De Volkskrant, 05-03-2010, door Olaf Tempelman 9 mrt.2010

Reiziger zonder paspoort

De Poolse meesterreporter Ryszard Kapuscinski verzon dermate veel dat je zijn boeken nauwelijks als ware relazen kunt beschouwen, onthulde zijn biograaf Artur Domoslawski deze week. Beter kunnen we ze lezen als mooie verhandelingen over universeel menselijk gedrag. Maar werd Kapuscinski al niet lang zo gelezen?

In de roman Onsterfelijkheid voert Milan Kundera een soort schrijvershiernamaals op met teleurgestelde literaire grootheden. In de wereld van de sterfelijken is van hun reputatie niets meer over. Over de schoonheid van hun boeken praat niemand meer. Het gaat alleen nog over hun buitenechtelijke affaires, hun financiële delicten, hun karakterzwaktes, de onjuistheden in hun boeken en wat al niet meer. Sluwe biografen hebben de schrijvers doen tuimelen, hen gereduceerd tot feilbare mensjes. Het was of Kundera bij het schrijven, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, al voelde aankomen dat ook zijn naam zou worden losgeweekt van zijn literaire prestaties.

Hij mocht zijn val zelf meemaken. In de herfst van 2008 kwam naar buiten dat hij meer dan een halve eeuw eerder, in 1950, als jonge communistisch activist een vriend had verklikt bij de Tsjechoslowaakse staatsveiligheidsdienst.

Ryszard Kapuscinski is nu twee jaar dood. Te stellen dat de Poolse grootmeester van de literaire reportage, held van generaties journalisten, deze week van zijn voetstuk viel met de publicatie van een nieuwe Poolse biografie, is voorbarig. Zeker is dat zijn reputatie ernstige schade heeft opgelopen. Titel en insteek van Kapuscinski non-fiction van de Poolse journalist Artur Domoslawski zijn zodanig dat het niet anders kan of er gaat een nieuw etiket aan zijn naam kleven: dat van een man die van alles in zijn prachtige reportages verzon.

Domoslawski’s aantijgingen zijn beduidend ernstiger dan die direct na Kapuscinski’s dood in 2007 naar buiten kwamen, over zijn banden met de Poolse staatsveiligheidsdienst. Het was bekend dat een Poolse journalist die in de communistische tijd de wereld mocht rondreizen een paar papieren moest hebben ondertekend op het kantoor van machtige mannen in Warschau. Dat Kapuscinski om zijn unieke verhalen te kunnen schrijven het goedkeuringstempel had moeten verwerven van een naar regime, werd hem al snel vergeven.

Dat veel in zijn reportages verzonnen is, wat Domoslawski bewezen acht, zal zo licht niet worden opgenomen. We lezen Kapuscinski immers omdat hij ons vertelt hoe de wereld in elkaar zit. Hij moet ons meevoeren naar vreemde, fascinerende universa, niet naar fictieve. Artur Domoslawski was jarenlang een vertrouweling van Kapuscinski. Na diens dood kreeg hij inzage in al zijn archieven en notitieboekjes. In Polen, waar Kapuscinski’s weduwe publicatie van de biografie probeerde tegen te houden, wordt Domoslawski nu beschuldigd van ‘vadermoord’. Wie enig cynisme niet kan onderdrukken, kan stellen dat de inslag van zijn boek voorspelbaar is. Een biografie waarin wordt onthuld dat de beroemdste en meest geprezen reporter van de twintigste eeuw dingen verzon, is commercieel rendabeler is dan een zoveelste hagiografie.

Maar wie weet heeft Domoslawski een punt als hij stelt dat hij de ondankbare maar belangrijke taak heeft de onprettige waarheid te vertellen.

In Kapuscinski non-fiction schrijft hij onder meer dat de meesterreporter in 1968 deed of hij ooggetuige was van de slachtingen in Mexico terwijl hij zich in werkelijkheid elders in Latijns-Amerika bevond. Kapuscinski suggereerde ook dat hij in de jaren zestig in Congo contact had met Che Guevara terwijl hij hem in werkelijkheid nooit heeft ontmoet. Kapuscinski had dat jaren terug zelf al verteld aan Che-biograaf John Lee Anderson. Maar jammer genoeg bleef hij in interviews over Che praten alsof hij hem persoonlijk had gekend.

Ook in die voor zijn reportages zo belangrijke sfeertekeningen zondigde hij vaak tegen de feitelijkheid. Die nijlbaarzen in het Victoria-meer in Oeganda waren niet opgezwollen omdat ze zich tegoed deden aan de lijken die Idi Amin er dagelijks in kieperde. Die vissen waren zo dik door een gebrek aan natuurlijke vijanden. En het hondje van Haile Selassie plaste niet in de schoenen van hoogwaardigheidsbekleders.

Het zijn dit soort details waaraan lezers van De Keizer, Kapuscinski’s werk over de val van Selassie dat hem wereldberoemd maakte, vaak verknocht zijn. ‘Ik vind zijn boeken nog steeds prachtig en waardevol’, reageerde Domoslawski op de beschuldigingen van vadermoord. ‘Maar ik denk niet dat een boek als De Keizer als een waar relaas moet worden gelezen. Kapuscinski maakte intellectuele constructies en maakte menselijke gedragingen universeel. Ik denk dat men het boek beter kan lezen als een traktaat over macht.’

De vraag is of De Keizer sinds jaar en dag al niet vooral zo wordt gelezen; of het niet die intellectuele constructies en die universele menselijke gedragingen zijn die Kapuscinski’s werk boven ‘gewone’ journalistiek uittilden en hem een internationaal lezerspubliek bezorgden. Haile Selassie is een fossiel. Het arsenaal aan tragische menselijke drijfveren dat hem ten onder deed gaan, manifesteert zich al een paar millennia. Kapuscinski ontleedde het en beschreef het magnifiek. In een feitelijk verslag van een Poolse journalist over een politieke gebeurtenis uit 1974 waren minder mensen geďnteresseerd geweest.

Maar goed, zo’n apocrief verhaal over zo’n plassend hondje zonder voorbehoud overnemen mag natuurlijk niet. Tenzij je zijn werk wil beschouwen als een vrije, tot de verbeelding sprekende historische overdracht in de stijl van Herodotus. Van hem was Kapuscinski een bewonderaar. In diens stijl schreef hij ook De keizer. Herodotus, aartsvader der reisschrijvers, belandde telkens weer in vreemde gebieden waar mensen hem ongelooflijke verhalen vertelden. Bij Kapuscinski gaat het net zo. In zijn laatste grote werk, Reizen met Herodotus, laat hij er geen twijfel over bestaan wie zijn grote voorbeeld was.

Het verschil tussen de twee: Herodotus is al 2500 jaar dood en wordt nooit op zijn woord geloofd.

Kapuscinski heet de grootmeester van de literaire reportage. Dat genre wordt geboekstaafd als ‘non-fictie’. In Kapuscinski non-fiction laat Domoslawski er geen twijfel over bestaan dat dit in het geval van zijn onderwerp onterecht is: wat ik u over Kapuscinski vertel is non-fictie, wat hij u vertelde was vaak fictie. ‘Hij experimenteerde met journalistiek. Hij besefte vaak niet dat hij de grens tussen journalistiek en literatuur overschreed.’

Maar waar ligt die grens en hoe ziet die er uit? Welke douanier passeerde Kapuscinski zonder zijn journalistieke paspoort te tonen? De legendarische Schotse reporter Neal Ascherson, net als Kapuscinski geboren in 1932, was de eerste om het deze week voor de gevallen Pool op te nemen. In The Guardian stelde hij onomwonden dat de grens tussen journalistiek en literatuur niet bestaat. De literaire reportage is er om het diepere, tijdlozere, waarachtigere over te brengen. We moeten Kapuscinski absoluut geloven, maar niet elk detail letterlijk nemen. Bepaalde details en bepaalde beelden had hij nodig om bij bepaalde essenties uit te komen, om zomaar te stuiten op een onder de oppervlakte verscholen waarheid – en natuurlijk ook om een echt mooi verhaal te kunnen vertellen.

In De Keizer praten oude hovelingen van Selassie in poëtische volzinnen. Ze bezitten een groot gevoel voor ironie. Ze zijn vertrouwd met de westerse filosofische traditie. Dat waren die Ethiopische mannen in werkelijkheid natuurlijk niet. Ascherson: ‘Maar wat het boek je geeft, is de meest ontroerende en onthullende beschrijving van een hof die ik ooit gelezen heb: volkomen overtuigend, zelfs als je als lezer niet zeker kunt zijn dat ze precies deze woorden gebruikten.’

Kapuscinski bewoog zich voortdurend in een mistig niemandsland tussen journalistiek en literatuur. Voor de krant hield hij zich nauwgezet aan de feiten, stelt Ascherson. ‘Maar in zijn boeken stond hij zichzelf vrijheden toe om een waarheid nog waarachtiger te maken’ – en het verhaal beter.

We lezen Kapuscinski om het wezenlijke dat hij vertelt, maar net zo goed om de wijze waarop hij dat verpakt. Van dit soort verhalenvertellers bestaan er meer. Een internationale bestseller als Donau van Claudio Magris is minstens zo vrij geschreven als veel in het oeuvre van Kapuscinski. Wie Magris leest weet meteen: hier komen dingen wel heel mooi samen, zo is dat niet letterlijk gebeurd. Maar als je de laatste bladzijde omslaat, heb je wel het gevoel echt iets begrepen te hebben van die vreemde wereld waar de Donau doorheen stroomt. Het staat in de boekhandel bij de non-fictie. Of het dit ook is? Misschien als je non-fictie met sierlijke hoofdletters schrijft.

In de therapiegroep van het schrijvershiernamaals mag Kapuscinki zich ondertussen verheugen op gedistingeerd gezelschap. Ook Ernest Hemingway, Martha Gellhorn, Oriana Fallaci en andere journalistieke en literaire grootheden werden beticht van verzinsels. Alweer zeventig jaar geleden was het George Orwell die na de publicatie van Homage to Catalonia (Saluut aan Catalonië) te horen kreeg dat hij wel heel vrij was omgesprongen met zijn herinneringen aan de Spaanse Burgeroorlog. Hij zou geschreven hebben over plaatsen waar hij nooit geweest was, over dingen die daar nooit gebeurd waren. Wie weet. Maar dit is wel een boek over de Spaanse Burgeroorlog dat nog steeds gelezen wordt.



Naar Alfa en bčta denken , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]