Menswetenschappen, regels: regel nul

2010

Regel nul:  Net als alle natuurkundige begrippen zijn ook alle sociologische begrippen relatief. Geen ideologieŽn

VK, 24-04-2010, door Oscar Verkaaik, docent antropologie aan de Universiteit van Amsterdam

Antropologie | Identiteit

De gammacanon (17)

Ieder mens ontwikkelt zijn eigenheid door een serie grote en kleine identiteitscrises.

Tussentitel: De identiteitscrisis is een typisch modern verschijnsel

'Seksuele identiteitsverwarring?', vroeg Erik Erikson zich in 1968 af. 'Ja, inderdaad: van sommige jonge mens en die je op straat ziet lopen, kun je zonder onkies onderzoek niet zeggen of het jongens of meisjes zijn.' De jaren zestig waren de tijd van uniseks, meisjes in broeken en jongens met lang haar. Erikson zag daarin niet alleen de kiem van sociale veranderingen, maar ook van persoonlijke rolverwarring en identiteitscrisis.
    Ruim twintig jaar eerder had hij ook al over identiteitscrises gesproken. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog had hij als psycholoog te maken gekregen met getraumatiseerde militairen.'Zij konden hun oorlogservaringen geen plaats geven in het idee van wie ze waren. Erikson noemde dat het verlies van ego-identiteit.
    Het begrip identiteitscrisis had dus een dubbele betekenis. Het verwees naar pathologie, zoals bij de getraumatiseerde soldaten, maar was ook een fase in de volwassenwording. Ieder mens ontwikkelt een identiteit door een serie kleine en grotere identiteitscrises, die samenhangen met de ontdekking van een steeds groter wordende wereld. In onze ontwikkeling van kind tot volwassene merken we dat de wereld om ons heen groter is dan we dachten, en steeds bepalen we ons opnieuw tot die expanderende realiteit. Zo ontstaat een idee van wie we zijn.
    Beide vormen van identiteitscrisis stonden voor Erikson niet los van elkaar. In een boek over Maarten Luther werkte hij de gedachte uit dat diens identiteitscrisis een spiegel was van de veranderingen in zijn tijd. Hoe verwarrender de tijden, des te sterker de persoonlijke crisis. Erikson noemde identiteit dan ook een psychisch-historisch begrip. persoonlijke ontwikkeling en de geschiedenis komen er samen. Vandaar dat de identiteitscrises van jongeren in de jaren zestig heftig waren.
    Erikson dacht dus eerst over identiteitscrisis na, en toen pas over identiteit. Anders dan in het dagelijks spraakgebruik is identiteit in de sociale wetenschappen geen onveranderlijk en vanzelfsprekend gegeven. Identiteit duidt op een sociaal gevormde plaatsbepaling in de omringende leefwereld.
    De antropoloog Gerd Baumann onderscheidde drie manieren van identiteitsvorming. De eerste is die van voetbalsupporters. Als Ajax tegen Feyenoord speelt, identificeren de Ajax-supporters zich uiteraard met Ajax. Maar als Oranje tegen Duitsland speelt, identificeren Ajax- en Feyenoord-supporters zich gezamenlijk met het Nederlands elftal. Hier is identiteit veranderlijk en afhankelijk van de situatie.
    Bij de tweede manier is de eigen identiteit het contrast met de toegeschreven identiteit van een ander. Zo kan nuchterheid een kenmerk van de Nederlandse nationale identiteit genoemd worden, omdat Nederlanders aan andere, omringende naties passie en fanatisme toeschrijven. In deze logica is identiteit vooral een kwestie van veronderstelde tegenstellingen: ik ben niet wat de ander wel is.
    De derde variant is die van Thomas van Aquino, die het niet kon verkroppen dat Plato in de hel brandde, alleen omdat hij leefde voor Christus. 'De menselijke ziel is van nature christelijk', zei hij - de Griekse heidenen waren christelijk geweest zonder het zelf te weten. Hier is de ander een kopie van het zelf. Zo hoorde je in de hoogtijdagen van de homo-emancipatie dat
in elk mens een hmooseksueel schuilt.
    Al deze inzichten keren zich tegen de boerenwijsheid dat identiteit verwijst naar het allerpersoonlijkste en zich onttrekt aan de invloeden van de sociale wereld. Het verlangen naar persoonlijke authenticiteit hangt echter samen met de druk tot maatschappelijke aanpassing, die ook aan het begrip identiteit kleeft.
    Socioloog Norbert Elias en filosoof Michel Foucault zagen de nauwe vervlechting van het persoonlijke met het sociale als een kenmerk van de moderne samenleving. Door de toenemende macht van de staat en de opkomst van massamedia is het moderne individu in hoge mate aangepast. Juist die double bind van individualisme en aanpassing veroorzaakt de identiteitscrisis, stelde antropologe Margaret Mead. Voor haar was de identiteitscrisis, waar het denken over identiteit mee begon, typisch een modern verschijnsel.


Naar Menswetenschappen, huidig , Wetenschap lijst , Wetenschap overzicht , of site home

[an error occurred while processing this directive]