De Volkskrant, 08-01-2011, door Geertje Dekkers .2010

Pijnlijke banden met God

Religieuzen disciplineerden vanouds lichaam en geest. In milde vormen bestaat die versterving nog.

Hebzucht, lust, vraatzucht en andere zonden bedreigen het zieleheil van katholieken. Goede gelovigen, en vooral religieuzen in kloosters, weren zich daartegen. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren zij daarin bijzonder streng voor zichzelf. Godsdienstwetenschapper Emke Bosgraaf beschrijft in zijn boek Gebroken wil, verstorven vlees, dat op 11 januari verschijnt, hoe bewoners van kloosters in die tijd hun lichaam disciplineerden - door zelfgeseling bijvoorbeeld, door vasten of door weinig te slapen - en hoe ze hun geest onder controle brachten - bijvoorbeeld door lange perioden te zwijgen of door vernederingen te ondergaan. Zo moesten ze de voeten van andere kloosterlingen kussen of bij hen bedelen om eten.

Nieuwkomers in het klooster, novicen, hadden het wat dat betreft het zwaarst, zegt Bosgraaf: 'Het noviciaat was erop gericht de wil van de toekomstige kloosterlingen te breken. Zij moesten leren absoluut gehoorzaam te zijn en geen kritiek te hebben, ook niet als ze onredelijke straffen kregen of onzinnige taken moesten uitvoeren.' Zo kreeg een groep novicen de taak de paden van hun kloostertuin aan te harken. De volgende dag bleek hun leider de bladeren weer terug geharkt te hebben. Hij verwachtte dat de novicen zonder klagen opnieuw aan het werk zouden gaan.

In dit geval had hij zich vergist: er brak een kleine opstand uit en de novicen dwongen hun meester te beloven dat hij zoiets niet weer zou doen. Dit voorval deed zich dan ook voor rond 1965, toen er steeds meer kritiek kwam op dergelijke praktijken.

Sindsdien is de versterving een veel kleinere rol gaan spelen in het kloosterleven, al bestaat het nog in mildere vormen. Zo vertelt een zuster dominicanes in Bosgraafs boek dat ze nooit zout op haar eten doet omdat ze vindt dat ze niet te veel van voedsel mag genieten.

Gebroken wil, verstorven vlees is een bewerking van Bosgraafs proefschrift, waarop hij in oktober 2009 promoveerde in Groningen en waarvoor hij (oud-)kloosterlingen interviewde over hoe zij de versterving hadden ondergaan. De meesten van hen wisten voordat ze het klooster in gingen niet dat versterving nog gebruikelijk was. Bosgraaf: 'Een pater franciscaan vertelde me dat hij schrok toen hij bij aankomst een geselkoord van zijn voorganger in zijn kamer zag hangen. Hij had niet verwacht dat zoiets nog bestond.'

Psychische versterving
Overigens was de praktijk van het zelfgeselen minder gewelddadig dan het woord suggereert. 'De leiding zag er streng op toe dat kloosterlingen niet te ver gingen en zichzelf niet echt verwondden', zegt Bosgraaf: 'Want sinds de Middeleeuwen was bekend dat sommigen daar juist van konden genieten, op een masochistische manier. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.' Bij zelfgeseling, en ook bij het dragen van de zogenoemde boeteketting, waarvan het metaal in een arm of been drukte, ging het om het verdragen van lichamelijk ongemak, niet om extreme pijnen.

De lichamelijke versterving was ook niet het zwaarst, constateert Bosgraaf. 'Het breken van de wil, de psychische versterving, was het ergst. Zo moesten religieuzen in (semi)contemplatieve orden alle contacten met hun familie verbreken. Dat hoorde bij het afscheid nemen van het oude, wereldse ik. Ook als religieuzen wisten dat hun ouders op sterven lagen - als ze dat al te horen kregen - mochten ze daar vaak niet naar toe. Sommige oversten gaven dispensatie, zodat iemand 48 uur naar zijn familie kon om afscheid te nemen. Maar dat gebeurde lang niet altijd. Dat heeft op mij grote indruk gemaakt.'

Voor novicen betekende de geestelijke versterving vooral dat ze strenge straffen kregen. In Bosgraafs boek vertelt een trappistin dat ze telkens als ze een fout maakte in de uitspraak van Latijnse gebeden, met haar knokkels de vloer moest aanraken voor ze verder mocht gaan. Anderen moesten openlijk boete doen voor een gebroken kopje. En een dominicanes moest voor straf in de naaikamer gaan werken toen ze had gelachen omdat een medenovice per ongeluk van haar stoel viel. Dat ervoer ze als een buitengewone degradatie. Het hoorde allemaal bij het aanleren van nederigheid en gehoorzaamheid.

Vooral vrouwen hadden sterk te lijden onder de geestelijke versterving, stelt Bosgraaf: 'In zustergemeenschappen werd nog strikter de hand gehouden aan gehoorzaamheid dan bij de mannen, omdat vrouwen meer geneigd zouden zijn tot het kwaad. Volgens mij heeft dat bij veel vrouwen diepe sporen nagelaten. Je zou kunnen zeggen dat hier sprake was van psychisch geweld.'

Kinderen
In het jaar na Bosgraafs promotie kwam grootschalig seksueel misbruik door katholieke geestelijken volop in het nieuws. Hij voegde daarom een epiloog aan zijn boek toe, over het verband tussen deze misstanden en verstervingspraktijken: 'Ik vind dat de commissie-Deetman, die het seksueel misbruik onderzoekt, ook aandacht zou moeten besteden aan geestelijke mishandeling. Nu gaat de aandacht vooral uit naar mannelijke slachtoffers - en daders. Vrouwen werden minder vaak seksueel misbruikt maar ook zij hebben zwaar geleden.'

Het ging volgens Bosgraaf vooral fout als versterving aan kinderen werd opgelegd, op scholen waar religieuzen voor de klas stonden. Hij vermoedt dat onredelijke straffen en vernederingen, ooit bedacht voor novicen en volwassenen, de nodige kinderen hebben getraumatiseerd, vooral meisjes.

Er is wel een belangrijk verschil met het seksuele misbruik, merkt Bosgraaf op: 'Binnen de katholieke theologie werd geestelijk misbruik niet erkend als zonde of overtreding, want het paste binnen de toenmalige theologische kaders van versterving. Het is daarom misschien nog veel moeilijker om te begrijpen wat hier is misgegaan dan bij seksueel misbruik. De psychische misstanden die voor kinderen heel duidelijk voelbaar waren, zijn nu nog steeds lastig te benoemen.'

Daarnaast wijst Bosgraaf op een verband tussen het seksuele misbruik en de versterving in kloosters. Vaak wordt het celibaat als enige schuldige aangewezen maar Bosgraaf denkt dat er meer aan de hand was. Hij wijst op godsdienstpsycholoog en theoloog Ruard Ganzevoort die stelt dat misbruik voortkwam uit gebrek aan intimiteit. Kloosterlingen mochten geen betekenisvolle relaties aangaan, ook geen hechte vriendschappen. Daardoor leerden ze niet gevoelens te delen en zo kon het 'heel erg misgaan', aldus Ganzevoort.

Bovendien leerden geestelijken af om kritisch te zijn, benadrukt Bosgraaf. Vandaar wellicht het grote stilzwijgen rondom het misbruik: 'Ik vermoed dat het feit dat iedereen zijn mond hield, te maken kon hebben met de versterving van de geest. Kritiek op anderen kon wijzen op een opstandige wil en dat hoorde niet bij een goed religieus.'


Emke Bosgraaf: Gebroken, wil, verstorven vlees. Over versterving in het Nederlands kloosterleven, Bert Bakker; 344 p.; 29,95 ISBN 978 90 351 3595 6.


Tussenstuk:
CV Emke Bosgraaf

1980 Geboren in Drachtstercompagnie
1998-2004 Studie theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen
2005-2009 Promotieonderzoek naar versterving in het Nederlandse kloosterleven rond 1950; faculteit theologie en godsdienstwetenschap, Rijksuniversiteit Groningen (cum laude)
2009-2010 Docent en onderzoeker, faculteit theologie en godsdienstwetenschap, Rijksuniversiteit Groningen
2010-heden Freelance onderzoeker


Naar Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]