De Volkskrant, 30-12-2005, interview door Gijs Zandbergen

'Ik denk nog vaak: sodemieter toch op'

Max Pam werd in 2002 geveld door een hersenbloeding, maar maakte een 'wonderbaarlijke wederopstanding' door. Hij is bezig met een boek over Theo van Gogh en met een literaire novelle. Deze maand verscheen De armen van de inktvis, een selectie uit dertig jaar journalistiek werk.


Oud-hoofdredacteur Martin van Amerongen van De Groene Amsterdammer zei eens over Max Pam dat die nog te lui was om Oblomov te lezen. Pam: 'Daar had hij wel een beetje gelijk in. Tot mijn dertigste, zeg tot mijn vijfendertigste, heb ik vaak kerngezond tot 's ochtends elf uur in bed gelegen. Dat is een schakerskwaal. Schakers zijn over het algemeen lui, die liggen lang op bed en doen niks dan uitrusten om eens in de zoveel tijd een partij van een paar uur te spelen.

'Ik kijk er nu wel met spijt op terug. Tegenwoordig ben ik eigenlijk dag en nacht aan het werk. 's Ochtends om negen uur zit ik in mijn werkkamer. Voltaire, die op het laatst van zijn leven ook niet meer te houden was, heeft eens gezegd dat werken, werken, werken de enige manier is om je tegen de dood teweer te stellen.'

Dat straffe werkschema moest Pam in 2002 noodgedwongen loslaten: 'Toen lag ik ook in bed, maar dan door een hersenbloeding, en het was nog maar de vraag of ik er nog uit zou komen. Mijn vrouw en ik hebben serieus overlegd wat te doen als zij met een onmachtige man verder zou moeten leven. Opbergen in een verzorgingstehuis. We begrepen dat we dit huis moesten verkopen als het mij niet zou lukken terug te komen. Daarvoor hebben we twee tot vier jaar uitgetrokken. Er was geen enkele garantie.

'Daarom ben ik ook trots op De armen van de inktvis. En op Het ravijn, dat aan de achtste druk toe is en ook is verfilmd. Volgend jaar staat er een boek over Theo van Gogh en Nederland op stapel, naast een literaire novelle. Ik noem het maar de wonderbaarlijke wederopstanding, uit een positie die ernstiger was dan ik ooit had meegemaakt.

'Als freelancer was ik er wel aan gewend geraakt om periodiek in of uit de gratie te zijn. Freelancer zijn is een bestaan zonder levensloopregeling of pensioen. De enige zekerheid is dat je vaak wordt vernederd door de boven ons gestelden, meestal niet het meest fatsoenlijke deel der natie. Bij reorganisaties, geldgebrek of andere luimen ben je de eerste die eruit vliegt. Ik was net een beetje van die hersenbloeding opgekrabbeld toen NRC Handelsblad me eruit gooide. Ik was nog erg fragiel, kon nog elk ogenblik omvallen, maar dat weerhield de hoofdredacteur er niet van mij in een gesprek van 45 seconden de bons te geven. Terwijl ik toch meer dan 25 jaar voor die krant had gewerkt.

'Ik wist overigens wel dat het zou gebeuren. Ik had al een paar keer een conflict met hem gehad. Eerst over mijn digitale rechten. Als ik die niet afstond, moest ik er rekening mee houden dat ik mijn column zou kwijtraken. Later toen ik op de achterpagina een ironisch stukje schreef over het voornemen om de stukjes op de achterpagina in te korten tot kleuterniveau, kreeg ik meteen een razende brief van de hoofdredacteur en een zwetende adjunct aan de voordeur. Het tijdstip - nog niet echt hersteld van mijn ziekte - en de manier waarop vond ik alleen very low. Nee, hij heeft na die 45 seconden ook niets meer van zich laten horen.'

Ressentiment jegens zijn voormalige werkgever speelt geen rol in De armen van de inktvis, een bloemlezing van Pams verhalen, columns, recensies en interviews uit de afgelopen dertig jaar.

'Ik heb een optimistisch, levenslustig boek willen maken. Want zo voelde ik me ook. Dat ik weer terug ben, is natuurlijk een kwestie van geluk geweest, maar ik ben óók beter geworden dankzij mijn levenslust. Ik wilde dan ook niet met een lullig dingetje terugkomen. Ik wilde een vol en vrolijk boek, waarbij je op elke pagina wel een keer in de lach schiet.'

Uitgezonderd de door Pam afgeserveerde schrijvers, allicht. 'Dat is het vervelende van recenseren. Schrijvers hebben over het algemeen een geheugen als een olifant, ikzelf incluis. Als je een keer iets onaardigs over ze hebt geschreven, weten ze dat twintig jaar later nog. Daardoor krijg je dat ze je ontlopen of juist vervelende opmerkingen gaan maken. Het is om die reden dat ik recepties zoveel mogelijk mijd. Als mijn vrouw mij hoort mopperen bij weer zo'n slecht boek, zegt ze altijd: hou toch op met dat recenseren. Daar heeft ze gelijk in. Toen ik ermee begon, gaf ik mezelf vijf jaar. Dat worden er misschien zeven, maar ik word geen Tom van Deel (recensent van Trouw, GZ), of een andere veteraan. Recenseren is uiteindelijk toch niet meer dan aantekeningen maken in de kantlijn van een ander, zoals W.F. Hermans heeft gezegd. Erg waar.

'Met interviews ben ik allang gestopt, wat niet wegneemt dat ik het met veel plezier heb gedaan. Naarmate je ouder wordt, worden de schrijvers relatief jonger, en ik betrap mezelf erop dat ik steeds minder geneigd ben naar jongeren te luisteren.

'Ik ben ook nooit het type Ischa Meijer geweest, die zichzelf in een interview weerspiegeld wilde zien. Ik vroeg liever naar iets dat ik niet wist. De enige die ik nog graag zou interviewen is Michel Houellebecq. Bij hem zou ik aan zijn lippen hangen. En misschien Joost Zwagerman. Maar met hem ben ik zo'n beetje bevriend geraakt. Dus dat hoeft niet meer. Als ik van hem iets wil weten, bel ik hem wel op.'

Vriendschappen zijn voor Pam geen vrijblijvende affaires. Meer dan eens was hij in hoogoplopende ruzies verwikkeld. 'Ach, er zijn mensen met wie ik periodiek gebrouilleerd ben, zoals Tim Krabbé. Daar is niks mis mee, als je allebei eerlijk bent, komt het vanzelf weer goed. Bovendien ben ik zelf iets milder geworden. Althans, dat probeer ik, want mildheid is een mooie eigenschap, al kost het me nog steeds enige moeite. Ik heb nog vaak iets van: sodemieter toch op. Gelukkig roept mijn vrouw me dan tot de orde. Dan blaas ik even stoom af en dan gaat het wel weer.'

De laatste keer dat het hem overkwam, was bij de verkiezing van minister Donner tot politicus van het jaar. 'Die verkiezing was een beschamende vertoning. Iedere hoofdredacteur die weet wie van zijn parlementaire redacteuren op Donner heeft gestemd, behoort die op staande voet te ontslaan. Als minister is Donner van de ene blunder naar de andere gestruikeld. Maar wat doet de parlementaire pers? Die prijst hem. Journalisten zouden niet eens aan zo'n verkiezing moeten meedoen. Het zijn bange meelopers geworden.

'Onlangs zei Donner in de Volkskrant dat niemand kan bewijzen dat God niet bestaat. Hij zei dat alsof hij werkelijk iets heel slims had bedacht, een diepzinnige aanval op het atheďsme of zoiets, maar in feite zei hij iets heel stompzinnigs. Spinoza heeft zich al vrolijk gemaakt over dat soort redeneringen. Maar in Nederland wordt zo'n man verkozen tot politicus van het jaar. Dat is een blamage.'

Ziet hij een verband tussen de houding van de pers en de dood van Theo van Gogh, over wie hij een boek aan het schrijven is? 'Sinds de dood van Theo van Gogh heeft men het over het verdwijnen van de vrijheid van meningsuiting. Ik geloof dat het verder gaat. Je zag het al bij de dood van Pim Fortuyn. Het is een levenshouding die verdwijnt. Afwijkende meningen zullen er wel blijven, maar Nederland wordt steeds minder een land voor afwijkende geesten, voor bohemiens. Theo van Gogh was zo iemand, net als Pim Fortuyn. Dat waren mensen die een krankzinnig leven leidden, die leefden in een bijna absurdistisch vrijheidsgevoel, die min of meer zelf een kunstwerk waren door wat ze zeiden en deden.

'Mijn jeugdheld, de schaker Jan Hein Donner, nota bene een oom van de minister, was er ook zo een. Ik heb hem erg bewonderd, net zoals ik Willem Frederik Hermans en Karel van het Reve heb bewonderd, plus iemand die nog leeft en wiens naam ik niet wil noemen. Jan Hein Donner was tegendraads en had volstrekt eigen, onafhankelijke meningen. Toen de communisten uit Afghanistan werden verjaagd, zei Donner: Dat is heel verkeerd, let op dat wordt een bron van chaos.' Hij werd erom uitgelachen.

'Donner had het vermogen om een volksopstand tegen zichzelf te ontketenen. Dat was overigens ook iets lichamelijks, net als bij Van Gogh. Als je met Theo van Gogh gewoon door de Leidsestraat liep, werd hij door willekeurige voorbijgangers al uitgescholden voor bolle of dikke. Ik heb het meegemaakt dat Harry Mulisch in een café door iemand werd lastiggevallen en dat even later Donner met die vent lag te vechten, terwijl Mulisch in een hoek rustig zijn pijpje stond te roken. Ik noem dat negatief charisma.'

Herkent Pam, de hekelaar, stokebrand en satiricus, die trek in zichzelf? 'Toch lang niet in die mate. Ik heb anderen wel eens kwaad gemaakt, en ik kan van een mooie ruzie erg genieten. Ik houd veel van boksen, maar uiteindelijk zijn conflicten slecht voor de gezondheid. Donner en Van Gogh hadden een zorgeloos karakter. Die maakten ruzie en vielen daarna doodgemoedereerd in slaap. Dat moet je kunnen. Ik kan dat niet.'

Max Pam: De armen van de inktvis, Prometheus; 607 pagina's; euro 29,95 ISBN
90 4460 495 3

CV
1946 Geboren op 14 september in Amsterdam.
1968 School voor de Journalistiek
1972 Begint bij Vrij Nederland
1979 Matchboek Karpov-Kortsjnoj (met Jan Timman en Jeroen Henneman)
1984 Begint als columnist bij NRC Handelsblad
1989 Speelt moordenaar in de film Loos van Theo van Gogh
1995 De woestijn leeft, satirisch tv-programma over architectuur, met Jeroen Henneman en Theo van Gogh
1997 De Herenclub, satirische roman
2002 Geveld door hersenbloeding
2004 Ontslagen als columnist bij NRC Handelsblad. Verschijning Het ravijn - autobiografie van de angst, over zijn hersenbloeding
2005 Een overgevoelige natuur, tweedelige documentaire met regisseur Jan Bosdriesz over W.F. Hermans
2005 De armen van de inktvis, selectie uit dertig jaar journalistiek werk


Terug naar Anti-communisme, Afghanistan , Sociologie overzicht  , Politiek lijst , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]