk
elders, cultiveert zijn gebreken. Al die slechtheden en onvolkomenheden maakten
Brant de populairste schrijver van zijn tijd! Hij vulde een schip met 111 narren
– samen dragen zij alle gebreken der mensheid. Het voert alle dwazen af naar
Narragonië. Gezien de zwakheid van de mens moet de boot een pendeldienst hebben
gekend.
Brant schreef zijn werk, dat in 1494 verscheen, in het Duits.
Een Latijnse vertaling verscheen ruim twintig jaar later. Zijn hekeling van de
menselijke gebreken en ondeugden was voor een groter publiek bedoeld – vandaar
de keuze voor de volkstaal, voor een niet zo verfijnde poëzie ook. Elk hoofdstuk
begint met een terzine met het rijm a a a. Die is door die drieslag vaak zeer
vernuftig en een bewonderenswaardig beknopte samenvatting van het hele
hoofdstuk.
De motto’s zijn het aardigste onderdeel van het hele werk.
Hoofdstuk 73 , een hekeling van de priester- en kloosterstand, kreeg deze
terzine als motto mee: ‘Veel trachten naar de priesterstaat,/ Naar kloosterpij,
papengewaad,/ Met rouw en leed als resultaat.’ Het klinkt niet zo vloeiend, maar
dat heeft de vertaling met het Duitse origineel gemeen.
Fraaiheid zal Brant ook als narrenwerk hebben beschouwd,
misschien wel als zondig, want hij moet een ongeneeslijke moralist zijn geweest.
Soms is de benaming ‘boertig’ voor de tekst verantwoord, maar Brant schreef voor
een lustig en wellustig volkje dat at en dronk en ontrouw was en rondzwierde in
de dans van de zonde.
Een enkele keer, vooral in zijn algemene hekelingen van de
slechtheid, is Sebastian Brant een soort Jacob van Maerlant.
In de hekeling van de grote ondeugden of het woekerende kwaad
van zijn tijd is Brant op zijn best. De kerk lijkt geen heiligen te tellen, maar
alleen profiteurs en eerbiedloze monniken; in zijn beschrijving van de wellust
van het eten is hij uitstekend; de dood, die grote dreiging waarvan het uur van
nadering onbekend is, beheerst een aantal van de laatste (en beste)
hoofdstukken. Alle uit de middeleeuwse literatuur vertrouwde doodsgegevens keren
hier terug.
Hoofdstuk 84 kreeg dit (bij uitzondering vierregelig) motto:
‘Kan adel, goed, macht, jong bestaan,/ In peis en vree, Dood, voor u staan?/ Ja,
al dat ’t leven deed ontstaan,/ En sterfelijk is, – dat gaat er aan.’ En dan
begint een lang rijm over de onvermijdelijkheid en algemeenheid van de dood met
vertrouwde regels als ‘De doed vertrapt met eendere schrede/ Kasteel, paleis en
herderstede.’ De woorden komen uit een ode van Horatius – er is nogal wat
bijbelse en klassieke belezenheid in het volksgedicht ondergebracht. Met name
Ovidius is voor Brant zeer gul geweest. Het einde van dit hoofdstuk is haast
voorspelbaar; in de vertaling heel pittig: ‘Wie zalig sterft, heeft ’t beste
graf,/ Wie zondig sterft daalt helwaarts af.’
Alle hoofdstukken samen geven – en dat is misschien de
bekoorlijkste kant van het werk – een beeld van de laatmiddeleeuwse maatschappij
en ook van de verontrusting om die door zoveel kwaad beheerste samenleving. ‘Dit
land is nu vol kwade leer,/ Men vindt geen spoor van tucht of eer.’ En zo vader,
zo zoon: ‘De kreeft loopt schuin gelijk zijn vader,/ Een lam heeft nooit een
wolf als vader’ staat in enkele van de leukste regels van het gedicht, dat soms
toch de hardheid van kiezel heeft en dat vooral de verwondering hierom
achterlaat: het plezier dat de middeleeuwer kennelijk vond in het lezen over
zijn tekorten en de beursheid van de wereld. Die graagte (die Brant tot een
bestsellerauteur maakte) moet de schrijver gerust hebben gesteld!
Das Narrenschiff past in de narren- en
dwazenliteratuur van de 15de en 16de eeuw. Erasmus kan het werk, in de Latijnse
vertaling, hebben gekend. Vergelijking van Narrenschiff en Lof der Zotheid is om
vele redenen zinloos. In de Lof der zotheid is de nar een heel andere figuur:
hij prijst de ondeugden dood, hij is de dwaas die de harde waarheid zegt. Een
uitzonderlijke figuur.
Bij Brant zijn wij allemaal narren, want niemand is volmaakt,
niemand luistert alleen naar de stem van God. De narren zijn hier geen hekelaars,
maar gehekelden. Brants Narrenschiff is een ark waarin de hele mensheid
met al zijn gebreken over de wateren naar nergens wordt gevoerd. In de allegorie
die het gedicht natuurlijk is, wordt in feite de hele mensheid afgevoerd. Brant
laat een lege wereld achter!
In twee delen is Das Narrenschiff nu uitgegeven. Het
eerste deel is een zeer mooie facsimilé van de eerste uitgave. De houtsneden –
elk hoofdstuk heeft een eigen houtsnede die het werk het begin van een
emblematisch karakter geeft – zijn heel mooi afgedrukt. Albrecht Dürer zou de
maker van de houtsneden zijn. Het tweede deel is de door dr. E. Vandervoort
gemaakte en van toelichtingen voorziene Nederlandse tekst, waarin de rijmdwang
toch wel erg vaak de taal wat scheel doet zien. Dr. Ton Vink schreef bij de
vertaling een inleiding. Na ruim vijfhonderd jaar kan de Nederlander weer aan
boord gaan. Goede vaart is een ijdele wens.
Het Narrenschip, Sebastian Brant. Vertaald uit het Duits en toegelicht
door dr. E. Vandervoort. Damon; 415 pagina’s; € 44,90; ISBN 978 90 5573 802 1
Red.: Voor een aantal illustraties, zie hier
.
Naar Literatuur home
, of site home
.
|