De Bommel-karakters van Marten Toonder
Artikel van Jan Wolkers over het werk van Marten Toonder - voor wat plaatjes en
een sociologische toepassing, zie hier
:
Een meesterwerk kan altijd kwaad!
Sinds Jezus van Nazareth heeft geen sterveling meer zo hartgrondig en waarachtig
zijn goede vader aangeroepen als Olivier B. Bommel van Bommelstein. Sedert die
roerige tijden aan het begin van onze jaartelling heeft ook niemand meer zoveel
vertrouwen aan de dag gelegd in de bekering van liederlijke medeschepselen.
Zoals de Grauwe Razer die hij van een onmenselijke en
ondierlijke ketterende kegel in een brave theedrinker veranderde. Zoals het
trommelvliesscheurend krijtende Urgje dat hij een liefderijke hand bood. Zoals
ook de hardvochtige Ooikooiers die in de doopvont halfgaar gestoomd leken en van
wie hij met groot mededogen de lasterlijke zwarte tongen met puimkruid witter
dan sneeuw wist te maken. Zoals ook nog Plep Labberdaan die hij van een
Neanderthaalse workaholic tot een gitarist van formaat omvormde.
In heilige overmoed en met bijkans profetische ijver werd het
murmurerende volkje de goede weg op gedrongen. Ook al was de kemelharen mantel
der hemelbestormers een jas met potsierlijk ruitmotief. Ook al was het gewicht
van onze wereldverbeteraar van dien aard dat er slechts bij 40 graden onder nul
over water zou kunnen gewandeld worden.
En ook al werd de soep zelden zo heet opgediend dat er een
fikse kruisiging in het verschiet lag. Dan zou hij trouwens aan de om zijn
geruite jas dobbelende Romeinse soldaten aan de voet van het kruis door zijn
trouwe bediende een eenvoudige doch voedzame maaltijd hebben laten opdienen.
En inderdaad, een laatste avondmaal met dampende
soepterrines, met puddingen in de weelderige vorm van waterzuchtige tiara’s en
rijkelijk over de schalen schuimend ooft was niet zelden de bekroning van het
succesvol beëindigen van een komische kruistocht tegen de duistere,
onberekenbare krachten van het Kwaad.
Net als in de Bijbel dwarrelt het in het werk van Marten
Toonder van de profeten en onheilspellers. IJl de Maanloper uit De Windhandel,
die net als Johannes De Doper van de honing van wilde bijen leeft; de Zwarte Zwadderneel die het kwaad van media en cafébezoek te lijf wil gaan; de zwart
geklede figuur uit De Labberdaan die met holle stem zijn medeschepselen vermaant
om in het zweet huns aanziens te blijven werken en niet zo hoogmoedig te worden
dat ze plezier krijgen in het werk; de dwerg Jodocus uit De Spiegelaar, die heer
Bommel zijn spiegelbeeld ontvreemdt zodat hij door de spiegel in een duistere
rede staart.
Geen schrijver in de Nederlandstalige literatuur heeft zoveel
spreekwoordelijke figuren geschapen als Marten Toonder, eind juli in zijn slaap
overleden, 93 jaar. Sinds Ollie B. Bommel onze schone letteren binnendrong,
ritselt het er van de verlaten en onverlaten die diep in ons maatschappelijk
leven verankerd liggen als prototypen van een bepaald soort mens.
Professor Sickbock, de malicieuze gewetenloze wetenschapper,
die het protoplasma uit de Oleroon bestraalt zodat een demonische energie
vrijkomt. Argus, de schandaaljournalist, die zijn pennenvruchten het liefst in
het adellijk kadaver van de chronique scandaleuse laat rijpen.
Zielknijper, de zoetsappige zielkundige, die vindt dat personen altijd monsters
zijn wanneer ze niet begrepen worden. Dorknoper, de als overjaars krantenpapier
krakende ambtenaar eerste klas, die er rotsvast van overtuigd is dat hij
allerminst de kwaadste is. Professor Pzlwytskofski, de gemeente-fenomenoloog en
hoogleraar aan de universiteit van Rommeldam.
En natuurlijk Bulle Bas, de politiecommissaris die er heel de
tijd van uitgaat dat we er allemaal gloeiend bij zijn. Met deze onvergetelijke
figuren wordt iedere keer weer een compleet universum opgebouwd, rond deze
diervormige wezens wordt een geraffineerd spannende intrige geweven, die niet
zelden, hetzij door toverkracht, hetzij door Leviathanachtige monsters, leidt
naar de rand van de ondergang van de wereld die verborgen ligt achter door
heksenbezems, kurkpuisten en maserknoppen verminkte oerbossen.
In de hedendaagse literatuur vind je maar al te vaak
minutieuze beschrijvingen van liederlijk kliederlijk gedrag dat zich tot ver
buiten de intimiteit van de slaapvertrekken afspeelt. Met ongebreidelde
beschrijvingen van de lustbeleving wordt de argeloze lezer vergiftigd en de
welgedane rust van de monogame huwelijkssponde wreedaardig omgewoeld. Schrijvers
schijnen nogal eens te vergeten dat hun romanfiguren zich niet behoeven te
gedragen als mensen van vlees en bloed. Zo niet Marten Toonder. Hij is er zich
terdege van bewust dat figuren der verbeelding zich via drukinkt voortplanten,
en dat een kledingstuk, hoe pikant of schilderachtig ook, rustigjes om het
daarvoor bestemde lichaamsdeel gedrapeerd hoort te blijven.
Als zijn held Ollie B. Bommel zich dan ook in zijn
allerlaatste verhaal, aan Het einde van Eindeloos in het huwelijksbootje
begeeft, maakt geen weldenkende lezer zich zorgen over aids-annex-veilig-vrijen
of de onhandige strubbelingen van een eerste huwelijksnacht. Juffrouw Doddel mag
sterk de indruk wekken een weduwe te zijn – en vader Cats heeft over dat
specimen gezegd: “Wie worsten eet en weduwen trouwt, weet niet wat daar in is
gedouwd” – toch zal ze op die eerste nacht slechts, in gezellige kout, zeggen
dat de thee nog warm is.
Het werk van Marten Toonder is zo goed geschreven dat je de
tekeningen er broodnodig bij moet hebben om te zien of het waar is. Dan ontdek
je dat het dubbel waar is. De lijnen van de intrige worden verhevigd door een
golfbeweging van beelden. Toonder is nooit in clichés vervallen, een gevaar dat
levensgroot op de loer ligt bij het samensmelten van tekst en illustratie,
vooral als het door een en dezelfde man gedaan wordt. Je hebt het toch al zo
compleet opgeschreven, dus die tekening hoeft alleen maar een illustratie te
zijn. Of je hebt het toch al tot in de kern getroffen in de tekening, dus die
tekst hoeft enkel maar te ondersteunen wat je ziet.
Niets van dat alles.
Dezelfde trefzekere verfijningen in beschrijving en dialoog
vind je terug in de tekeningen. De compositie is altijd verrassend gaaf, niet
zelden adembenemend knap. De landschappen met slobberige lorken,
vleermuisbehuisde ruïnes, grotten en kastelen en in de mist drijvende
vergezichten zijn van een stroeve schoonheid met de sfeer van
jongenseenzaamheid. Het geschreven en getekende werk van Marten Toonder is zo’n
eenheid dat je om het uit elkaar te rafelen heel wat meer paardenkracht zou
nodig hebben dan indertijd nodig was om de Maagdenburgse halve bollen te
scheiden. Het is puntgaaf als een ei. Halve eieren worden niet opgediend.
Marten Toonder was een moralist, een moralist van het
zuiverste water, geen bekrompen onuitstaanbare zedenmeester. Geen schrijver in
de Nederlanden heeft zijn lezers zo de lachspiegel voorgehouden, zo toestanden
en wantoestanden op de hak genomen. Meestal met sprankelende ironie, soms met
sarcasme. Het jargon van welzijnswerkers, adellijke prollen, plat geboefte,
vileine middenstanders, naïeve geleerden, halve gare kunstenaars en enigszins
bluffende maar o zo goedhartige heren, hij heeft het voor ons ontvouwd in al
zijn kleuren en klanken als een pauw die ritselend zijn staartveren opzet tot
een ruisende waaier van azuur en goud. Zie de regenboog.
Naar Toonder, karakters
, Literatuur lijst
, Algemeen,
overzicht , of site home
.
|