De Volkskrant, 20-11-2010, door Jolande Withuis 21 nov.2010

Van CPN-speeltje tot volwassen museum

Ellende van oorlog en bezetting kan alleen goed in beeld worden gebracht met een niet-ideologische benadering.

Jolande Withuis | Dit is de verkorte tekst van de lezing die Jolande Withuis gisteren hield bij de viering van het 25-jarig bestaan van het Verzetsmuseum Amsterdam. De volledige tekst is te vinden op www.verzetsmuseum.org. Jolande Withuis is als onderzoeker verbonden aan het Niod. Zij publiceerde in 2005 Na het kamp. Vriendschap en politieke strijd. Haar biografie van verzetsman Pim Boellaard, Weest manlijk, zijt sterk (2008), werd bekroond met de Grote Geschiedenisprijs 2009 en de Erik Hazelhoff Biografieprijs 2010.

Tussentitel: Verzetsmuseum heeft oog gekregen voor bijzondere individuen

Een van mijn favorieten in de collectie van het jarige Verzetsmuseum is de kartonnen kerstboom die in gevangenschap werd gefröbeld door verzetsman Carel Steensma (1912-2006). Steensma, een meivlieger die in 1940 boven Rotterdam een aantal Duitse vliegtuigen wist te treffen, wilde in september 1941 met twee anderen in een bootje de oversteek naar Engeland maken. Dat liep mis. Bij een Duitse beschieting kreeg hij een kogel in zijn been. Hij kwam via de gevangenis in het beruchte Nacht-und-Nebelkamp Natzweiler terecht, waar zijn geďnfecteerde been zonder narcose door een medegevangene werd geamputeerd. Het is bijna niet te geloven, maar Steensma overleefde vervolgens ook nog Dachau. Hij kon nooit meer vliegen en later ook geen cello meer spelen.

In de kerstboom, vervaardigd in de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringsschans, drukte de protestantse Steensma de hoop uit die hij aan zijn geloof ontleende. Hij maakte het boompje van verduisteringskarton, in reepjes gesneden met een vork die hij geduldig had gescherpt aan de betonnen celvloer. De versieringen kwamen van het zilverfolie om zijn medicijnen; de sneeuw was zijn verbandgaas. Overdag werd het boompje verstopt, maar Kerstavond 1941 zongen de gevangenen van zijn cel rond het boompje kerstliedjes.

Verhalen over wat mensen wisten te verzinnen om het vol te houden, ontroeren mij altijd weer. Het is dan ook een blijde verrassing dat het Verzetsmuseum Steensma’s kerstboom waardeert als een ‘topstuk’. Het is een verrassing, omdat Steensma een man was van God, Nederland en Oranje, terwijl het Verzetsmuseum toen het in 1985 werd opgericht, toch vooral een speeltje was van de CPN. Van God, Nederland en Oranje moest men weinig hebben.

In hetzelfde jaar – 1983 – dat de vijf CPN-bestuurders die het Museum bedachten, voor het eerst de koppen bij elkaar staken, deed zich in hun partij een pijnlijke rel voor. Een aloud partijlid onthulde dat verzetsstrijdsters die gevangen hadden gezeten in het kamp Ravensbrück, na hun bevrijding door het Rode Leger waren verkracht. Bejaard als ze was werd de brengster van deze bittere boodschap haar partij uitgezet. Historisch onderzoek werd in de kiem gesmoord met een verklaring van het partijbestuur dat deze onthulling de faam van het antifascistisch verzet en de heroďsche opofferingen van het Rode Leger besmeurde. Tot de instigators van deze keiharde doofpotstrategie behoorde de bedenker en toekomstig voorzitter van het Verzetsmuseum, Joop Wolff, Tweede Kamerlid voor de CPN en hoofdredacteur van De Waarheid.

Het rondzenden van intimiderende oekazes getuigt natuurlijk niet van het open mentale klimaat dat een voorwaarde is voor een zinvol museum. Dat was het Verzetsmuseum in zijn eerste jaren dan ook niet. Zo werd een prachtige schenking jarenlang naar de kelder verbannen. Ik doel op de zogenaamde ‘Nationale Feestrok’, die na haar terugkeer uit Duitse gevangenschap werd vervaardigd door de fameuze verzetsvrouw Mies Boissevain-Van Lennep. Inmiddels heeft deze rok een plaats gekregen in de vaste collectie, maar toen ik er in 1990 onderzoek naar deed, lag hij in de Lekstraat te vergaan. Volgens de conservator had zo’n Oranjerok niets te maken met verzet. Hij had kennelijk niet de moeite genomen zich in de geschiedenis van Boissevain te verdiepen.

Bij de opening van het Verzetsmuseum vroeg de toenmalige burgemeester Van Thijn zich af waarom het 40 jaar moest duren voordat een dergelijk museum er kwam.

Dat is wel uit te leggen. De collectieve herdenking en interpretatie van de Tweede Wereldoorlog heeft de afgelopen 65 jaar verschillende fasen doorlopen. In de eerste jaren had het publiek ruime belangstelling voor de ellende die velen hadden moeten doorstaan. Boekjes met bijvoorbeeld de lotgevallen van voormalig politieke gevangenen vlogen de winkels uit. Voor een museum was het nog te vroeg, maar de behoefte om te bewaren en vast te leggen was er wel. Bij het meteen in 1945 opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogdocumentatie stroomde na een oproep het documentatiemateriaal binnen.

Die eerste belangstelling ebde snel weg. Mensen hernamen hun leven. Bovendien begon de Koude Oorlog, waardoor de Sovjet-Unie veranderde van bondgenoot in vijand. Voor het binnenlandse communisme gold hetzelfde. Het voormalig verzet raakte net als de samenleving verdeeld in de verdedigers van de parlementaire democratie enerzijds, de communisten anderzijds. Aangezien het westers gezinde front het hele politieke spectrum van sociaal-democraten, liberalen en confessionelen omvatte, bevonden hun tegenspelers zich in een isolement.

Ook de oorlog werd allereerst bezien vanuit de strijd tegen het totalitarisme. Zodoende werden de communisten uit de vereniging van ex-politieke gevangenen gezet en ontzegde minister-president Willem Drees hun het ‘morele recht’ om bevrijdingsdag te vieren. Voor communisten gold in de jaren vijftig en zestig een ambtelijk beroepsverbod.

Hoe begrijpelijk die uitsluiting ook was in het licht van de Goelag, zij ging gepaard met grievende bijverschijnselen. Zo werd vaak beweerd dat de communisten pas in verzet waren gekomen nadat Hitler de Sovjet-Unie was binnengevallen. Dat was zomer 1941. De Februaristaking van 1941 weerlegt die aantijging. Vandaar dat die staking voor de CPN een paradepaardje was. In de stukken rond de oprichting kreeg het museum tot taak de ‘nationale en internationale’ uitstraling van deze staking te tonen.

Tijdens de Koude Oorlog werd de oorlog ook meer dan nu in militaire termen besproken. Hoe kon het Westen zich wapenen tegen de nieuwe bedreiging van zijn vrijheid? Illustratief voor de vermenging van Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog is dat in 1961 de 4 meiherdenking op de Dam werd uitgebreid met de gevallenen in Korea. Dit alles veranderde toen eind jaren zestig de sobere wederopbouwjaren voorbij waren en Nederland een ware mentale omslag doormaakte. Met de groei van de welvaart maakte de flinkheidscultuur van de jaren vijftig plaats voor vrijere omgangsvormen.

De emotie emancipeerde. Je uiten werd belangrijker dan je beheersen; spreken beter dan zwijgen. Door de democratisering ging men voor kennis inzake de oorlog behalve bij deskundigen en politici nu ook te rade bij ooggetuigen.

Tegelijkertijd veranderden de politieke verhoudingen. Nederland ontzuilde. De binnenlandse Koude Oorlog liep ten einde. De PvdA liet haar anti-totalitarisme varen en bepleitte erkenning van de DDR. De CPN kreeg weer zendtijd, studenten lazen weer Marx en Amsterdam kreeg na bijna twintig jaar weer een communistische wethouder. In 1973 trad het meest linkse kabinet aan dat Nederland ooit heeft gekend, het kabinet Den Uyl-Van Agt.

Dit alles balde zich samen in de publieke omgang met de Tweede Wereldoorlog en omgekeerd versterkte de weer oplevende interesse in de oorlog deze grote veranderingen. Een reeks affaires veroorzaakte politieke opwinding: de Drie van Breda (1972); Menten (1976); Aantjes (1978); de Zwarte Weduwe (1986).

In de affaire rond ‘de Drie’ kwamen in één klap alle frustraties van links én rechts over de langdurige overheidsverwaarlozing van oorlogsslachtoffers naar boven. In februari 1972 stelde minister van Justitie Van Agt voor om onze laatste nog vastzittende oorlogsmisdadigers vrij te laten. Zijn voorstel leek parlementaire steun te hebben, maar door massale protesten van oorlogsslachtoffers sloegen de politieke en de publieke opinie om.

Op een hoorzitting maakten vertegenwoordigers van kampcomités, joodse en verzetsorganisaties duidelijk hoeveel mensen nog altijd leden onder nachtmerries, angstaanvallen en een verziekte gezondheid. Dat was een nieuw feit, en het maakte diepe indruk. Even nieuw was dat voor het eerst sedert 1948 communistisch en niet-communistisch verzet gezamenlijk én samen met de joodse slachtoffers protesteerden. De Drie bleven dan ook zitten.

Rond de Drie van Breda kwamen twee essentiële ontwikkelingen aan het licht. Ten eerste kreeg het psychologisch slachtofferschap een nieuwe status: het stigma op psychische klachten nam af. Ten tweede werden de communisten gerehabiliteerd. Die twee ontwikkelingen hangen nauw samen. Zozeer als verzet en slachtoffers verdeeld waren geweest door de Koude-Oorlogsinterpretatie van de oorlog, zozeer werden zij als slachtoffers en belanghebbenden verenigd door de nieuwe, psychiatrische kijk.

In de algehele verlinksing van het wereldbeeld na 1970 vervulde de oorlog een bizarre rol. Verzet was ‘in’ en werd beschouwd als links. Radicale studenten, krakers en ordinaire straatvechters annexeerden de eervolle titel ‘antifascist’ en stelden verzet tegen het nazisme simpelweg gelijk aan verzet tegen het kapitalisme. Het communistisch verzet werd na jarenlange miskenning op een voetstuk geplaatst. Het oranjegezinde verzet leek nooit te hebben bestaan. Joop Wolff maakte zich in de Tweede Kamer tot belangenbehartiger van de oorlogssector. En… de CPN vond dat haar na de jarenlange ontkenning van haar oorlogsoffers wel een museum toekwam. Zo voelden ook anderen dat. Bij wijze van Wiedergutmachung maakten diverse hoofdstedelijke PvdA-prominenten deel uit van het eerste bestuur.

Als gevolg van dit alles was het museum de eerste tien jaar veeleer een ideologische dan een professionele instelling, en bood het bovendien onderkomen aan na de opheffing van hun partij verweesde CPN’ers.

In de jaren vijftig en zestig hadden organisaties van het voormalig verzet samenwerking met de communisten gemeden omdat die de herdenking van de oorlog steevast misbruikten voor actuele politieke doeleinden. Ze koppelden het herdenken van de oorlogsdoden aan protest tegen de West-Duitse herbewapening, de NAVO of de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam. Maar nimmer tegen de Goelag.

In die geest werd ook het Verzetsmuseum gerund. Met de oorlog als alibi streed het museum tegen hedendaagse onderdrukking. Maar die actualisering was selectief. Hoewel uit brieven blijkt dat die selectiviteit donateurs kostte, werd nimmer aandacht besteed aan de vervolging in het Sovjetblok. Evenmin leidden de klachten, al in 1987, van de vrijwilligers over het ‘onverbloemde antisemitisme van de moslimjeugd’ tot een kritische expositie over de islam.

Inmiddels is de sfeer veranderd. Het museum oriënteert zich meer op de wetenschappelijke geschiedschrijving. De exposities beslaan een breed spectrum aan onderwerpen en de samenstellers hebben oog voor bijzondere individuen als Steensma. Het Verzetsmuseum lijkt de ideologie in hoge mate voorbij.

Ideologie staat haaks op kennis. Zonder twijfel heeft ook onze tijd zijn blinde vlekken waarop latere onderzoekers zullen wijzen. Niettemin kunnen we, denk ik, constateren dat het verbeelden van de oorlog de afgelopen jaren de fase van de professionalisering heeft bereikt.

Ik juich dat toe. Intellectuele afstandelijkheid sluit emotionele betrokkenheid niet uit. We kunnen de ellende van oorlog, gevangenschap, bezetting en vervolging alleen in zijn volle complexiteit laten zien als we dat doen met een open, niet-ideologische blik. Een politieke boodschap uit het vertoonde materiaal moet iedere bezoeker maar zelf trekken.


Naar Evenwicht, algemeen uitleg of detail , Psychologie overzicht  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]