De Volkskrant, 29-09-2012, door Jolande Withuis 28 sep.2014

Goed en fout bestaan wel degelijk

Het is de laatste jaren steeds weer raak. In de aanloop naar 4 mei duiken controversiële initiatieven op voor de Dodenherdenking. Die zijn een uiting van een fundamenteler probleem: het wijdverbreide misverstand dat goed en fout niet bestaan, schrijft Jolande Withuis


We weten niet goed wat we moeten herdenken op 4 mei in Nederland. Dit jaar bleek het gebrek aan helderheid uit twee kwesties. In het Gelderse dorp Vorden besloot het Comité 4 mei dat de stille tocht - met aan de kop de burgemeester van de gemeente Bronckhorst - vanaf dit jaar ook zou voeren langs de graven van enkele Duitse soldaten. Dat voornemen werd in de namiddag van 4 mei in de rechtbank aangevochten door de splinterorganisatie 'Federatief Joods Nederland'. Zij werd in het gelijk gesteld. De rechter verbood de burgemeester langs de Duitse graven te lopen.

De tweede kwestie betrof het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Dat kiest elk jaar een gedicht, dat is geschreven door een jongere die zijn of haar tekst op de Dam mag voorlezen. Dit jaar koos het comité voor het gedicht waarin een 15-jarige jongen de oudoom gedenkt die dienst nam in de Waffen-SS en naar wie hij is vernoemd. Ook hier bleef het na felle protesten van onder meer het Nederlands Auschwitzcomité bij een voornemen.

In beide gevallen draaide het om het in de officiële herdenking betrekken van de vijand. In beide gevallen ook viel de echo te beluisteren van een debat dat in de geschiedwetenschap al enkele decennia woedt: het 'debat over goed en fout'. Die discussie heeft onder historici tot onplezierige uitwassen geleid; uitwassen die invloed blijken te hebben op hoe de samenleving over de Tweede Wereldoorlog denkt en op hoe zij die oorlog herdenkt.

Over 4 en 5 mei is altijd gesteggeld. In 1946 moest de eerste viering van Bevrijdingsdag al wijken voor de zondagsrust. Na het aantreden van koningin Juliana in 1948, toen Koninginnedag verschoof naar 30 april, stelde minister-president Drees voor om 5 mei te combineren met het Oranjefeest. Pas in 1990 werd Bevrijdingsdag een nationale feestdag.

Herdenkingen vormen nooit de eenvoudige afspiegelingen van een historische ervaring. Via de inhoud van een herdenking geven samenlevingen en betrokkenen betekenis aan het verleden. Dat impliceert, net als geschiedschrijving, een interpretatie van wat er is gebeurd. Zo stonden tussen 1947 en 1967 de Nederlandse natie en de Bezetting meer centraal dan tegenwoordig. In dat kader konden de Indonesische Bersiapperiode en de 'politionele acties' in Indonesië als het ware meevaren onder de vlag van de Tweede Wereldoorlog; ondanks de toenmalige protesten van het voormalig verzet refereert de 'Indische' urn in de marmeren wand achter het beeld op de Dam, waar urnen staan voor elf provinciale fusilladeplaatsen, niet louter aan de periode 1942-1945 maar ook aan de jaren daarna.

Zeker na de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije in 1948 verdween de goodwill die communisten en het Rode Leger tijdens de oorlog hadden verworven. Met de toename van de westerse vrees voor uitbreiding van de communistische invloedsfeer werd de Tweede Wereldoorlog retrospectief een oorlog tegen het totalitarisme, en die oorlog werd gecontinueerd. Het nieuwe totalitaire gevaar huisde achter het IJzeren Gordijn. In de Koude-Oorlogsjaren symboliseerde niet Auschwitz maar Dachau de Tweede Wereldoorlog. Niet de plek waar de nazi's systematisch, fabrieksmatig de Europese joden uitroeiden werd gezien als de behuizing van Het Kwaad, maar het kamp waarin het nationaal-socialistische regime vanaf 1933 zijn politieke tegenstanders had opgesloten. Niet de bestrijding van het racisme maar de bestrijding van het totalitarisme vormde de erfenis van de Tweede Wereldoorlog. Verzetsorganisaties en politieke partijen zagen de strijd tegen het communisme als een logische voortzetting van de geallieerde strijd tegen het nazisme. De PvdA boycotte in de jaren vijftig 4- en 5-meibijeenkomsten waar ook de CPN aanwezig zou zijn. Geheel in die lijn werden vanaf 1961 de gesneuvelden in de Koreaanse oorlog de 4-meiherdenking binnengesmokkeld.

De communisten gebruikten de oorlog om de achtereenvolgende kabinetten te bestrijden. Voor hen was het fascisme een uitwas van het kapitalisme en het kapitalisme derhalve een voorstadium van het aankomende fascisme. Ook na de Koude Oorlog bleef de bezettingstijd een handige kapstok om eigen doeleinden aan op te hangen. Tot voor kort misbruikte het communistische Comité Vrouwen van Ravensbrück de Nederlandse expositie in dat kamp (en zijn subsidie) om foto's te vertonen van de demonstraties in de jaren tachtig tegen de neutronenbom.

Tegenover deze vormen van politisering stonden degenen die de herdenking zo zuiver mogelijk wilden houden. Met name veel kampoverlevenden hadden als devies: we moeten onze doden herdenken, maar mogen niet namens hen spreken. Wat de doden hadden gevonden van actuele kwesties weten we niet. Bovendien zijn die doden net zo min als de overlevenden een uniform collectief.

Mij komt dit standpunt het meest zuiver voor, maar ik besef dat zo'n oningevuld beroep op de doden als doden niet meer voldoet nu de tijd nadert dat nog maar weinig mensen die doden hebben gekend en dus echte, concrete mensen herdenken.

Op 4 mei worden essentiële waarden van onze samenleving vastgelegd en overgedragen. Dat maakt de plechtigheid belangrijk en sommige redevoeringen aangrijpend. Maar omdat de Tweede Wereldoorlog nu eenmaal voor verschillende groepen een andere betekenis heeft en men er ook verlerlei lessen voor de toekomst in leest, zal die interpretatie altijd precair zijn. Dat maant tot terughoudendheid. Terughoudendheid echter is iets anders dan het lafhartig mijden van keuzes.

Hutspotherdenking
En dat is juist wel wat op dit moment in Nederland gebeurt. We herdenken inmiddels op 4 mei alle sedert 10 mei 1940 gesneuvelde burgers en militairen, inclusief gevallenen in vredesoperaties. Daarmee is 4 mei een hutspotherdenking geworden. Maar wie alles herdenkt, herdenkt niets. De impliciete boodschap luidt, dat de Tweede Wereldoorlog op zich te weinig gewicht heeft om te herdenken. Dood is dood; hoe, waarom, waarvoor en door wiens hand men stierf, lijkt er niet meer toe te doen. De keuze wie we wel en niet op die datum op die plaats herdenken wordt omzeild en daarmee de vraag welke waarden we willen overdragen.

Aan die herdenkingshutspot werden dit jaar ook nog bijna de voormalige vijanden en hun Nederlandse handlangers toegevoegd. Alleen de rechter kon voorkomen dat de stille tocht langs Duitse graven in Vorden zou trekken, publieke ophef stopte het voorlezen op de Dam van het Waffen SS-gedicht.

Die onzalige plannen zijn een ongelukkig en onbedoeld bijproduct van het debat over 'goed en fout', dat begon toen in 1983 de Amsterdamse hoogleraar Hans Blom (later directeur van het NIOD), in zijn oratie de begrippen collaboratie en verzet bekritiseerde als uitgangspunten voor de verdere geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Met het dichotome duo collaboratie en verzet, dat volgens Blom het fundament vormde van het omvangrijke werk van Loe de Jong, waren morele oordelen de wetenschap binnengeslopen. Geen fatsoenlijk mens immers betwijfelt dat verzet goed en collaboratie fout was. Maar het was, stelde Blom, nu eenmaal niet de taak van de wetenschap om zulke oordelen te geven.

Al is De Jongs werk heel wat rijker en genuanceerder dan soms op grond van Bloms oratie wordt gedacht, Bloms oproep voor een minder beschrijvend en minder oordelend type onderzoek bleek vruchtbaar. De tijd was rijp voor een meer analytische en afstandelijke benadering, waarin Nederlanders geen heldenvolk waren, waarin ook naar de beweegredenen van foute Nederlanders werd gekeken, en waarin een beweging als de Nederlandse Unie meer onbevangen kon worden geanalyseerd dan met een a priori opgeplakt etiket goed of fout. Volgens Blom verliezen we iets wezenlijks uit het oog als we deze beweging, die opriep tot samenwerking met de bezetter, simpelweg bestempelen als collaboratie. De aantrekkingskracht van de Unie lag immers mede in het feit dat de beweging werd gezien als gericht tegen de NSB. Een van Bloms favoriete termen: 'accommodatie', biedt de mogelijkheid te laten zien dat de meeste Nederlanders tijdens de bezetting trachtten het leven zo normaal mogelijk voort te zetten, zonder dat je ze als historicus behoeft in te delen in goed dan wel fout.

Bloms zakelijke benadering opende de weg voor een Europese vergelijking van de aantallen per land vermoorde joden zonder dat meteen het voormalig verzet zich zwart gemaakt voelde, wat beslist een verademing was na de eerdere taboeïsering van onderwerpen als de verkrachtingen van ex-kampgevangenen door het Rode Leger of het misbruik van joodse meisjes door onderduikgevers. 'Goed' bleek soms ook fout te kunnen zijn. Die verruiming van de vraagstellingen in het oorlogsonderzoek danken we overigens niet alleen aan Blom. Ook de democratisering en de ontzuiling droegen daaraan bij.

Keuzes
Bloms positiebepaling riep ook verwarring op, sterker nog: zijn relativering van goed en fout werd vanaf het moment dat hij zijn oratie uitsprak, misbruikt. Al gauw zong in kringen van kinderen van NSB'ers en SS'ers rond dat Blom had bewezen dat goed en fout niet bestaan. Eindelijk, zo luidde het tevreden, werd ingezien dat ook NSB'ers 'idealisten' waren.

In 2001 verscheen van journalist-historicus Chris van der Heijden de monografie Grijs verleden, waarin Bloms 'accommodatie' werd opgerekt tot een misantroop doormodderscenario. Volgens Van der Heijden had niemand gedeugd en was evenmin iemand echt fout geweest. Seyss Inquart was een gevoelige pianist, verzetsmensen waren per ongeluk het verzet ingerommeld en hadden voor hetzelfde geld bij de SS kunnen belanden, joden was louter om financieel gewin een onderduikadres geboden. Slechts een dunne lijn scheidde collaboratie van verzet. Daders waren slachtoffers en slachtoffers waren daders. Met als grondstelling dat mensen geen keuzes maken en dus niet verantwoordelijk zijn.

Van der Heijden vond mede weerklank, doordat zijn visie aansloot bij de terechte kritiek op het beeld dat heel Nederland in 1940 in verzet kwam om de joden te redden. Dat beeld was overigens lang niet zo dominant als vaak wordt gesuggereerd. Ter nuancering van die vermeende nationale zelfgenoegzaamheid werd het haast een clichématige vaststelling dat eigenlijk alle Nederlanders de andere kant hadden opgekeken toen hun joodse landgenoten werden weggevoerd: 'Nederland deportatieland'.

Ik zie het werk van Van der Heijden niet als een toepassing maar als een pervertering van de theses van Blom. Waar Blom ambieerde het vak te zuiveren van moralisme, is Van der Heijdens werk juist doordrenkt van een miezerige moraal. Waar Blom transparant is, is Van der Heijden suggestief.

Zelf heb ik me als medewerker van het Niod onder Blom door zijn zakelijke en open benadering van de oorlog vrij gevoeld om bij het schrijven van mijn boek Na het kamp onderwerpen aan te snijden die in de politiek-correcte jaren zeventig onder het tapijt waren geveegd, zoals de soms dodelijke politieke tegenstellingen onder verzetsmensen in de kampen.

Tegelijkertijd motiveerde de toenemende verwarring rond goed en fout mij om verzetsman Pim Boellaard in de titel van mijn biografie nadrukkelijk te tooien met het ouderwetse woord verzetsheld. Het was in mijn ogen anno 2008 hoog tijd om het verantwoordelijke individu in ere te herstellen - het individu dat met zijn welbewuste keuze voor de goede zaak zijn leven in de waagschaal stelt. Hoe moeilijk de dilemma's en hoe dwingend de omstandigheden ook kunnen zijn, mensen zijn meer dan een speelbal van het lot of de dwang der omstandigheden. Ze dragen verantwoordelijkheid. Als ergens goed en fout bestonden, was het in de Tweede Wereldoorlog.

Modderpoel
Helaas blijkt nu dus ook het Nationaal Comité besmet met het virus van de goed-foutrelativering. De puber die door zijn ouders werd opgezadeld met de naam van een SS-familielid en door het Nationaal Comité werd misbruikt voor een eigen agenda, lichtte in de dagen voor 4 mei zijn gedicht toe met een vernuftige formule waarover ongetwijfeld lang was nagedacht: zijn oudoom, zei Auke, was een 'goed mens' geweest die toevallig een 'foute keuze' had gemaakt.

De directeur van het Comité, Nine Nooter, vulde die formule verder in. Nadat haar beslissing om op 4 mei op de Dam via Aukes gedicht een SS'er te herdenken onder druk van onder meer het Auschwitzcomité was teruggedraaid, verklaarde Nooter dat Auke met zijn gedicht eenzelfde appèl deed als het Auschwitzcomité met zijn kreet 'Nooit weer Auschwitz', namelijk 'Laten wij nooit meer, met elkaar, dezelfde fout maken' (NOS-journaal, 26 april).

Met die redenering belanden we in een morele en historische modderpoel. Het is zowel verhullend om Auschwitz te reduceren tot een 'fout' als om in dit verband te spreken van 'wij' en 'met elkaar'. Welke 'wij' hebben 'met elkaar' de 'fout' Auschwitz gemaakt?

Er zijn dus twee tendensen te constateren. Aan de ene kant is de vroeger omstreden communistische praktijk om de herdenking te 'actualiseren' tegenwoordig bon ton. Zelfs de overheid bepleit nu dat de oorlogsherdenking aansluit bij hedendaagse problemen, rekening houdt met de veranderde samenstelling van de bevolking en een samenbindend effect sorteert. De aanbeveling van staatssecretaris J. Bussemaker bij haar aantreden, dat 4 mei in het teken diende te staan van de multiculturele samenleving, leidde tot pijnlijke pogingen om te bewijzen dat Marokkaanse soldaten een flink aandeel hadden gehad in onze bevrijding.

Aan de andere kant wordt in toenemende mate vermeden om daders en slachtoffers als zodanig te benoemen. De overeenkomst tussen die tendensen is dat ze trachten maatschappelijke samenhang te creëren. Maar een samenhang die afhangt van het verhullen van verschillen, is kunstmatig en ongewenst.

Vlijmscherp afgebakend
Radicaal verschillend van de lijn-Bussemaker was de aanpak van minister-president Willem Drees. Hij ontzegde in 1957 in de Eerste Kamer de communisten onomwonden het 'morele recht' om Bevrijdingsdag te vieren; immers, als zij het voor het zeggen hadden gekregen, waren vrijheden als die van meningsuiting en vergadering allang opgeheven. Op de emotionele tegenwerping van de communistische senator en Buchenwald-overlevende Leen Seegers, dat de communisten toch bij uitstek offers hadden gebracht en vele mensen hadden verloren, benadrukte Drees dat het hem ging om Bevrijdingsdag; bij de Dodenherdenking waren de communisten welkom.

Hoe kil en hard dit ook klinkt, met een dergelijke discussie krijgen herdenkingen en vieringen wel inhoud en wordt vlijmscherp afgebakend waar het ons in essentie om gaat. Nu staan er mensen op de Dam in de veronderstelling dat ze de Tweede Wereldoorlog herdenken, terwijl het daar tegelijk over een rijtje andere oorlogen gaat.

Hoe de herdenking zou moeten worden ingevuld, wie en wat er moet worden herdacht is geen wetenschappelijke maar een politieke vraag. En zeker geen eenvoudige. Behalve de overtuiging dat we de oorlogsherdenking niet zouden moeten gebruiken om ons gelijk te behalen in de waan van de dag, heb ik daar niet zo een-twee-drie een antwoord op. Wel kan wetenschappelijk onderzoek door een preciezer beeld van het verleden te leveren, bijdragen aan het debat over de inhoud van de herdenking. Het recente onderzoek van historicus Bart van der Boom (Wij weten niets van hun lot) nuanceert op grond van een analyse van oorlogsdagboeken het beeld dat Nederlanders wisten wat hun gedeporteerde Joodse landgenoten te wachten stond, maar op grond van een latent antisemitisme niets deden en dus als 'schuldige omstanders' ook een soort daders zijn.

Dat wetenschappers in de loop der jaren andere accenten hebben gelegd in hun analyse van de Tweede Wereldoorlog, betekent niet dat er geen historische feiten zijn en dat we de oorlog naar willekeur kunnen interpreteren. In de Koude Oorlog gold het totalitarisme als de kern van het kwaad, nu zien we genocide als die kern. Uit die beide invalshoeken vallen waarden te destilleren die het herdenken betekenis kunnen verlenen. Dat zou zo abstract mogelijk moeten gebeuren. Of de islam een expansieve totalitaire ideologie is waartegen moet worden gewaarschuwd, of een onschuldige religie die moet worden beschermd tegen discriminatie - dat moeten burgers zelf uitmaken. Daarop geeft de geschiedenis geen antwoord (al draagt ze wel bouwstenen voor zo'n antwoord aan) en behoort ook een herdenking geen antwoord te geven.

Die Gedanken sind frei. Net zoals naar een begrafenis komt iedereen naar een herdenking met eigen doden in zijn hoofd. Iedereen mag en kan op 4 mei zijn NSB-opa gedenken, of die ene vriendelijke Duitse soldaat. Iedereen mag de ervaringen uit die oorlog toepassen zoals hij of zij wil. Maar graag in stilte en bescheidenheid, en voor zichzelf. Niet van overheidswege en collectief.

Drie fasen
Loe de Jong (1914-2005)
Vader van geschiedschrijving over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hij was directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocu- mentatie. Hij gebruikte de begrippen 'goed' of 'fout'.

Hans Blom (1943)
Hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In de jaren tachtig werd hij de voorman van een nieuwe generatie historici. In 1983 sprak hij zijn oratie uit, getiteld: In de ban van goed en fout.

Chris van der Heijden (1954)
Hij betoogde in zijn controversiële boek Grijs verleden (2001) dat de scheidslijnen tussen verzet en collaboratie in de oorlogsjaren, tussen goed en fout, nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren.

Een zaak van nationaal belang
Sinds vorig jaar is er in oktober niet alleen een 'Week van de Geschiedenis' maar is de hele maand tot 'Maand van de Geschiedenis' gepromoveerd. Honderden culturele instellingen in het hele land organiseren activiteiten rondom het thema van dit jaar: Arm en Rijk. Hoogtepunt is op 27 oktober de 'Nacht van de Geschiedenis' in het Rijksmuseum. Dan wordt de Libris Geschiedenis Prijs uitgereikt. Informatie over alle activiteiten op maandvandegeschiedenis.nl

Het verleden staat tegenwoordig in het centrum van de aandacht. Geschiedenisblaadjes schieten als paddestoelen uit de grond, tv-series als In Europa en Andere Tijden scoren hoge kijkcijfers en de verkoop van geschiedenisboeken is in de afgelopen tien jaar geëxplodeerd. Meer dan een wetenschappelijke exercitie is geschiedenis een zaak van nationaal belang geworden. In het kader van de Maand van de Geschiedenis in Vonk daarom naast het pleidooi van Jolande Withuis op deze pagina's ook:




Naar Methodologie , Psychologie overzicht  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]