De Volkskrant, 14-01-2014, door Wilma de Rek 15 jan.2014

Bespreking | Boek | Het uitstapje naar Echo Spring

Drank in de pen

Een zuipende schrijver gold vroeger als held. Waarom houden schrijvers zo van drank? Olivia Laing schreef er een boek over en nam zes Amerikaanse auteurs onder de loep.

Tussentitel: Hoewel alcoholisme zich niet beperkt tot een beroepsgroep, lijkt de aandoening onder kunstenaars wijder verspreid
De zuipschuit werd een held, want wie zichzelf moedwillig naar God helpt, moet wel een nihilist zijn


In een essay dat later als inleiding zou dienen voor het onvoltooide boek Recovery van de vermaarde Amerikaanse dichter John Berryman, over alcoholisme, beschrijft de minstens zo vermaarde auteur Saul Bellow hoe zijn dierbare vriend bij het schrijven van The Dream Songs aan koortsachtige inspiratie ten onder zou zijn gegaan als de alcohol hem niet net op tijd had gered. 'De inspiratie omvatte een doodsbedreiging. Terwijl hij de dingen schreef waarop hij had gewacht, waarvoor hij had gebeden, stortte hij in. De drank bracht stabiliteit. De fatale intensiteit werd er enigszins door getemperd.'

Toen Bellow zijn essay schreef - begin jaren zeventig- was alcoholisme nog maar net geclassificeerd als ziekte. Bovendien, zegt Olivia Laing in Het uitstapje naar Echo Spring vergoelijkend, 'kan Bellow een aanval hebben gehad van de algemeen voorkomende, verraderlijke ontkenning die zelfs de meest waakzame vrienden en familieleden trof'. Om daarna streng te vervolgen: 'Niettemin was het een onzinnige opmerking. Niet de gedichten joegen Berryman de dood in. Ze bezorgden hem geen delirium tremens; ze lieten hem niet van de trap vallen, niet braken of poepen in het openbaar. De alcohol heeft, borrel na borrel, zijn bijna altijd aanwezige paniek misschien tot bedaren gebracht, maar ook een leven geschapen van fysieke en morele desintegratie en wanhoop.'

John Berryman nam op vrijdag 7 januari 1972 in Minneapolis de bus naar de Washington Avenue Bridge over de Mississippi, klom op de leuning en kwam 30 meter lager op een pijler terecht. Hij kon worden geïdentificeerd aan de hand van zijn naam op zijn bril.

Het uitstapje naar Echo Spring. Waarom schrijvers drinken, dat donderdag verschijnt, opent met een citaat uit het Handbook of Medical Psychiatry over de verwoestende effecten van drankgebruik op alcoholisten. 'Hun vrienden haken af, hun gezondheid lijdt eronder, hun huwelijk gaat kapot; ze mishandelen hun kinderen en houden op met werken. En toch blijven alcoholisten drinken.' Olivia Laing (1977), schrijfster en boekenredacteur voor onder meer The Guardian, wilde weten waarom - ze groeide op met een stiefmoeder die vaak lam was - en vooral wilde ze weten waarom schrijvers dronken en wat voor invloed drankgebruik had op 'de literatuur als geheel'.

Want hoewel alcoholisme zich niet nuffig beperkt tot een exclusieve beroepsgroep, lijkt de aandoening onder kunstenaars wijder verbreid of in elk geval meer geaccepteerd dan onder gewone stervelingen; en onder kunstenaars vormen schrijvers de subcategorie bij wie de aandoening zich het meest zichtbaar manifesteert; in elk geval schrijven ze er vaak over. Soms met een prettige zelfspot - I like to have a martini/two at the very most./After three I'm under the table,/after four I'm under my host. (Dorothy Parker) - maar vaker met een merkwaardig soort trots: O, drank, je hebt zo veel verpest./Toch ben je in mijn dorstig leven/altijd die ene hoer gebleven/die mij het diepste heeft gelest. (Simon Carmiggelt).

Er zijn veel drankzuchtige schrijvers. De indrukwekkendste gevallen komen uit Amerika, maar Nederland heeft ook een paar goeie voortgebracht: Gerard Reve, Adri van der Heijden, Ilja Leonard Pfeiffer. Vroeger waren er meer; mogelijk zijn de jonge schrijvers van nu minder gevoelig voor valse romantiek. De schrijvers die Laing noemt in Het uitstapje naar Echo Spring, zijn in elk geval allemaal dood. John Cheever, Raymond Carver, Ernest Hemingway, William Faulker, Truman Capote, Dylan Thomas, Jack London. Olivia Laing: 'Zoals Lewis Hyde opmerkt in zijn essay Alcohol and Poetry, waren vier van de zes Amerikanen die de Nobelprijs voor de literatuur hebben gekregen, aan drank verslaafd. Van onze alcoholische schrijvers heeft ongeveer de helft zelfmoord gepleegd.'

Uit het enorme aanbod van schrijvende drankorgels heeft Laing er voor haar boek zes geselecteerd, allen man, met verhalen en levens die elkaar deels overlappen: F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Tennessee Williams, John Cheever, John Berryman en Raymond Carver. Ze reisde af naar Amerika en bezocht de plekken waar deze zes mannen hun jeugd hebben doorgebracht, hun schrijversjaren sleten, afkickten of, in het geval van Berryman en Hemingway, zelfmoord pleegden. Ze wilde 'ontdekken hoe deze mannen - en parallel daaraan een aantal daaraan een aantal van de vele anderen die dezelfde ziekte hebben gehad - hun verslaving hebben ervaren en hoe ze erover dachten.'

Vooral die laatste zoektocht - hoe ze erover dachten - levert een schitterende bloemlezing op van slechte smoezen, zwakke argumenten en heroïsch gezwets. 'Drank versterkt het gevoel', legt Scott Fitzgerald zijn secretaresse Laura Guthrie uit, als ze hem halverwege de jaren dertig in bed aantreft met trillende benen, bloeddoorlopen ogen en een dikke trui over zijn pyjama. 'Als ik drink, versterkt dat mijn emoties en die stop ik in een verhaal. Verhalen die ik nuchter heb geschreven zijn stom, zoals dat ene over waarzeggen. Het was helemaal doordacht, maar niet gevoeld.' Een paar dagen later komt Fitzgerald met een nog fraaiere vondst: 'Drank is een vlucht. Dáárom drinken tegenwoordig zoveel mensen. Er heerst weltschmerz: de onzekerheid van de huidige wereld. Dat voelt iedere fijnbesnaarde geest.'

Tennessee Williams is ook goed op dreef, in een interview met The Paris Review uit 1981, twee jaar voor zijn dood: 'Amerikaanse schrijvers hebben bijna allemaal een drankprobleem, omdat schrijven, zoals je weet, een hoop spanningen meebrengt.'

Weltschmerz, spanningen: het zijn woorden die er niet alleen bij de drankzuchtige schrijvers zelf, maar vooral bij hun bewonderaars ingaan als koek. In de loop van de 20ste eeuw heeft de combinatie 'drank' plus 'schrijver' een mythische bijklank gekregen. Gewone alcoholisten waren trieste ruïnes, een zuipende schrijver gold als held.

In 2009 stelde de Nederlandse schrijver L.H. Wiener voor uitgeverij Contact Koningswater samen, een bundel literaire verhalen over drank. Men kan gerust stellen, schrijft Wiener in zijn voorwoord, dat overmatig drankgebruik en het vervaardigen van kunst zo goed als diametraal tegenover elkaar staan: 'Want waar het wezen van de kunst schuilt in de manifestatie van het talent om de werkelijkheid in essentie weer te geven en door de fixatie ervan de dood te tarten, daar schuilt het wezen van de drankzucht juist in het lonken van de dood, door zich van de werkelijkheid af te wenden in een uitzichtsloos proces van afbraak en geleidelijke zelfmoord.' Om te vervolgen met: 'En hoe paradoxaal is het dan niet, dat het juist de zelfvernietigers blijken te zijn die de mooiste kunst voortbrengen!'

Acht jaar eerder had de Franse schrijver en filosoof Alexandre Lacroix - hij is thans hoofdredacteur van Philosophie Magazine - de invloed van alcohol op schrijvers uit de late 19de en 20ste eeuw onderzocht in zijn essay Se noyer dans l'alcool?, in het Nederlands vertaald als In drank ten onder. Volgens Lacroix heeft alcohol bijgedragen aan de vernieuwing van de literatuur: de roes van de drank leidde aanwijsbaar tot een lossere, meer associatieve manier van schrijven.

Ook het imago van de dronkaard veranderde. De beschonken loser uit de romans van Emile Zola maakte in de 20ste eeuw plaats voor een ander type dronkelap: eentje die niet dronk omdat hij het zielige slachtoffer was van beroerde maatschappelijke omstandigheden, maar omdat hij er zelf voor koos. De zuipschuit werd een held, want wie zichzelf moedwillig naar God helpt, moet wel een nihilist zijn en is in elk geval een niet-burgermannetje.

Vanaf maart gaat uitgeverij Lebowksi het volledige werk van Charles Bukowski in vertaling uitgeven. Eveneens bij Lebowski verschijnt in februari een nieuwe vertaling van The Lost Weekend van Charles Jackson. In de uitgave is een voorwoord opgenomen van Hafid Bouazza, de schrijver die onder meer beroemd werd om zijn voorliefde voor absint - dat groene drankje waar een mens rare dingen van gaat doen. De Franse dichter Paul Verlaine probeerde onder invloed van absint zijn minnaar Arthur Rimbaud te vermoorden.

Het verloren weekend verscheen in 1944 en gaat over een serial drinker. Op de site van Lebowski: 'Was de alcoholist vroeger nog een gezellige drinkebroer, met Jacksons roman deed de drinker als ziekteverschijnsel, als daadwerkelijke verslaving zijn entree in de literatuur. Het boek - Drie verwoestende dagen uit het leven van Don Birnam, schrijver en groot innemer - werd door de Amerikaanse uitgever bijna als case- study uitgegeven, aangeprezen door allerlei medische instanties, die de niets verhullende beschrijving van de ondergang van de hoofdpersoon prezen om haar levensechtheid.' Drie jaar later verscheen Under the Vulcano van Malcolm Lowry, met als hoofdpersoon een Britse oud-consul, Geoffrey Firmin, die hallucineert, schizofreen is en zich te pletter zuipt. Maar Birnam en Firmin waren geen helden, hooguit tragische.

De schrijver dankzij wie het woord 'alcohol' definitief zou worden gekoppeld aan begerenswaardige zaken als 'avontuur', 'jagen', 'stierenvechten' en 'achter de vrouwtjes aan' is uiteraard Ernest Hemingway (1899-1961), die sinds zijn 15de zeer regelmatig dronken werd en volgens Olivia Laing 'meer vertrouwen had in rum dan in een gesprek.' Hemingway maakte drinken macho; iemand die niet tegen alcohol kon, was in zijn ogen een mietje. Zelfs als die iemand zijn goede vriend Scott Fitzgerald was.

In het in 1964 postuum uitgegeven A Moveable Feast, over zijn Parijse jaren, beschrijft Hemingway met nauwelijks verholen dedain hoe slecht Fitzgerald tijdens een reis van Lyon naar Parijs de mooie flessen Mâcon en Montagny verdroeg: 'Het viel niet mee om hem als een zuiplap te zien, omdat hij van zulke kleine hoeveelheden alcohol last had. In Europa vonden we wijn destijds net zo gezond en normaal als voedsel, en bovendien een fantastische brenger van geluk, welzijn en genot. Ik had nooit kunnen bedenken dat een paar gezamenlijk geleegde flessen vrij lichte, droge witte Mâcon bij Scott chemische reacties zouden veroorzaken waar hij dwaas van ging doen.'

Nee, dan Hemingway zelf, schrijft Olivia Laing spottend; zíjn alcoholtolerantie was legendarisch. In een brief die hij een paar weken na de reis schreef, snoefde hij 'elke godvergeten hoeveelheid whisky te kunnen drinken zonder dronken te worden.' Wat hij niet wist, zegt Laing, is dat tolerantie een typisch symptoom is van alcoholisme en dat een grote tolerantie gewoonlijk samengaat met ernstige lichamelijke afhankelijkheid. Het zijn dat soort opmerkingen die Laings boek leuk maken; het is een verademing te lezen over schrijvers en alcohol zonder bewonderend ondertoontje.

Daar staat tegenover dat Olivia Laing haar eigen leven helaas net zo belangrijk vindt als dat van de grote auteurs over wie ze schrijft, wat voor veel onnodig oponthoud zorgt. Ook haar gedweep met de Twaalf Stappen van Anonieme Alcoholisten vormt af en toe een moeilijk te nemen hobbel. Voor wie bereid is daaroverheen te stappen, is Het uitstapje naar Echo Spring een fascinerend en soms ontroerend boek, over zes tragische levens. 'De levens van mislukkelingen of dégénérés', in de woorden van Laing, die eraan toevoegt: 'En toch heeft dit zestal - F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Tennessee Williams, John Cheever, John Berryman en Raymond Carver - gezamenlijk een deel voortgebracht van het allermooiste wat er in deze wereld is geschreven.' Dat dat niet is dankzij, maar ondanks de drank, heeft ze dan al afdoend duidelijk gemaakt.



'Alcoholisten leggen verdedigingswallen aan, zoals Nederlanders dijken bouwen. De eerste twaalf jaar van mijn huwelijksleven zei ik tegen mezelf dat ik 'gewoon graag mocht drinken.' Ik maakte ook gebruik van de wereldberoemde Verdediging van Hemingway. Hoewel die nooit met zoveel woorden was uitgesproken (het zou niet mannelijk zijn om dat te doen) ging de verdediging ongeveer als volgt: als schrijver ben ik een erg gevoelig mens, maar ik ben ook een man, en echte mannen geven niet aan hun gevoeligheid toe. Dat doen alleen watjes. Daarom drink ik. Hoe kan ik anders de existentiële verschrikking van het leven onder ogen zien en toch blijven werken? Trouwens, kom nou, ik kan het hebben. Een echte man kan het altijd hebben.'




Naar Alfa en bèta denken, snelheid , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]