Bronnen bij Denkfouten, badwater: geluk
Onderstaand eerst een, vrij uitgebreid voorbeeld van de denkfout van het
het-kind-met-het- badwater-weggooien
. Als men goed leest, ziet men dat
de boodschap van het verhaal is dat er geen methode is om gelukkig te worden,
dat wil zeggen, helemaal gelukkig, en dat alles pogingen verbonden met gelukkig
worden dus geen zin heeft - met als slotakkoord: mijn moeder was gelukkig omdat
ze altijd al gelukkig was.
Direct eronder paar reacties waarin het gezond verstand
standpunt ingenomen wordt: dat je niet in één keer helemaal gelukkig kan worden,
betekent niet dat het geen zin heeft om te proberen een beetje
gelukkiger te worden, en dat laatste kan wel degelijk, natuurlijk
De Volkskrant, 26-11-2005, door Suzanne Weusten, psycholoog en lid van de
hoofdredactie van de Volkskrant.
Geluk moet je hebben
Geluk kun je leren, beweren positieve psychologen; je hoeft alleen maar anders
te gaan denken. Dat is een illusie laat Suzanne Weusten zien
Tussentitel: Geluk is een speciale mix van gevoel en reflectie: je goed
voelen en
weten dat dat zo is
Het geloof in de maakbaarheid van geluk is sterker dan ooit tevoren. Je hoeft er
de vrouwenbladen maar op na te slaan, en de boodschap uit de positieve
psychologie spat van de pagina's. 'Geluk is te regelen', belooft de cover van
Esta, 'het zit in je hoofd'. 'Heb jij even geluk', schrijft Viva. 'Je
kunt je geluksgevoel zelf beïnvloeden.' 'Geluk, je hebt het zelf in de hand',
kopt Psychologie Magazine optimistisch. Was het maar zo simpel. Onze
levenshouding is moeilijk te veranderen.
De boodschap van al die artikelen is dezelfde: niet de
externe omstandigheden bepalen of we gelukkig zijn, maar de manier waarop we denken, onze levenshouding, kan
een gelukkig leven garanderen. Denk
optimistisch, wees gewoon vrolijk, dan komt de rest vanzelf. Steevast eindigen
de artikelen dan ook met een lijstje. Wie keurig het stappenplan volgt,
variërend van 'leer te kiezen en te genieten', tot 'wees dankbaar en
vergevingsgezind', wordt gelukkig. Heus. .
Die optimistische en instrumentele benadering van geluk is
betrekkelijk nieuw en komt uit de koker van de positieve psychologie, een
stroming die niet de ellendige kant van het menselijk gedrag als uitgangspunt
neemt, maar de kracht en de flexibiliteit van de menselijke geest. Grondlegger
Martin Seligman schreef het boek Gelukkig zijn kun je leren, dat omarmd
werd door therapeuten en zelfhulpgroepen en sommigen zelfs inspireerde tot de
oprichting van geluksfanclubs. Wie geluk bestelt, zal het krijgen, is hun
overtuiging.
Over geluk zijn veel definities in omloop. Ook al kunnen
onderzoekers uit antwoorden op vragenlijsten een objectieve maat geven voor
geluk, toch is geluk een subjectief begrip.
Niemand anders dan uzelf kan de vraag beantwoorden of u gelukkig bent en voor
ieder van ons heeft de duurzame voldoening over het leven een andere inhoud.
Geluk is relatief, omdat er geen absolute criteria zijn voor een plezierig
leven. Wie een mooi huis heeft en een goed inkomen hoeft niet gelukkig te zijn.
En wie ziek is en alleenstaand, kan toch gelukkig zijn. Geluk kan ook van totaal
andere factoren afhangen dan we in eerste instantie vermoeden. Na de aanslag op
de Twin Towers rapporteerden Amerikanen meer geluksgevoelens dan daarvoor. Ook
waren er minder zelfdodingen. De externe vijandige dreiging bracht hen nader tot
elkaar, waardoor ze zich paradoxaal genoeg prettiger voelden. .
Geluk is dus niet louter de afwezigheid van ongeluk en
evenmin de eendimensionale zoektocht naar plezier, maar een speciale mix van
gevoel en de reflectie daarop: je goed voelen en weten dat dat zo is. Geluk komt
in veel vormen en smaken, en ieder individu heeft zijn eigen combinatie van
ingrediënten, gebaseerd op zijn eigen levensgeschiedenis. Wie na een lange
ziekte eindelijk verlost is van pijn en ongemak, zal gelukkiger zijn met zijn
pas verworven gezondheid dan degene die altijd al gezond is.
Geluk staat bovendien bloot aan mechanismen die we niet
helemaal zelf in de hand hebben, want zelfs de positivo's onder ons, degenen die
de wereld door een zonnige bril bekijken, ontmoeten beren op de weg naar geluk.
De belangrijkste hindernis is de oermenselijke eigenschap van gewenning. Hoe
langer het geluk duurt, hoe meer we eraan gewend raken, en hoe meer we willen.
Aan de zogenoemde hedonistische tredmolen ontkomt bijna niemand. De opwinding
over een nieuwe ervaring, of het nu een verre reis is, een nieuwe auto of een
sportieve prestatie, na twee of drie keer neemt de blijdschap af, en hebben we
iets anders nodig om hetzelfde gevoel te krijgen.
Een andere belemmering is het mechanisme van de sociale
vergelijking, waaraan ook moeilijk te ontsnappen valt. Keeping up with the
Joneses, zeggen de Engelsen. Mensen zijn geneigd hun eigen geluk, veelal in
materiële zin, maar ook bijvoorbeeld qua gezondheid of werk, te vergelijken met
anderen. Naarmate anderen meer hebben, een groter huis, een hoger inkomen, een
interessantere baan, zullen we onze eigen verworvenheden minder waarderen.
De lijst van factoren die geluk aanjagen, is lang. Je zou er
bijna moedeloos van worden en eerlijk gezegd ook een beetje lacherig. Als geluk
van zoveel factoren afhangt, van het land waar je woont tot en met gevoel voor
humor of het hebben van een geloof, wat zegt het dan nog? Het nadeel van die
lange lijst is bovendien dat elke geluksbron wel hout snijdt of liever gezegd
bijdraagt aan levensplezier, maar nooit noodzakelijke en voldoende voorwaarde
tegelijkertijd kan zijn. Kortom, de indicatoren voor geluk zijn moeilijk af te
bakenen en te beperken.
Gezondheid is een belangrijke factor, net als de mate waarin
we anderen vertrouwen. En mensen met een vaste partner zijn gelukkiger dan
alleenstaanden. Uit allerlei onderzoeken blijkt daarnaast dat opleiding
bijdraagt aan levensgeluk. En wie in een democratisch land woont met een
stabiele regering heeft ook meer kans om gelukkig te zijn. Ook uiterlijk is een
indicator voor geluk, want mooie mensen zijn over het algemeen gelukkiger dan
lelijke.
Maar dat zijn allemaal externe factoren die we moeilijk kunnen veranderen. De
cruciale vraag is of gelukkige mensen ook bepaalde karaktereigenschappen gemeen
hebben. Hebben sommige persoonlijkheden meer kans op geluk dan andere? En zo ja,
kunnen we die eigenschappen dan beïnvloeden?
De psychologen Ed Diener en Martin Seligman deden tien jaar
geleden al onderzoek bij het handjevol mensen dat het hoogst scoorde op geluk.
De opvallendste karaktereigenschap van die groep, constateerden de psychologen,
is verbondenheid met anderen. Gelukkige mensen hebben over het algemeen meer en
sterkere sociale relaties dan anderen die minder gelukkig zijn. Een tweede bijna
universele karakterovereenkomst van gelukkige mensen ligt in het verlengde van
die verbondenheid: sociale en emotionele begaafdheid. Wie gemakkelijk contact
maakten in staat is zich te verplaatsen in anderen, heeft minder kans geïsoleerd
te raken. Ook verbondenheid en sociale en emotionele begaafdheid zijn weliswaar
geen voldoende voorwaarden om gelukkig te zijn, maar wel noodzakelijke. Of
anders gezegd, zoals Paul Martin, de auteur van Making Happy People (zie
kader: De terugkeer van het geluk) het formuleert: het is moeilijk om
tegelijkertijd gelukkig én eenzaam te zijn.
Afgezien van sociale en communicatieve vaardigheden is ook
het vermogen om je te kunnen verliezen in een zinvolle activiteit, een kenmerk
van gelukkige mensen. Het ervaren van flow, zoals de Hongaars-Amerikaanse
psycholoog Csikszentmihaly treffend heeft beschreven, verhoogt ons geluksgevoel.
De lijst van eigenschappen van gelukkige mensen eindigt met een gevoel van
zelfwaardering en optimisme. En aan die laatstgenoemde eigenschap, optimisme,
koppelen de positieve psychologen hun maakbaarheidsfilosofie.
Geluk is dus niet alleen verbonden met de
levensomstandigheden en de levenswijze. Geluk is mede afhankelijk van de manier
waarop mensen hun leven. bezien. Het glas kan inderdaad half vol zijn of half
leeg. En daaraan appelleren de instrumentele lijstjes uit de vrouwenbladen die
suggereren dat we alleen onze perceptie van de werkelijkheid hoeven te
veranderen om gelukkig te worden.
Natuurlijk zullen mensen met een optimistische levenshouding
vaker positief antwoorden op de vraag of ze gelukkig zijn dan degenen die wat
minder opgewekt in het leven staan.
Maar een optimistische levenshouding ligt vaster dan we denken, is verankerd in
de persoonlijkheid. Een optimistische levenshouding hoort bij een open
persoonlijkheid, bij eigenschappen als extraversie, nieuwsgierigheid, bij de
bereidheid risico's te nemen, bij openstaan voor ervaringen. De basisdimensies
van de persoonlijkheid kunnen in de loop van het leven iets veranderen, maar
zijn duurzamer dan we soms zouden willen.
De suggestie van maakbaarheid is daardoor een tragische
belofte: juist degenen die haar nodig hebben, kunnen niet een-twee-drie hun
persoonlijkheid veranderen. Hun levenshouding is geen jas die ze naar behoefte
kunnen wisselen. En voor degenen die haar niet nodig hebben, de optimisten, is
de maakbaarheidsbelofte niet bedoeld. Zij komen er toch wel.
Is het dan allemaal onzin wat de positieve psychologen
beweren? Nee, de kern van hun overtuiging is waar. De manier waarop je in het
leven staat, de perceptie van heden, verleden en toekomst, kleurt je ervaringen.
Je kunt een mens alles afnemen, zei Viktor Frankl op grond van zijn ervaringen
in Auschwitz, behalve één ding: de laatste menselijke vrijheid, het vermogen om
zelf je houding te kiezen, in welke omstandigheid dan ook. Dat is alleen niet
iedereen gegeven. In tegenstelling tot wat de damesbladen ons willen doen
geloven is het daarom te simpel om te stellen dat geluk een kwaliteit is die je
zelf kunt beïnvloeden. Een andere levenshouding ontwikkel je niet door een
lijstje met geluksfactoren af te werken en je voor te nemen voortaan opgewekt
door het leven te gaan.
Naschrift
Mijn moeder is 83, ze is weduwe en heeft maar één been. Op maandag bel ik haar
om te vertellen dat ik haar zaterdag mee uit eten neem. Dan verheugt ze zich de
hele week al op ons uitstapje, weet ik uit ervaring.
Zaterdag duw ik haar rolstoel naar het restaurant, tien
minuutjes van haar aanleunwoning. Het is mooi weer, we eten zalm en mama drinkt
twee glazen witte wijn. Op de terugweg draait ze haar hoofd achterom, ze lacht.
'Je merkt wel dat ik best gelukkig ben hè', zegt ze stralend. Ik knik en
manoeuvreer zwijgend de rolstoel stoep op, stoep af. Mijn moeder mag dan weduwe
zijn en in een rolstoel haar leven slijten, ze is een optimistisch mens. Maar
dat heeft ze niet geleerd. Dat is ze altijd al geweest.
Tussenstuk
De terugkeer van het geluk
Dit jaar is er een hausse aan boeken over geluk verschenen.
Zo constateert de psycho-analyticus Adam Phillips dat de psychologie zich
decennialang vrijwel uitsluitend gericht heeft op de pathologische kant van het
menselijk gedrag. In Going Sane schrijft hij dat we geobsedeerd zijn door
gekte, geestesziekte en psychische stoornissen, terwijl de andere kant,
geestelijke gezondheid, systematisch wordt onderbelicht. We hebben niet eens een
definitie van geestelijke gezondheid, klaagt hij. Phillips' poging geestelijke
gezondheid te definiëren mondt uit in de verzuchting dat die misschien wel het
treffendst weer te geven is als de eigenschap om tevreden te zijn. En daarmee
benadert hij de definitie van geluk.
Geluk betekent meer dan alleen je lekker voelen in het hier en nu, geluk is een
mentale toestand in drie dimensies, schrijft gedragsbioloog Paul Martin in
Making Happy People. Het is de combinatie van een prettige stemming, de
afwezigheid van onprettige gevoelens als verdriet, pijn of angst, en het
bewustzijn dat je in het algemeen tevreden bent met je leven.
Voor econoom Richard Layard, auteur van Happiness, lessons from a new science,
is geluk eenvoudiger. Het betekent je goed voelen, van het leven genieten, en
dat gevoel willen voortzetten. Kort gezegd, een duurzame voldoening over het
leven. Geluk kan een momentopname zijn, een kortstondig genieten, maar
uiteindelijk verwijst de vraag 'Bent u gelukkig?' naar de langere termijn.
De Volkskrant, 03-12-2005, door Ronald Meijers, trainer/coach en lid van
de executive board van Krauthammer International.
Getob over geluk is voorbarig
Tussentitel: Wij lijden aan een obsessie voor ziekte, falen en gebrek
Ons vermogen tot geluk is wel degelijk te verbeteren als we ons brein zouden
beschouwen als een spier die moet worden getraind, zegt Ronald Meijers.
Het artikel van Suzanne Weusten dat je geluk moet hebben en dat het niet te
leren is, heeft mij hogelijk verbaasd (het Betoog, 26 november). Uit empirisch
onderzoek is duidelijk gebleken dat onze eigenschappen continu veranderen, in
verschillende mate en met wisselende intensiteit. Verandering is het werkelijk
duurzame. Het lijkt wel alsof Weusten zich niet wil openstellen voor de
overweldigende hoeveelheid bewijsmateriaal voor het aanpassingsvermogen van de
mens. Waarom doet deze psychologe zo haar best ons een illusie armer te maken?
Natuurlijk heeft ze een positief en lovenswaardig motief. Helaas is het een
maternalistisch, protectionistisch motief, dat mensen van hun groeimogelijkheden
berooft in plaats van ze te stimuleren.
Weusten voelt mee met de wanhopigen die ze graag een - nieuwe
- teleurstelling wil besparen. Er gaat veel mis, sommige mensen maken doelbewust
misbruik van ons vertrouwen en dromen zijn verdomd vaak niets meer dan bedrog.
Dan maar wat lager mikken en raak schieten, suggereert ze. Het probleem is dat
wie hiervoor kiest nog maar zeer zelden krijgt wat hij ten diepste nog altijd
wil; hij is opgehouden het te proberen uit angst weer te falen.
De kernvraag luidt: in welke mate zijn wij in staat zelf onze
houding te kiezen? Niet iedereen kan dat even goed, daarin heeft Suzanne gelijk.
Dus... het moede hoofd maar in de schoot geworpen of toch op zoek naar middelen
om zelf tot dit selecte gezelschap te gaan behoren?
Dat laatste is inderdaad niet eenvoudig. Wie denkt dat het
aanleren van een gelukzalige levenshouding een kwestie is van een paar
leefregeltjes uit je hoofd leren tijdens een bezoekje aan de kapper verdient een
uitbrander. Suzanne Weusten doet bekwaam haar plicht door ons daarop te wijzen
én zo de damesbladen inclusief haar eigen oude Psychologie Magazine op de
vingers te tikken.
Het tragische en ondermijnende vind ik dat hierdoor hoop de
bodem in wordt geslagen zónder deugdelijke argumentatie en met voorbijgaan aan
indrukwekkende hoeveelheden nieuw bewijsmateriaal over ons vermogen om ons aan
te passen, zelfgestuurd, onder invloed van onze omgeving, of door de interactie
tussen beide.
Ik zie het als mijn opdracht mensen van hun mogelijkheden te
overtuigen én ze instrumenten aan te reiken om die te benutten. Met Adam Philips
constateer ik dat wij lijden aan een obsessie voor ziekte, falen en gebrek. Wij
analyseren ons suf als zich een probleem voordoet en gaan achteloos voorbij aan
de kt:ren dat het wél goed gaat. Terwijl veel in onze heden-daagse maatschappij-
wonderbaarlijk genoeg? - gewoon wérkt.
Nog steeds is het zo dat de meeste huwelijken slagen, de
meeste mensen nIet worden beroofd, de meeste kinderen uitstekend onderwijs
krijgen en de meeste treinen op tijd rijden. Onderzoek toont aan dat de meeste
mensen het in hun eigen kleine kringetje prima naar hun zin hebben. Gevoelens
van onvrede en onveiligheid ontstaan pas op meso- of macroniveau en zijn. vaak
'onbestemd'. Niet gebaseerd op concrete ervaringen, maar wel op de angst voor
negatieve ervaringen. Onze materiële groei is vele malen sneller gegaan dan onze
geestelijke ontwikkeling. We moeten nog heel veel leren en dat besef maakt vaak
onzeker.
Ik pleit ervoor gevoelens van onveiligheid en onvrede niet
nodeloos te voeden. Wel waarschuwen en met de neus op de feiten drukken, maar
ook hulp en perspectief bieden. Geen valse hoop, maar ook geen vals realisme.
Het is goed dat er meer aandacht komt voor de vraag wat wél werkt en wat we daar
van kunnen leren.
Desnoods in de vorm van een stappenplan. Suzanne Weusten
heeft daar moeite mee. Als ze zich stoort aan de bedrieglijke suggestie van
gemak, compleetheid en snelheid, geef ik haar gelijk. Maar met praktische tips
is niets mis. Filosofen als Epicurus - die het beleven van genot als doel van
het leven propageerde - en Aristoteles - die wijsheid, matigheid, moed en
rechtvaardigheid als de kardinale deugden zag - deden ook in handige lijstjes
met tips en trucs. Zonder ook maar een moment te suggereren dat beheersing
daarvan makkelijk zou zijn. Lijstjes met de do's en de don'ts roepen weliswaar
de associatie op van 'doen we effe', maar iedereen die daadwerkelijk met de
gepresenteerde ideeën aan de slag gaat, weet wel beter.
Nieuw onderzoek naar neuroplasticiteit (het
aanpassingsvermogen van ons brein) toont aan dat we door mentale training zelfs
fysieke veranderingen tot stand kunnen brengen (zie bijvoorbeeld Jeffrey
Schwartz). Vervolgens blijkt dat deze training bijvoorbeeld vijf jaar van
gedisciplineerde oefening inhoudt.
Zie bijvoorbeeld het ongelooflijke concentratievermogen van
monniken, die zelfs hun zenuwstelsel kunnen trainen om pijn te negeren. Als we
ons brein zouden beschouwen als een spier en beheersing ervan zouden vergelijken
met topsport, zouden we wel eens in de buurt kunnen komen van een realistisch
beeld over de route die we moeten afleggen om ons geluksvermogen te verbeteren.
Maakbaarheid dus, maar wel met toewijding. Reken op afzien,
vele mislukkingen en ook terugval en je maakt een kans. Veel in onze omgeving -
waaronder deze krant - duwt ons terug in de status quo. Als we experimenteren
met ons gedrag zullen ook onze dierbaren daar regelmatig afwijzend op reageren.
In elk geval in eerste instantie. Gewoon omdat ze gehecht zijn aan wie we altijd
zijn geweest. Ook hier ligt weer een positief motief aan ten grondslag: blijf
jij maar gewoon jezelf, we houden van je zoals je bent.
Mét Suzanne Weusten ben ik van mening dat het verstandig is
op deze reacties, onze eigen teleurstelling, de tragiek van het mogelijke falen
voorbereid te zijn. Anders dan Suzanne ben ik ervan overtuigd dat er heel veel
mogelijk is als we bereid zijn onze koers vast te houden, ondanks al deze
tegenwerking die in feite vaak goedbedoelde betutteling inhoudt.
Er is lef voor nodig om ons masker (persona = masker) onder
de microscoop te leggen en - desnoods radicaal - te opereren als er elementen in
zitten die ons geluk in de weg staan. Het zou journalisten passen als zij ons
moed inpraten bij ons streven naar een betere wereld, in plaats van ons met
achterhaalde waarheden terug te duwen in de status quo.
De Volkskrant, 03-12-2005, door Ruud Hollander, hoofdredacteur van
Psychologie Magazine
Geluk, dat stuur je met je hoofd
Tussentitel: Wie vooral doet wat hij goed kan, wordt een gelukkig mens
Hangt het menselijk geluk af van de persoonlijkheid en valt het verder niet
te beïnvloeden? Praktijk en leer tonen het tegendeel, zegt Ruud Hollander.
Gelukkig zijn kun je niet leren: dat ben je of dat ben je niet, stelt Suzanne
Weusten in 'Geluk moet je hebben' (het Betoog, 26 november). Bladen en
psychologen die je vertellen hoe je wel gelukkiger kunt worden, maken haar
moedeloos. Heeft ze gelijk? Kunnen mensen die voor een dubbeltje geboren
zijn nooit een kwartje worden? De wetenschap denkt daar anders over. Weustens
beweringen stoelen op een aantal misvattingen.
Misvatting 1: Een mens verander je niet zomaar.
Het belangrijkste argument tegen de gelukspsychologie is dat
de mens niet of nauwelijks maakbaar is. Of een mens gelukkig of ongelukkig is,
ligt besloten in zijn persoonlijkheid. En je persoonlijkheid kun je niet
veranderen.
Geluksprofessor Ruut Veenhoven is het daar erg mee oneens.
Los van de vraag of geluk bepaald wordt door je persoonlijkheid, concludeert hij
op basis van eigen onderzoek dat geluk beslist wel te beïnvloeden is. 'Op korte
termijn blijft het geluksniveau ongeveer hetzelfde, maar op lange termijn niet',
zegt de Rotterdamse hoogleraar. 'Dat komt doordat omstandigheden én mensen zelf
veranderen. En eigen keuzen spelen daarbij wel degelijk een rol.'
Bekend is wat het effect is van bepaalde keuzen. In het
algemeen geldt dat wie een betere baan krijgt waarvoor hij langer moet reizen,
ongelukkiger wordt. Wie een paar keer per week gaat hardlopen, wordt gelukkiger.
En wie iets goeds doet voor een ander ook.
Dat is allemaal onderzocht.
Dat een mens best gelukkiger kan worden en kan veranderen,
zie je in de praktijk. De succesvolste therapievorm is de cognitieve therapie,
die ervan uitgaat dat je door je denken je emoties kunt bijsturen. De mens heeft
als cognitief wezen zijn emoties tot op zekere hoogte in de hand. Dat is geen
bedenksel van bladen of gelukspsychologen. Als de mens nauwelijks maakbaar was,
zou deze therapie complete onzin zijn. En dat is niet zo. Nee, het is niet
simpel je gevoelens te veranderen, maar het kan.
Natuurlijk, niet alle eigenschappen zijn zomaar bij te
stellen. Maar je kunt met lastige persoonlijkheidstrekken ook leren leven.
Iemand die introvert is, wordt nooit extravert, maar kan wel leren ermee om te
gaan. Dat beogen gelukspsychologen: je bewust maken van de dynamiek tussen je
persoonlijkheid en je omgeving. Wie introvert is, hoort van psychologen dat hij
beter geen beroep kan kiezen waarin hij steeds mensen te woord moet staan. Dat
klinkt simpel, maar het heeft voor zijn geluksniveau enorme gevolgen.
Hoe je je geluksniveau kunt opkrikken, blijkt uit een
experiment van de beroemde Amerikaanse psycholoog Martin Seligman. Voor zijn
onderzoek, dat hij afgelopen augustus beschreef in American Psychologist,
vroeg hij proefpersonen zich een week lang te richten op hun sterke kanten.
Seligmans theorie is dat je gelukkiger wordt naarmate je meer tijd besteedt aan
dat waarin je goed bent. Dus liet hij nieuwsgierige mensen op straat met
vreemden gesprekjes aanknopen, schreven dankbare mensen een dankbaarheidsbrief
en kregen creatieve mensen veel tijd voor zichzelf om creatief te zijn. Wat
bleek? Al deze mensen werden gelukkiger. Ook een half jaar later.
De vraag is dus of onze persoonlijkheid echt zo stabiel is
als wordt gesuggereerd. Uit onderzoek blijkt dat mee te vallen. Zo is bij
kinderen onder de twintig de persoonlijkheid maar matig consistent (met een
correlatie van 0,35 tussen de ene. en de andere meting), rond je 20ste is de
correlatie 0,54, rond je 30ste 0,64 en na je 50sté 0,75. Een correlatie van 1
betekent dat de persoonlijkheid niet meer verandert, maar bijna niemand komt
daar in de buurt. Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Marcel van Aken noemt onze
persoonlijkheid 'enigszins stabiel'. Niet meer dan dat.
Misvatting 2: Aan geluk raak je gewend.
Een nieuwe ervaring is opwindend en maakt gelukkig, of het nu
om een verre reis, een nieuwe auto of een sportieve prestatie gaat, aldus
Weusten. Na verloop van tijd slaat de gewenning toe en heb je nieuwe ervaringen
nodig voor hetzelfde gevoel. Op zich klopt dit, maar het punt is dat geen
enkele gelukspsycholoog deze eendimensionale definitie van geluk zal delen.
Geluk is namelijk niet hetzelfde als plezier voor gelukspsychologen is materieel
genot de laagste vorm van geluk. Het gaat hun niet zozeer om een 'plezierig'
maar om een 'goed' leven. Belangrijker dan plezier is 'voldoening', 'zingeving',
weten waar je competenties liggen en die optimaal benutten.
Dat zijn meer duurzame en waardevolle vormen van geluk. Wie
een doel heeft in zijn leven, wie doet waar hij goed in is en daaruit veel
voldoening haalt, zal tot in lengte van jaren gelukkig zijn. Want waar het
effect van een kick, van plezier, meestal snel afvlakt, blijft' de
levensvoldoening makkelijker op niveau.
Ruut Veenhoven: 'Al is het wel zo ,dat er voor de handhaving
van de levensvoldoening natuurlijk regelmatig uitdagingen moeten zijn. Geluk is
een bijproduct van optimaal functioneren en we functioneren nu eenmaal beter als
iets van ons wordt gevraagd.'
Misvatting 3: Je bent vooral gelukkig als je beter af bent
dan anderen.
In het artikel wordt gesteld dat we ons vooral gelukkig
voelen als we beter af zijn dan de mensen in onze omgeving: 'Naarmate anderen
meer hebben, zullen we onze eigen verworvenheden minder waarderen.' Dit wordt
het mechanisme van sociale vergelijking genoemd. Gevolg is dat de helft van de
bevolking van een land dus nooit echt gelukkig kan zijn, omdat die het gemiddeld
slechter heeft dan de rest.
Ook dit argument klopt niet. Als het mechanisme van de
sociale vergelijking allesbepalend zou zijn, zou het gemiddelde rapportcijfer
dat' mensen geven aal1 hun geluksniveau in elk land namelijk 5 zijn. Omdat 50
procent het beter heeft dan de buren en 50 procent slechter. De werkelijkheid is
anders. In Zimbabwe is de gemiddelde geluksscore namelijk niet hoger dan een 3
en in Zwitserland geeft men gemiddeld een dikke 8. Dat wil zeggen dat mensen
helemaal niet zo naar anderen kijken en zich vooral bezighouden met hun eigen
situatie. Een Zimbabwaan kan het relatief goed hebben en toch niet gelukkig
zijn. Omgekeerd kan een relatief arme Zwitser zich toch gelukkig prijzen.
Kortom: dat ons eigen geluk afhankelijk is van het geluksniveau van anderen, is
niet waar.
Dat de maakbaarheid van het geluk een illusie is, is
onhoudbaar. En de suggestie van Suzanne Weusten dat deze belofte iets is van de
laatste tijd, is trouwens ook niet waar. Het artikel 'Geluk, je hebt het zelf in
de hand,' dat ze aanhaalt, is namelijk niet recentelijk in Psychologie
Magazine verschenen, maar al tweeëneenhalf jaar geleden. En heel wonderlijk:
het verscheen onder haar verantwoordelijkheid. Ze was in die tijd namelijk zelf
hoofdredacteur van Psychologie Magazine. Nog niet zo lang geleden
geloofde ze nog wel in de maakbaarheid van geluk. Terecht. Want geluk komt je
niet aanwaaien - je moet er flink je best voor doen - maar het gezegde klopt: je
kunt het afdwingen.
De Volkskrant, 03-12-2005, ingezonden brief van Gerard Smit, auteur van
Veel Geluk! (Amsterdam)
Aan geluk kun je wél sleutelen
Volgens Suzanne Weusten is de door vrouwenbladen uitgedragen opvatting dat je
geluk kunt leren te simpel omdat onze persoonlijkheid moeilijk is te veranderen,
zo lees ik in het artikel 'Geluk moet je hebben' (het Betoog, 26 november).
Maar als je kijkt naar de tips waar de vrouwenbladen mee
komen, dan maakt het niet uit of je karakter vastligt of niet. De meest
voorkomende tips zijn: eet gezond, en zorg voor voldoende nachtrust en
lichamelijke activiteit. Geen opzienbarende tips, maar daarmee niet minder
effectief. Wat voor een karakter je ook hebt, als je ze opvolgt zul je je zeker
prettiger voelen.
Andere veel voorkomende tips zijn: leef in het hier en nu,
doe de dingen die je doet met aandacht, stel je zelf realistische doelen, en
maak een levendige voorstelling van wat je wilt bereiken. Ook niet
wereldschokkend, maar wel door iedere sombermans te realiseren.
Waarom zo denigrerend gedaan over vrouwenbladen die dit soort
dingen propageren? Ze verspreiden inzichten die ook door Aristoteles, Seneca en
Karl Popper zijn verwoord. In plaats van gewichtig te doen over vastliggende
levenshoudingen, zou het interessanter zijn na.te gaan wat er nodig is op de
eenvoudige tips daadwerkelijk uit te voeren.
De Volkskrant, 03-12-2005, ingezonden brief van Prof. dr. Roos Vonk,
Radboud Universiteit Nijmegen (Nijmegen)
Hulpverlening
Suzanne Weusten betoogt dat 'gelukkig zijn' grotendeels vastligt in het karakter
en dat zelfhulp of hulp van anderen dus zinloos is. Ofwel; als je ongelukkig
bent, zul je dat blijven. Dit is zo ongeveer hetzelfde als zeggen dat onderwijs
aan domme mensen zinloos is omdat intelligentie grotendeels genetisch vastligt,
en dat we de driftbuien of hysterie van .emotionele mensen maar moeten verdragen
omdat voor temperament hetzelfde geldt. De feiten kloppen, maar de conclusie
niet.
Het onderzoek naar factoren die geluk bepalen, is juist
gedaan om aanknopingspunten te vinden voor hulpverlening en advies. Weusten
geeft zelf een goed voorbeeld van hoe dat kan werken: Mensen die zich steeds met
anderen vergelijken of ze wel beter af zijn, zijn relatief ongelukkig. Datzelfde
geldt voor zelfmedelijden (rotter dan anderen), maar ook voor narcisme (beter
dan anderen) omdat het allemaal de verbondenheid met anderen belemmert.
Als je mensen dit laat zien, snappen ze vaak direct dat ze zo
helemaal niet willen zijn. Ze gaan hun eigen aandeel zien en daar hebben we meer
aan dan aan de hulpeloze houding waar Weusten voor lijkt te pleiten ('Ik ben nu
eenmaal zo'). Dat betekent niet dat iemand van een 4 naar een 9 gaat (want dat
wordt inderdaad bepaald door oncontroleerbare omstandigheden en genetische
factoren). Maar, gegeven de vastliggende verschillen tussen mensen, zie ik geen
enkele reden waarom je iemand niet van een 5 naar een 6 (of van 6 naar 7 etc.)
zou helpen.
De Volkskrant, 03-12-2005, ingezonden brief van A.M. van den Brink
(Leiderdorp)
Wilskracht
Ik onderschrijf de mening van Suzanne Weusten in haar artikel 'Geluk moet je
hebben' in het Betoog van 27 november. Echter ik zou haar mening nog wat
scherper willen stellen met behulp van enkele citaten over depressiviteit uit
het boek 'Als leven pijn doet' van René Diekstra.
In hoofdstuk 13 lees ik bijvoorbeeld: 'De opvatting dat wat
je in dit leven bereikt of dat geluk of ongeluk hoofdzakelijk een kwestie is van
je eigen wilskracht, inspanningen of gedrag, is zowel onjuist als beledigend.
Erger nog: Het is depressogeen'.
En: 'Met zo een redenering wordt je in feite dubbel gepakt.
Eerst met minderwaardigheids-gevoelens waar je niet om gevraagd hebt. En
vervolgens met de suggestie dat het feit dat je ze nog hebt een kwestie van je
eigen toedoen is'.
Even later: 'Geen kind of jongere kiest ervoor zich
minderwaardig te voelen. Als iemand zich toch zo voelt en dat gevoel blijft tot
diep in de volwassenheid bestaan, dan moeten andere factoren daarvoor
verantwoordelijk zijn. En blijkbaar verander je die niet zomaar even door te
zeggen 'Ik stop ermee en ik stap over op een ander geloof over mezelf'.'
De conclusie is: 'De waarheid in dit leven is, dat waar een
wil is niet altijd een weg is'.
IRP: De laatste ingezonden brief is opgenomen om nog eenmaal
de misverstanden te laten zien. 'Er is niet altijd een weg waar een wil is", is
een vertaling van "aan de directe persoonlijke verlangens kan niet altijd meteen
volledig voldaan worden". Maar dat zegt niets, als men niet beter omschrijft wat
die persoonlijke verlangens zijn - als dat iets inhoudt als miljonair worden,
dan past er bij die wil inderdaad niet altijd een weg. En iets dergelijks geldt
voor de minder-waardigheidsgevoelens waar de ingezonden-briefschrijver van rept
- waardoor worden die veroorzaakt? Omdat men geen miljonair is? Dan is gewone
psychotherapie inderdaad weinig toereikend - een advies
à la Dr. Phil
lijkt dan meer op zijn plaats:
"Get real!". Of vanwege opvoedingsproblemen? Daar kan met diverse vorm van
therapie best wel het een en ander aan gedaan worden. En de depressiviteit van René
Diekstra, dat wil zeggen de echte en niet gewoon een slecht gevoel, blijkt
steeds beter behandelbaar met medicijnen, en lijkt dus meer een biologisch
kwestie dan een van de geest.
Het is opmerkelijk dat Suzanne van Weusten eerst voor een blad, Psychologie
Magazine, gewerkt heeft, waarvan ze nu de doelstellingen als onhaalbaar
neerzet. De auteur van het tweede artikel stelt dat dit laat zien dat Van
Weusten dus ooit wel in die doelstellingen heeft geloofd. Dat is een naïeve
conclusie. Volgens Van Weusten eigen opvattingen, die inhouden dat het menselijk
karakter niet of nauwelijks voor verandering vatbaar is, heeft ze dit ook in
haar vorige werkkring niet geloofd. Dat betekent dat ze gewerkt heeft voor iets
waar ze zelf niet geloofd - een cynische positie. Dan lijkt Van Weusten meer op
haar plaats in haar huidige werkkring, de Volkskrant, omdat de
Volkskrant, sinds die is overgegaan van een katholieke naar een
alfa-intellectuele krant, altijd een reputatie van zuurheid en cynisme heeft
gehad. Hoewel er de laatste jaren wel pogingen tot verbetering worden gedaan,
lijkt de kennelijk recente overstap van Van Weusten daaraan geen bijdrage te
kunnen leveren.
Naar Denkfouten
,
Alg. semantiek, lijst
,
Alg. semantiek, overzicht
,
Algemeen, overzicht
, of site home
.
|