De Volkskrant, 14-09-2013, door Maarten Keulemans 2010

Protest | Geen joelende menigtes, wel een actiepiek

Waar blijft u nou?


Bezuinigingen, inkomens- ongelijkheid, werkloosheid: waar blijven de demonstraties? Sociologe Jacquelien van Stekelenburg legt dat uit aan de hand van vijf clichés.


1  We zijn kennelijk te tevreden om te demonstreren.
Niet per se


Twintig jaar geleden liepen we met zijn half miljoenen te hoop tegen kruisraketten. Maar terwijl het kabinet ons de duimschroeven nog een slagje strakker draait, mag je tegenwoordig al blij zijn als je twee kippen en een damhert op het Malieveld krijgt. En een lage opkomst betekent vast dat iedereen het wel best vindt zo, grinnikt het Haagse schoelje dan al snel.

Een hardnekkig misverstand, weet Jacquelien van Stekelenburg, want demonstraties vormen lang niet altijd een goede afspiegeling van onvrede. Volgens recente cijfers vindt 74 tot 80 procent dat er veranderingen nodig zijn in de financiële sector en sympathiseerde 70 tot 80 procent met de doelstellingen van de Occupy-beweging. 'Voor politici die willen weten wat er leeft bij de mensen', zegt Van Stekelenburg, 'is Maurice de Hond een belangrijker graadmeter dan de opkomst bij een demonstratie.'

Om mensen de straat op te krijgen is meer nodig dan onvrede alleen. Goede organisatoren bijvoorbeeld. 'Zie het als vraag en aanbod. Aan de vraagzijde heb je de mensen die ontevreden zijn: nou moet ik opeens tot mijn 67ste werken. Daarnaast heb je de aanbodkant: de organisatoren. Die moeten een soort weefwerkje maken dat van de organisatoren naar de potentiële deelnemers loopt, de mensen van wie je verwacht dat ze de straat opgaan. Ze moeten zorgen dat er genoeg prikkels zijn. Dat er bussen of treinkaartjes worden geregeld voor mensen die van ver komen, dat er een goede band speelt en er inspirerende sprekers zijn. Alles moet de kant op wijzen van: hier moet je bij zijn geweest.'

En dan nog is men er niet. De achterban moet ook weten dat er een demonstratie ís. Dat wordt dus posteren, flyeren, de media halen. Hoe het kan misgaan, zag Van Stekelenburg toen ze tien jaar geleden de Nederlandse kant bestudeerde van de internationale demonstraties tegen de Irak-oorlog. 'Alles was op zijn plek om grote aantallen mensen de straat op te krijgen. De regering had een diffuus standpunt, en er was een hele coalitie van organisatoren. Maar het ging stroef. Eerst kreeg men ruzie of een demonstratie wel het juiste middel was, vervolgens werden ze het niet eens over de slogan. Uiteindelijk verschenen de eerste krantenberichten dat er een demonstratie kwam pas zes dagen tevoren.' Gevolg: in Spanje kreeg men 200 duizend man op de been, in Nederland - eigenlijk nog best knap - 70 duizend.

2
In Frankrijk, Duitsland en Spanje, dáár demonstreren ze er pas op los.
Ja en nee
Toen Van Stekelenburg in 2008 een internationaal onderzoek begon naar sociaal protest, had in Frankrijk 40 procent van een groep ondervraagden het jaar daarvoor weleens gedemonstreerd. In Nederland was dat 7 procent.

Heethoofdige Fransen, tevreden Nederlanders? Verre van dat, zegt Van Stekelenburg. 'Ook in ons land mopperen we wat af. Alleen kijken we hier, als we ergens gegriefd over zijn, eerst om ons heen of er niet ergens een organisatie is die ons belang kan behartigen. Als mensen bijvoorbeeld bang zijn voor ontslag, worden ze eerst lid van de vakbond. In Frankrijk ligt dat anders. De bonden zijn er wel hartstikke sterk, maar je hebt minder overleg dan bij ons. Dus als de vakbonden daar een vuist willen maken, organiseren ze een demonstratie.'

Vorig jaar onderzocht Van Stekelenburg een internationale demonstratie die in ons land nooit plaatsvond (in het buitenland wel): International Climate Day in december 2012. 'Ik ben gaan rondbellen naar de usual suspects - Greenpeace en zo - maar steeds kreeg ik te horen: ach, we vragen al zoveel van onze achterban, we kunnen ze toch niet steeds mobiliseren?'

Chequeboekmobilisatie, heet dat: 'Onze donateurs hebben centjes gestort, daarna gaan wij uw belang behartigen in Brussel en Den Haag, daar zijn we goed in.'

Zo wordt heel wat onvrede gedempt, op de drassige Hollandse bodem. Tot en met Geert Wilders aan toe: sociologen wijzen erop dat de aanwezigheid van populistische partijen in het parlement gevoelens van frustratie en woede kanaliseert. 'Nederland is een polderland, een heleboel belangen zijn hier organisatorisch geregeld. Pas als het écht niet lukt, krijg je demonstraties.'

3
Vroeger gingen we nog met zijn honderdduizenden de straat op.
Niet helemaal waar
In 1983 demonstreerden 550 duizend Nederlanders tegen de kruisraketten, in 1991 kwamen 250 duizend mensen op de been tegen de WAO-kortingen, in 2009 kregen de bonden bij een betoging tegen de geplande verhoging van de AOW-leeftijd slechts 5.000 man op de been. Je hoeft geen wiskundige te zijn om te zien: het worden er steeds minder.

Maar schijn bedriegt. Hoe massaler een demonstratie, des te groter de kans dat meerdere groeperingen elkaar 'toevallig' hebben gevonden. Ook achter de Nederlandse superdemonstraties gaat in de regel een gelegenheidscoalitie schuil. Zo bestond het Komitee Kruisraketten Nee behalve uit het IKV uit nog eens negen organisaties, waaronder vijf politieke partijen en vakbond FNV.

Van Stekelenburgs collega Bert Klandermans onderzocht hoe het in zijn werk ging: 'Het IKV kon een prachtige, enorme coalitie neerzetten. En ze waren al een tijd bezig: er was in 1981 al een grote demonstratie, en er waren meerdere petities geweest. Dus de mobilising structure was enorm, de coalitie was heel groot en ze waren gewend samen te werken. Ze konden bij wijze van spreken het draaiboek zo uit de kast trekken. Vervolgens gingen ze op plaatselijk niveau organiseren, van deur tot deur: gaat u ook mee? Bus die en die staat daar en daar, op zaterdag verwachten we u op die plek.'

Het is uiteraard niet uitgesloten dat er nog eens zo'n coalitie opstaat. Nog in 2004 kregen de vakbonden 300 duizend mensen op de been om onder het motto Nederland Verdient Beter te demonstreren tegen Balkenende II. Ook daarachter zat een min of meer toevallig tot stand gekomen gelegenheidscoalitie, tussen belangenplatform Keer Het Tij en de vakbonden dit keer. 'Je kreeg de bijzondere situatie dat mensen op dezelfde dag onder één gezamenlijke slogan om heel verschillende redenen de straat op gingen.'

4
Maar toch, er zijn sowieso minder demonstraties dan vroeger.
Niet waar
Blip... blip... blip-blip... blipblipblipblip-bliep!

Op een interactieve kaart - we hebben hem voor u op Vonks redactieblog gezet - heeft politicoloog John Beieler alle demonstraties uitgezet die van 1979 tot 2012 werden opgepikt door de media. Dat geeft slechts een indicatie, maar toch: naarmate je dichter bij het heden komt, licht de kaart steeds vaker op. Na 2008 lijkt de wereld te ontploffen van de betogingen, en dat blijkt ook uit andere cijfers: in de achttien rijkste landen schoot het aantal demonstraties na 2009 opeens omhoog naar het hoogste niveau sinds eind jaren zestig.

Hoe dat precies in ons land zit, is lastig te beoordelen. Volgens de jaarcijfers van de Tweede Kamer steeg het aantal demonstraties op het Binnenhof met het uitbreken van de crisis van zo'n 200 per jaar tot 250 à 300 tegenwoordig. En toen Van Stekelenburg in internationaal verband demonstraties ging onderzoeken, kwam zij van alle deelnemende landen in Nederland het eerst aan het benodigde aantal van twaalf te bezoeken betogingen.

En: het is maar net wat je demonstreren noemt. Met de komst van internet werd het makkelijker om mensen te mobiliseren, maar ook om te demonstreren zónder de straat op te gaan. Op de in 2005 opgerichte handtekeningenwebsite petities.nl bijvoorbeeld staan inmiddels 57 petities met meer dan 10 duizend ondertekenaars, en vijf met meer dan 100 duizend steunbetuigingen. Het aantal petities dat bij Tweede Kamerleden wordt ingediend, is al jaren min of meer stabiel: zo'n 120 per jaar.

Zo wordt er, ook zonder joelende menigtes in malle hesjes, heel wat af gedemonstreerd. Want petities rondsturen, een Facebookpagina opzetten, een ingezonden brief naar de krant sturen, de gemeenteraad mailen - voor onderzoekers als Van Stekelenburg valt veel ervan onder de noemer 'sociaal protest'.

In de nieuwbouwwijk Leidsche Rijn volgden Van Stekelenburg en collega's in detail hoe dat in zijn werk gaat, toen een buurt in het geweer kwam tegen de voorgenomen komst van een moskee. 'Een van de bewoners bleek in de gemeenteraad te zitten. Die heeft de omwonenden geleerd: dit moet je doen, dat moet je aanvragen. Zodoende kwam er onder meer een petitie, waarmee ze naar de gemeenteraad zijn gegaan.' De moskee is er nooit gekomen.

5
Demonstranten zijn vooral uit op eigenbelang.
Niet waar
Ooit was demonstreren gewoon een zaak van materialisme: het volk had honger, wilde meer loon, eiste andere leiders. Na de Tweede Wereldoorlog werden de motieven om de straat op te gaan minder tastbaar en 'postmaterialistisch' zoals dat heet: emancipatie voor vrouwen, erkenning voor homo's, weg met de kernwapens en trouwens, Free Nelson Mandela.

En nu? Van Stekelenburg verwachtte een terugkeer naar meer tastbare thema's. Maar verrassend genoeg pakte dat toch wat anders uit. Er zijn wel meer demonstraties om geld, werk en nieuwe leiders, maar vaak blijken de demonstranten bezwangerd met bevlogen idealen. Weg met de graaicultuur!

'Het verbaasde ons echt', zegt Van Stekelenburg, die momenteel tachtig Europese betogingen analyseert. 'Zelfs bij demonstraties over instrumentele zaken als lonen en werk zien we veel mensen met een zwaar ideologisch motief. Ze zijn het ergens niet mee eens dat indruist tegen hun normen en waarden, en daarom gaan ze de straat op.'

Een mogelijke verklaring, van de Antwerpse politicoloog Stefaan Walgrave, is dat er sprake is van zogeheten 'new emotional movements': een neiging om collectief vorm te geven aan emoties. Denk aan de witte mars in Brussel (1996) of de stille tochten die dikwijls volgen op een moord.

Maar Van Stekelenburg weet het zo net nog niet. 'Mijn eigen duiding is nog een beetje warrig', zegt ze. 'Misschien is dit wat je krijgt als mensen worden losgetrokken uit hun zuilen, terwijl de buitenwereld door globalisering en internet verder weg lijkt dan ooit. En dan de crisis er nog overheen. Ik denk dat we veel frustratie zien. Je bent niet zeker van je baan, moet maar afwachten wat er van je kinderen wordt en tegelijk zit je, als er wat aan de hand is, niet meer in die vaste zuilen en structuren. Dat kon weleens de dynamiek geven die we nu zien. De afgelopen tijd zijn het de hoopvollen geweest die de straat op gingen, in plaats van de gefrustreerden.'

En dan zijn er de Zuid-Europese landen, waar de crisis het hardst toeslaat. 'De politieke participatie van vooral jongeren is enorm achteruitgegaan. Dat roept de vraag op: wat gaan ze doen, nu het toch wel heel erg wordt? Blijven ze apathisch of zijn ze bereid de straat op te gaan? Het is gruwelijk als 60 procent van je groep werkloos is, je bent zelf werkloos, je moet bij je ouders blijven wonen, en je vooruitzichten zijn ook shit. Ik denk dat je een groep krijgt die het niet langer pikt en die vanuit die apathie naar actie toezwaait. Dat zouden weleens de meest radicale en gewelddadige protesten kunnen zijn.'


Red.:
  


Naar Vrijheid van meningsuiting , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]