De Volkskrant, 15-12-2000, door Anet Bleich
Gepubliceerd op 15 september 2000 00:00, bijgewerkt op 20 januari 2009 12:57
26 jul.2009

Een intense zoektocht naar identiteit

Mooi en ontroerend is Het verhaal van Ed van Thijn. Dat de vroegere PvdA-prominent, tegenwoordig bijzonder hoogleraar politicologie, over een vlotte pen beschikt, was bekend. Met zijn mentor Joop den Uyl en de liberaal Frits Bolkestein is Van Thijn een van de weinige Nederlandse politici die geregeld essays en beschouwingen hebben gepubliceerd. Net als partijgenote Marjet van Zuijlen (maar dan op een iets ander niveau) waagde hij zich ook al eerder aan het genre van de persoonlijke ontboezeming.

Zijn Dagboek van een onderhandelaar (alweer bijna een kwarteeuw oud) is een openhartig, met pittige anekdotes gekruid verslag van de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl. In Retour Den Haag schrijft hij de teleurstelling van zich af over zijn kortstondige ministerschap van Binnenlandse Zaken in het laatste kabinet-Lubbers, een ministerschap dat stukliep op de IRT-affaire. Ook de dagboekaantekeningen die Van Thijn maakte als hoofd van een OESO-missie in Bosnië, kwamen in boekvorm uit.

De kracht van Het verhaal, dat teruggaat naar Ed van Thijns kindertijd en jonge jaren, zit niet in de politieke onthullingen. Die staan er maar weinig in. Het verhaal is zuiver autobiografisch; het bestaat uit fragmenten ('flarden van herinneringen', zegt de auteur) die licht werpen op de wording van de persoon Ed van Thijn. Misschien zullen er daarom critici of lezers zijn die dit boek afdoen als een vorm van bekentenisliteratuur of egotripperij. Maar daarmee zou aan Ed van Thijn en zijn verhaal onrecht worden gedaan.

Het boek is een adembenemend intense zoektocht naar identiteit van iemand die het, om het heel eufemistisch uit te drukken, niet altijd heeft meegezeten. Aan het begin van zijn verhaal schetst Ed van Thijn beknopt zijn belevenissen als joods jongetje in het door de nazi's bezette Nederland. Drie raz zia's in 1943; de tweede bracht de nog geen 9 jaar oude Eddy met zijn moeder naar het doorgangskamp Westerbork, vanwaar iedere dinsdag de treinen naar de vernietigingskampen vertrokken. Vader Sal van Thijn wist ze vrij te krijgen met een papier van de Joodsche Raad. Aan de derde razzia, in augustus, ontsnapte hij door - weer - de bravoure van zijn vader, die vrouw en zoon in een ambulance zette, die daarop met gillende sirenes wegreed.

Daarna de onderduik, van augustus 1943 tot november 1944, op achttien verschillende adressen, gemiddeld meer dan één nieuw pleeggezin per maand. Een gekmakend carrousel moet dat geweest zijn, maar Van Thijns mededelingen hierover blijven spaarzaam; af en toe duikt, verderop in het verhaal, een flard van herinnering op. Op z'n tiende werd Eddy verraden en samen met zijn gastheer opgepakt en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Zwolle.

In januari 1945 kwam hij voor de tweede keer (alleen, dit keer) in Westerbork terecht, maar het levensgevaar was geweken, want als gevolg van de toestand aan het front reden er geen deportatietreinen meer.

In mei 1945 kwam eindelijk de bevrijding; weken later volgde de hereniging van Eddy met z'n ouders. Ze hadden de oorlog overleefd, in tegenstelling tot het grootste deel van de familie, onder wie Eds opa en oma. Die schreven, drie dagen voor ze in Auschwitz de dood vonden, een laatste brief uit Westerbork, die eindigt met: 'Dag Eddy, dag lieveling, er komt nog een tijd dat wij nog gaan wandelen en spelen.'

De schokkende ervaringen waarmee Van Thijns verhaal begint, vormen er tegelijkertijd wel en niet de kern van. Ze worden zeer summier beschreven en zijn op het eerste gezicht alleen de opmaat tot het eigenlijke verhaal over ouders, school, jeugd, studie en beginnende politieke carrière. Toch keren die oorlogservaringen telkens weer terug, als bagage die niet kan worden weggezet.

Stukje bij beetje verovert de verlegen, (te) vroeg rijpe jongen, die bovendien ook nog door astma gekweld wordt, het noodzakelijke minimum aan zelfvertrouwen en een eigen plek onder de zon. Daarbij wordt hij geholpen door zijn eigen fantasie, boeken, een verhuizing naar Amsterdam ('stadslucht maakt vrij') en later naar Parijs, waar hij kennismaakt met een roerige linkse beweging die in Nederland toen nog niet bestond.

Maar steeds weer zijn er momenten dat het verleden hem inhaalt en schaakmat dreigt te zetten. Bijvoorbeeld als hij voor het eerst een meisje het hof heeft durven maken en haar iets vertelt over een razzia. Waarna het meisje in tranen uitbarst en overstuur naar huis vlucht. Of jaren later, als zijn eerste echte liefde het uitmaakt, omdat haar ouders geen joodse schoonzoon willen. 'Het sociale zelfvertrouwen (. . .) zakte als een kaartenhuis in elkaar.'

Wie mocht vrezen dat Het verhaal larmoyant is, hoeft zich geen zorgen te maken. Ondanks de heftigheid van de ervaringen is de toon licht. Met soms milde, soms bittere ironie en met zelfspot beschrijft Van Thijn de haat-liefde verhouding met zijn ouders, vooral met zijn moeder. Selma (voor de oorlog Sara) van Thijn is het prototype van de Jiddische mamme, een mengeling van (overdreven) zorgzaamheid en goedbedoelde dwingelandij. Vader Sal werpt zich na de bevrijding met volle kracht en veel succes op de handel in dameskleding. 'S. van Thijn, NV Steeds voor de mode uit', heette de firma. Begenadigde opvoeders waren het niet.

In een wrange passage roept Van Thijn achtereenvolgens de herinnering op aan zijn tiende en zijn elfde verjaardag. De tiende bracht hij door bij een katholiek onderduikgezin. Daar werden naamdagen gevierd, geen verjaardagen. Toen de jongen zijn teleurstelling uitte ('Wat een rotgeloof!'), viel er een ijzige stilte. Nog dezelfde dag werd hij overgebracht naar een ander pleeggezin. De elfde verjaardag, weer thuis bij zijn ouders in Bussum, zag er aanvankelijk een stuk vrolijker uit. Eddy kreeg zelfs het vurig gewenste jonge hondje cadeau. Maar toen hij 's middags dolgelukkig uit school kwam, was Flipje, zoals hij de hond had genoemd, nergens te bekennen. Omdat het dier nog niet zindelijk was, had de vader hem teruggebracht.

Schrijnender nog is de behandeling die de soms lastige tienerjongen kreeg bij een kinderpsychiater: elektroshocks, ondet toeziend oog van zijn moeder. Er knapte wat, want zelfs de Duitsers hadden hem nooit fysiek mishandeld. Dat het leven zich niet afspeelt volgens een schematisch draaiboek, maar vol zit met krankzinnige misverstanden en verrassingen is een van de impliciete rode draden in Van Thijns verhaal.

Het thema komt terug bij zijn beschrijving van de confrontatie met een SS'er in een café aan de Place Pigalle, eind jaren vijftig in Parijs. De man stond, in uniform, met hakenkruis op de mouw, aan een glas bier te nippen. 'In een fractie van een seconde spoelde ik in mijn hoofd de als-film terug die ik tijdens mijn eenzame overpeinzingen al zo vaak had afgedraaid. Als ik in de oorlog geen kind was geweest, hoe moedig zou ik me dan hebben gedragen? Zou ik in het verzet zijn gegaan? Zou ik me teweer hebben gesteld? Zou ik zo untouchable zijn geweest, als mijn vader? (. . .) Zou ik erin geslaagd zijn mijn kind uit Westerbork terug te krijgen? (. . .) Ik moest iets doen.' Maar na alle mogelijkheden te hebben overwogen (op de vuist gaan, een stoel pakken), liep hij het café uit en schaamde zich voor zijn lafheid. Even later werd hij uit de droom geholpen: de SS'er was een van de vele figuranten die in Parijs waren voor opnamen voor een film over de Tweede Wereldoorlog.

Communicatie was in huize Van Thijn maar in beperkte mate mogelijk. Niet over de oorlog, want dat was hún onderwerp, waaraan vooral zijn moeder het recht ontleende om ongeremd te klagen. Het was 'een onderwerp waar ik met haar niet over kon praten en ook niet wilde praten. Onze oorlogen hadden nu eenmaal niets met elkaar te maken.' Ook niet over het jodendom, want daar wilden zijn ouders na de oorlog niet meer mee geassocieerd worden, het was immers levensgevaarlijk gebleken om joods te zijn. Hun houding zat vol ambivalentie, want de ouders van Van Thijn hadden vooral joodse vrienden, de Jiddische uitdrukkingen waren niet van de lucht en varkensvlees aten ze niet.

Ondanks alles bleef de band in stand, wat vooral na de scheiding van Sal en Selma van Thijn een ware evenwichts kunst vereiste. De verbondenheid was existentieel, de dankbaarheid onuitwisbaar, ook trouwens tegenover de verzetsmensen en pleeggezinnen die hem als jongen het leven hadden gered.

De historicus Jacques Presser, de eerste persoon aan wie Ed van Thijn zijn verhaal vertelde, gaf de wijze raad om de last van die onontkoombare dankbaarheid zo licht mogelijk te houden. 'Ach meneer Van Thijn', zei hij, 'natuurlijk moet u dankbaar zijn, maar dat mag uw leven niet gaan beheersen. Kinderen leven toch ook niet de hele dag in dankbaarheid voor hun ouders die ze op de wereld hebben gezet? Met uw helpers ligt het in feite niet anders. Ze hebben u opnieuw tot leven laten komen.'

Het verhaal gaat over de oorlog van Ed van Thijn, zoals hij die beleefd en herbeleefd heeft. Het laat zien hoe hij langzaam steeds verder tevoorschijn durfde te komen uit 'de grote onderduik', die met de bevrijding nog lang niet voorbij was. Hoe hij door naar de toekomst te kijken zonder de band met dat moeilijke verleden te ontkennen, er steeds beter in geslaagd is zijn ervaringen en de bijbehorende emoties een plaats in zijn leven te geven.

Het boek is opgedragen aan zijn oudste dochter Carla, het bevrijdingskindje (geboren op 5 mei), die hij niet met zijn sores wilde belasten, maar die met hem over de oorlog wilde praten. Het is het verslag van een existentiële worsteling, waardevol, ook (of juist) voor tijdgenoten die geen traumatische herinneringen hebben aan de Tweede Wereldoorlog. Als kind te worden opgejaagd door autoriteiten die het op je leven hebben gemunt is een dermate extreme ervaring dat het in Nederland anno 2000 nog maar moeilijk voorstelbaar is. Ed van Thijn maakt in zijn indringende verhaal die ervaring navoelbaar.
 


Naar Alfa en bèta denken, snelheid , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]