De Volkskrant, 17-11-2009, door Pieter Hilhorst 18 nov.2009

De normaalterreur

De schoenen van presentator Wilfred Genee, daarover ging het in de uitzending van Voetbal Insite. Hans Kraay jr. meende dat je aan die schoenen kon zien dat Genee geen voetballer was. ‘Geen enkele voetballer draagt zulke schoenen.’ Hij vond het zelf dolkomisch en begon hard te lachen. Hij daagde Genee uit om zijn schoenen te laten zien. Die gaf geen krimp en lachte wat schaapachtig. Daarna vroeg Kraay, nog steeds lachend om zijn eigen grap, de cameraman om de schoenen eens goed in beeld te nemen. Het waren modieuze schoenen. Ze zagen er Italiaans uit. Ik heb zelf een paar dat erop lijkt.
    Aan de scène met de schoenen moest ik denken toen een week later in hetzelfde programma werd gesproken over de zelfmoord van de Duitse doelman Robert Enke. De vraag was of het in de kleedkamer geaccepteerd zou worden als je depressief bent. Trainer Ron Jans vond dat het je sterk maakt als je ook je zwaktes kunt laten zien. Er werd even ernstig gekeken, maar al snel merkte Johan Derksen op dat hij geen zin had om bij een type als haptonoom Ted Troost op schoot te zitten.
    De boodschap was duidelijk: Je bent wel een slappe lul als je zulke hulp nodig hebt.
    Het is natuurlijk onzin om te beweren dat Enke zelfmoord pleegde, omdat de voetbalwereld zo’n machocultuur is. Tijdens mijn studietijd hing een vriend zich op. Het kwam voor ons als een even grote verrassing als voor de spelers van Hannover ’96. Toch waren wij allemaal watjes die niets liever deden dan praten over gevoelens. Je kunt in elke wereld wanhopig worden.
    De scène met de schoenen laat wel zien hoe iemand via grapjes tot buitenbeentje wordt bestempeld. Dat herinner ik me nog haarscherp uit de tijd dat ik als kind voetbalde bij een fanatieke vereniging. Ik werd altijd de professor genoemd en dat was geen compliment.
    Ooit had ik mijn trainer uitgemaakt voor een potentiële SS’er, omdat hij een jongen keihard een bal in zijn gezicht gooide toen hij niet luisterde. ‘Een pote wat?’, vroeg hij, even vrezend dat ik hem voor homo had uitgemaakt. Toen ik het herhaalde, begon hij keihard te lachen en de rest lachte mee.
    Nog onsterfelijker belachelijk maakte ik mij toen ik ging klagen over de censuur in het clubblad. Ik had geschreven dat we alleen maar hadden gewonnen, omdat de scheidsrechter partijdig was, maar die zin had de club geschrapt. Om mijn protest werd veel en hard gelachen. Later werd ik in het veld vaak voor homo uitgemaakt. Ik bevestigde dat dan altijd pontificaal om ze de mond te snoeren. Maar leuk is anders.
    Aan grapjes ga je niet dood, maar je kunt er wel moe van worden. En daarin schuilt de uitsluiting.
    Onlangs was ik bij een training om politieagenten gevoelig te maken voor alledaagse discriminatie. Iedereen moest zich inbeelden een allochtone agent te zijn. Vervolgens werd je geconfronteerd met grappig bedoelde opmerkingen van collega’s. Dat je je benoeming te danken had aan je achtergrond, dat je als allochtoon natuurlijk alles van diefstal afwist en ook nog eentje over het geloof dat je had.
    Elke keer moest je bedenken hoe jij zou reageren. In mijn hoofd koos ik er steeds voor om van me af te bijten.
    De andere autochtonen in de zaal dachten er net zo over: Laat je niet kisten, sla terug met een grap. Veel van de allochtone aanwezigen kozen er daarentegen voor de verstandigste te zijn; ze hielden hun mond. De achterliggende gedachte: voor je het weet krijg je het verwijt dat je zeurt.
    Even dreigde de oefening te mislukken. Die kweekte bij de autochtonen geen begrip voor de positie van de allochtone agent, maar wekte verbazing over hun gebrek aan strijdbaarheid. Pas later begreep ik dat deze tegengestelde reflexen het wezen van de uitsluiting illustreren. Het probleem is niet die ene flauwe grap, maar de herhaling. Juist omdat ik die opmerkingen niet gewend was, voelde ik de neiging om van me af te bijten.
    De allochtonen in de zaal hadden daarentegen al zo vaak vergelijkbare opmerkingen gehoord, dat ze al moe werden bij de gedachte aan een weerwoord. Als je weet dat je een buitenstaander bent, bijt je minder snel van je af. Wilfred Genee deed dat ook niet. Hij zei niet dat je aan het kapsel van Hans Kraay jr. kunt zien dat hij wél een voetballer is. Hij weet dat hij nooit een profvoetballer is geweest en dus lacht hij wat en zwijgt hij. Het pijnlijke schuilt in het voelbaar maken van het verschil. Dat is de normaalterreur in een notedop.


Webtitels:
Aan grapjes ga je niet dood, maar je kunt er wel moe van worden. En daarin schuilt de uitsluiting, noem het normaalterreur

De allochtonen in de zaal hadden daarentegen al zo vaak vergelijkbare opmerkingen gehoord, dat ze al moe werden bij de gedachte aan een weerwoord


Naar Alfa en bèta denken, snelheid , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]