De Volkskrant, 09-04-2011, door Peter Giesen .2010

Schuilt in ieder mens een Adolf Eichmann?

Het proces tegen Adolf Eichmann trok in 1961 vele schrijvers naar Jeruzalem. Onder wie Hannah Arendt en Harry Mulisch, die in de organisator van de Holocaust een doodnormale dienstklopper zagen. Maar Eichmann was eerder aanhanger van een moorddadige ideologie dan een radertje in een totalitair systeem.

Tussentitel: Arendts 'banaliteit van het kwaad' ging al snel een eigen leven leiden

Pas in de laatste zin van het laatste hoofdstuk formuleert Hannah Arendt de beroemde woorden. De les van het proces tegen Adolf Eichmann, schreef ze, is 'de verschrikkelijke banaliteit van het kwaad, die woorden en gedachten te boven gaat'. De banaliteit van het kwaad werd een gevleugelde frase, eindeloos herhaald en ook misbruikt op een manier die Arendt nooit bedoeld heeft.

Op 11 april is het vijftig jaar geleden dat in Jeruzalem het proces begon tegen Eichmann, oud-SS'er en belangrijk organisator van de holocaust. Destijds was het een mediagebeurtenis van de eerste orde, gevolgd door meer dan 700 journalisten, niet alleen professionele verslaggevers, maar ook schrijvers en filosofen. Arendt deed verslag voor The New Yorker, Harry Mulisch voor Elsevier's Weekblad.

In de naoorlogse periode werden nazi's aanvankelijk gezien als duivelse lustmoordenaars. Eichmann bleek echter een doodgewoon mannetje, een boekhouder die vertelde dat hij slechts zijn plicht had gedaan en bevelen van hogerhand had opgevolgd. Het proces bracht een baanbrekend inzicht: grote misdaden worden niet altijd gepleegd door demonische criminelen, maar juist door heel gewone mensen, kleine krabbelaars en gedachtenloze carrièrejagers in dienst van een misdadig systeem. Hannah Arendt verwoordde dit inzicht het fraaist met haar 'banaliteit van het kwaad'.

Ze werkte haar verslagen uit tot het boek Eichmann in Jerusalem, oorspronkelijk verschenen in 1963. Het is altijd een omstreden boek geweest. Bij publicatie wekte het de woede van Joodse intellectuelen, die vonden dat Arendt Eichmann te veel verontschuldigde. Later stelden historici dat haar portret van Eichmann helemaal niet klopte. Hij was geen gedachtenloze uitvoerder van bevelen, maar een ijverige antisemiet, die de Joden als de vijand van het Duitse volk beschouwde. Arendt had zich laten misleiden door Eichmanns verschijning in de rechtbank. Ontdaan van zijn macht oogde hij flets en onbeduidend, maar, zoals een van de getuigen opmerkte, 'je had hem moeten zien in zijn SS-uniform'. Niettemin is Arendts gedachte overeind gebleven. Met de 'banaliteit van het kwaad' is het zoals met veel goede ideeën. Je kunt er het nodige op afdingen, maar er schuilt een diepe waarheid in.

Voor Arendt was Eichmann in Jerusalem een vorm van therapie, schreef ze aan haar vriendin Mary McCarthy, voor de pijn die ze voelde als Jodin, die Duitsland in 1933 was ontvlucht. In 1951 had ze On The Origins of Totalitarianism geschreven, ook al een poging om mentaal greep te krijgen op de recente geschiedenis. Volgens Arendt zette het totalitarisme de wereld op haar kop. Het kwaad werd tot wet verheven, het goede verboden. Een goede Duitser moest meewerken aan de Holocaust, het helpen van Joden was een misdaad. In deze omgekeerde wereld besefte Eichmann niet dat hij kwaad deed, aldus Arendt.

Eichmann voelde zichzelf geen innere Schweinehund, geen sadist die voor zijn plezier op Jodenjacht ging. Hij kreeg een slecht geweten als hij niet deed wat hem werd opgedragen. Eichmann was niet boosaardig, maar 'gedachtenloos' en kon zich niet in anderen verplaatsen. Die houding - en vooral de weigering om zelf na te denken - kon 'meer onheil aanrichten dan alle boze driften die het mensenhart eigen zijn', schreef Arendt.

In Eichmann in Jerusalem komt ook Harry Mulisch een paar keer voor, 'als een Nederlandse verslaggever die in menig opzicht tot dezelfde conclusies kwam'. In Mulisch' boek over het proces, De zaak 40/61, is de banaliteit van het kwaad inderdaad een centraal thema, zonder dat de term zelf wordt gebruikt. Ook bij Mulisch is Eichmann een man die gedachtenloos bevelen uitvoert: 'Als in dezelfde jaren niet Adolf Hitler, maar Albert Schweitzer rijkskanselier was geweest, en Eichmann bevel had gekregen om alle zieke negers naar moderne hospitalen te vervoeren, dan had hij het zonder mankeren uitgevoerd', schreef Mulisch, 'met het zelfde genoegen in zijn eigen stiptheid als bij het werk, dat hij nu achter de rug heeft.'

Toch is er een groot verschil tussen beide boeken. Arendt benadrukte dat haar conclusies uitsluitend van toepassing waren op de zaak-Eichmann. In Jeruzalem stond één bepaalde persoon terecht, schrijft ze, niet 'het' antisemitisme, 'het' Duitse volk of zelfs 'de' mens. Zij verzette zich ook expliciet tegen de gedachte dat in ieder mens een Eichmann schuilt. De conclusies die uit het proces worden getrokken, kunnen niet worden toegepast op de hele mensheid, vond Arendt.

Dat was precies wat Harry Mulisch deed. Bij Mulisch werd Eichmann het 'prototype van de hedendaagse mens', die vervreemd was van het leven op aarde. De zaak 40/61 was een voorafschaduwing van de jaren zestig, waarin tegen alle gezag werd gerebelleerd, vaak onder verwijzing naar de oorlog. 'Deze uitermate bruikbare, volstrekt oncorrupte, levensgevaarlijke man is het nauwkeurige tegendeel van de 'rebel', schreef Mulisch. Hij is een machine die bevelen uitvoert. Zo lopen er miljoenen rond, die zonder gewetenswroeging in staat zijn om atoombommen af te gooien en vijanden te martelen, als de autoriteiten daarom vragen. Mulisch: 'Wij moeten niet blijven letten op misdadigers, wij moeten blijven letten op doodgewone mensen. Wij moeten op de spiegel blijven letten.' Het werd een favoriet motief in de jaren zestig. Het gevaar schuilt juist in de brave, gehoorzame burger. Kortom, in ieder mens zit een Eichmann.

Deze gedachte werd in de jaren zestig nog eens ondersteund door een - overigens omstreden - psychologisch experiment van Stanley Milgram, waarbij proefpersonen bereid bleken anderen een 'dodelijke' elektrische schok toe te dienen als een autoriteit daartoe opdracht gaf. Ook Milgram verwees naar Hannah Arendt.

Dit gehele bouwwerk was echter gebaseerd op een portret van Eichmann dat helemaal niet met de werkelijkheid overeenkwam, schreef de Britse historicus David Cesarani in zijn biografie van Eichmann uit 2004. In de jaren dertig schreef Eichmann al antisemitische geschriften. Eind februari 1945 zei hij tegen zijn medewerkers dat hij lachend in zijn graf zou springen, want de gedachte vijf miljoen personen op zijn geweten te hebben, was voor hem een bron van buitengewone voldoening. Arendt en Mulisch deden deze uitspraak af als opschepperij, maar ook tijdens zijn naoorlogse Argentijnse ballingschap toonde Eichmann zich een verstokte nazi. Toen SS-leider Himmler in het zicht van de nederlaag de deportatie van Joden wilde stopzetten, ging Eichmann gewoon door. Volgens Mulisch omdat hij een mystieke betekenis toekende aan het bevel van de Führer, die boven Himmler stond. Maar als dat klopt, was Eichmann toch eerder ideologisch gelovige dan kleurloze bureaucraat.

Cesarani heeft geen goed woord over voor Arendt, die hij selectief gebruik van bronnen verwijt. Toch blijft Eichmann ook in zijn biografie een ongrijpbare figuur, inconsistent in gedrag en uitspraken. Vlak voordat hij zich in 1932 bij de SS meldde, wilde hij lid worden van een vrijmetselaarsloge, die later door de nazi's verboden werd. Hij was aanvankelijk specialist in de emigratie van Joden en deinsde terug voor hun fysieke liquidatie. Ook was hij niet bestand tegen de aanblik van de gaskamers en de massa-executies in Oost-Europa. Toch werkte hij uiteindelijk gewoon mee aan de Holocaust, als de bureaumoordenaar die zijn slachtoffers afleverde bij het slachthuis, zonder ze zelf te doden. Maar hoe mistig Cesarani's Eichmannbeeld ook blijft, één ding is duidelijk: hij was eerder aanhanger van een moorddadige ideologie dan een gedachtenloos radertje in een totalitair systeem.

Arendt legde sterk de nadruk op de perverterende werking van het totalitarisme - begrijpelijk voor iemand die leefde in een tijd waarin nationaal-socialistische en communistische staten hun massamoorden pleegden. Maar sinds Joegoslavië en Rwanda weten we dat er helemaal geen totalitair systeem - zelfs geen moderne staat - nodig is om een genocide te ontketenen. Belangrijker dan het systeem is een ideologie die tegenstanders ontmenselijkt.

Zo is de banaliteit van het kwaad gebaseerd op een onjuist, op zijn minst zeer eenzijdig portret van Eichmann. Arendt zelf verzette zich tegen het gebruik van de term buiten de context van het proces in Jeruzalem. Zij kon echter niet verhinderen dat de banaliteit van het kwaad al snel een eigen leven ging leiden. Dat is niet vreemd: deels onbedoeld heeft Hannah Arendt een ijzersterke formulering gevonden voor een inzicht dat steeds opnieuw wordt bevestigd. Telkens weer blijken de daders van onvoorstelbaar geweld geen demonische sadisten, maar gewone mensen, zoals de kapers van 11 september 2001 of de daders van de aanslagen in Londen in 2005. Het is onzin dat in elk mens een Eichmann schuilt. Maar als ze genoeg worden beïnvloed door een gewelddadige ideologie kunnen doodnormale mensen zich ontpoppen tot massamoordenaars.


Eichmann in Jeruzalem. De banaliteit van het kwaad van Hannah Arendt is alleen tweedehands verkrijgbaar. Nieuw leverbaar onder de titel Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil.
De zaak 40/61 van Harry Mulisch is opnieuw verschenen de Bezige Bij.
Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani is alleen tweedehands verkrijgbaar. Nieuw leverbaar onder de titel Eichmann: His Life and Crimes.



Naar Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]