Volkskrant Magazine,  27-02-2010, door Karolien Knols 7 mrt.2010

Toen Martin nog een badstof pyjama droeg

Martin Brils recent verschenen verhalenbundel Jongensjaren was door de schrijver bedoeld voor de Boekenweek van dit jaar. Het was uiteindelijk zijn vrouw die de uitgave verzorgde. Over het samenstellen van Jongensjaren – en alleen daarover – was Anneke Stehouwer bereid te praten. ‘Ik ging zijn verhalen lezen, en die hakten er zó ontzettend in.’

Op de cover van zijn laatste verhalenbundel, Jongensjaren, staat Martin Bril, 6 jaar oud. Een iets te hoog opgetrokken zwembroek, twee ijsjes in de ene hand, een schepje in de andere. Het is Martin ten voeten uit, zegt zijn vrouw, Anneke Stehouwer: ‘Gretig, het plezier staat in zijn ogen. In zijn eentje, en niet helemaal gemakkelijk met dat lijfje. Wij, de meisjes – mijn dochters en ik – wilden hem meteen knuffelen.’

Was het meteen duidelijk: deze foto wordt het? ‘Nee. Ik wilde eerst een mooi schilderij van twee sinaasappels; een verwijzing naar een van de verhalen in het boek. Martin had deze foto gewild, denken wij, maar het heeft maanden geduurd voor ik het beeld van dat jongetje de wereld in kon sturen.’

Het was allemaal al gepland. In maart 2010, tijdens de Boekenweek – thema: jong zijn – zou schrijver en columnist Martin Bril een bundel uitbrengen met verhalen over zijn jeugd. Zijn uitgever, Mai Spijkers, vertelde erover in een speciale uitzending van De wereld draait door, een dag na Brils overlijden op 22 april 2009.

Dat boek komt er niet meer, dacht je als kijker.

Maar in de zomer van 2009 zette Anneke Stehouwer de computer van Martin aan, en begon te lezen. Verhalen over toen hij 6 was, 10, 14, 18, over zijn ooms en tantes, vader en moeder, over een kus in ruil voor een kauwgombal en over de eerste keer dronken. Verhalen die al gepubliceerd waren, maar nog geen boek vormden – dat werd het pas na een strenge selectie van de schrijver.

En die selectie moest zij nu maken.

Dag na dag proefde, voelde, rook ze de verhalen. Ze legde ze weg, herlas, liet het bezinken. Precies zoals ze van Martin had geleerd, zoals ze er samen over spraken als er weer een boek moest worden samengesteld.

Ja, zegt ze, ze heeft lef gehad. ‘Lef om aan zijn werk te zitten, aan iets zo intiems. Je mag best opschrijven dat het begin een afschuwelijke periode was. Ik was nog nergens. Ik ging zijn verhalen lezen, en die hakten er zó ontzettend in. Het enige wat me overeind hield was de zekerheid – waar ik die vandaan haal weet ik ook niet – dat ik degene ben die het best op Martins werk kan passen.’

Waarom? ‘Omdat ik zeker weet dat ik ongelooflijk integer ben en Martin met al het goede dat ik in me heb wil presenteren.’

Weet je nog welk verhaal je het eerst las, vorig jaar zomer? ‘Nee. Ik weet wel welk verhaal het allersterkste beeld had. ‘De rode jurk.’ Dat was, dat is zó een bepaalde Martin. In dat verhaal is hij een puber, op stap in Groningen met zijn vriend Jaap. Jaap heeft pilletjes bij zich. Ze zien een hoer. Ze hebben een plan: we rennen langs en grijpen haar in haar kruis. Maar Martin durft niet. Hij is op de leeftijd dat hij in bed nog een badstof pyjama draagt. Van de HEMA. Die wankele periode van de puberteit heeft Martin zo goed neergezet. Je voelt de onzekerheid van iemand die een man van de wereld wil zijn, de wereld van hoeren, drank en drugs, van iemand die op eigen benen wil staan, maar weet dat hij dat nog niet kan. Zo’n mens wil je beschermen, meteen.’

Martin Bril in het verhaal ‘Zondagmiddag’, dat is eindeloze verveling, het gezin dat ’s ochtends ter kerke gaat, dan warm eet, rust, wandelt – altijd dezelfde paden – thee drinkt met een speculaasje erbij, om zes uur nog een boterham. ‘Het is toch bijzonder dat een mens als Martin in die wereld is opgegroeid? Die zondagsrust was heel vertrouwd voor hem. Die degelijkheid. Alleen: hij was anders.’

Martin Bril in Jongensjaren, dat is een loner. ‘Ontzettend de loner. Martin was iemand die genoeg had aan zichzelf.’

In zijn eentje op de brommer naar een NCRV-middag voor de jeugd. ‘En altijd maar met die neus in de boeken, boterhammen met pindakaas erbij.’

Nog zo’n beeld dat naar boven komt: wel willen, maar niet kunnen. ‘Dacht-ie.’

En: de echte wereld is daarbuiten, en ik wil erbij zijn. ‘Dat is de sfeer van Martins jeugd. Dit boek ademt het gevoel dat Martin altijd met zich meedroeg, misschien zelfs zonder dat hij het zich realiseerde. Ik denk dat ik alle verhalen daar op heb geselecteerd.’

Ze vertelt over ‘Twee sinaasappels’, het verhaal waarin Martin logeert bij zijn oom en tante. Tijdens het zondagochtendontbijt vraagt de oom aan Martin of hij een sinaasappel wil, en Martin antwoordt: ‘Doet u mij er maar twee.’

‘Daar kan ik heel erg om lachen. Waarschijnlijk heeft hij het zijn vader een keer horen zeggen en denkt hij: als ik hetzelfde zeg, ben ik een echte man.’

In de familie werd zijn antwoord jaren later nog uitgelegd als een aanmatigend soort ambitie: de Brillen willen altijd meer. ‘Dat vind ik te negatief. Ik noem het liever gretig. Martin was een gulzige man. Dat maakte hem ook zo ongelooflijk aantrekkelijk.’

Idioot gedrag trouwens, zegt Anneke Stehouwer ineens: ‘Dat je, als je verliefd wordt, eerst je hele jeugd aan elkaar gaat vertellen.’

Herinner je je nog wat Martin jou over vroeger vertelde? ‘Dat is vertroebeld nu ik dit boek heb gemaakt. Ik was 21 toen we elkaar leerden kennen. Ik weet het niet meer. Ik kan nog wel het gevoel terughalen, en dat is het gevoel van ‘De rode jurk’. Dat verhaal staat voor de Martin op wie ik verliefd werd. De man die een spannend leven wilde.’

In het verhaal ‘Lezen’ schrijft hij: ‘Kijk, ik wilde van jongs af aan schrijver worden. Een ander idee had ik niet. Schrijver. Waarom eigenlijk? Ik denk omdat ik zo krankzinnig van schrijven hield. Maar het schrijverschap zag er moeilijk uit. Je moest iets in je mars hebben. Had ik niet.’ Ben je het met dat laatste eens? ‘Het is zijn waarheid.’

En die van jou? ‘Ik denk dat hij nog niet zo ver was om alles uit zichzelf te halen.’

Wat hem vooral aantrok, schreef hij, was de roem die bij het schrijverschap hoorde. De interviews, de polemieken, de vrouwen aan je voeten. ‘Dat verhaal zegt ook weer zo veel over hem. Vergelijk het maar eens met het verhaal over de rode jurk. Dat had hij ook heel anders kunnen vertellen; als het verhaal van twee onwijs stoere jongens; zijn vriend Jaap die zegt: ‘Weet je wat, we gaan die hoer in haar kut grijpen’, en hij die daar dan natuurlijk aan meedoet.’

Maar hij doet het anders: hij maakt zichzelf kleiner. Een bangerd. ‘Martin vond het niet makkelijk om te genieten van zijn eigen kunnen. Het was elke dag zijn angst dat hij niets voorstelde, dat hij als schrijver niets te vertellen had. Jeetje mina, dat we het nu daarover hebben.’

Wat kon jij voor hem betekenen? ‘Wat iedereen die hem kende voor hem deed: hij zoog je leeg. Hij had ongelooflijk veel aandacht en bevestiging nodig. Je kon niet met Martin zijn, zonder met hem te zijn, snap je. Martin was groots aanwezig.’

Ze kwam kortgeleden, gravend in het archief, een column van hem tegen over de dichter Nijhoff. ‘Martin bezoekt zijn graf, een beetje een armzalig grafje dat de tand des tijds niet gaat doorstaan. Dat is passend, schrijft hij, want: het is niet de man of zijn nagedachtenis waar het om gaat, maar zijn werk. Dat is zo’n sterk inzicht.’

Je bedoelt: we moeten ons niet Martin herinneren, maar zijn boeken. ‘De Martin die de wereld kent, die op televisie te zien was, die door het land toerde en in het café zat – dat is natuurlijk een heel mooie Martin. Maar wat hij heeft gemaakt, in woorden heeft verbeeld, is voor jou als lezer nog veel sterker als je zijn hoofd niet constant op je netvlies hebt. Dan kan het bezinken, en komt het werk van de schrijver Bril beter tot zijn recht.’

Beter dan toen hij leefde? ‘Absoluut. Connie Palmen heeft wel eens gezegd, en ik citeer het hier waarschijnlijk niet goed: ‘Wat een schrijver opschrijft, is voor hem de waarheid. Anderen kunnen het anders zien, maar het is wat hij wil verbeelden. Als hij schrijft is hij eerlijk.’

Ze is alweer bezig met het verzinnen van mooie nieuwe bundels. Met ‘samenstellen, schuiven, kijken en doen. Leuk hoor, een hele eer. ’

Zou Martin trots zijn op Jongensjaren? ‘Ja, hij is trots. Ik hoor het hem zeggen. En dan zegt hij er achteraan: ‘Dat is een veer in je reet, schatje.’’

 

Naar Alfa en bčta denken , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]