De Volkskrant, 26-06-2010, door Aleid Truijens 10 jul.2010

Zuiplap, slet en dochter

Non-fictie | In de bekroonde familiegeschiedenis van Julia Blackburn tart de werkelijkheid de fantasie.

Tussentitel: 'Lieve mama, stuur me alsjeblieft wat geestelijke gezondheid'

Of Tolstoj gelijk had met de bewering ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar’, valt te betwijfelen. Maar dat het gezin waarin de Britse schrijfster Julia Blackburn (1948) opgroeide krankzinnig ongelukkig was, staat vast. Na enkele romans en biografieën – onder andere over Billie Holiday en Goya – kwam Blackburn uit bij het verhaal over haar eigen bizarre jeugd. The Three of Us werd een bestseller; ze kreeg er de PEN/Ackerley Prize voor.

De knusse Nederlandse titel Wij drieën kan gerust cynisch worden opgevat. Het gezin waarin Blackburn opgroeide bestond tot aan de scheiding van haar ouders uit drie personen, maar van een ‘wij’ was nauwelijks sprake. De ouders – nu allebei dood – hadden zo’n enorm ego, zo’n interessante vriendenkring en zo’n haat jegens elkaar dat ze leken te vergeten dat ze een dochter hadden. Haar vader, Thomas Blackburn, was behalve dichter ook leraar én dronkenlap. Bovendien was hij verslaafd aan barbituraten; deze giftige cocktail leidde tot akelige geweldsuitbarstingen. Haar moeder, Rosalie de Meric, was schilderes, maar vulde haar tijd vooral met seks, of met frustratie over het gemis eraan. Op de foto’s in deze familiekroniek zien we een stakerige, wat verdwaasd kijkende intellectueel en een mollige vrouw met een broeierig slaapkamergezicht. Het meisje op de foto’s lacht verlegen. Ze kan het ook niet helpen. Zo zijn ze nu eenmaal, haar ouders.

Familiegeschiedenissen zijn in. Het is een beetje wrang dat Blackburn, die veelgeprezen biografieën schreef, juist met dit boek doorbreekt bij een groot publiek. Wij drieën dient geen ander doel dan de lezer te onderhouden met waar gebeurd gezinsdrama. Zo was het, zegt dit boek. Erg hè? Toch mag deze familiekroniek er zijn, alleen al omdat zij verschrikkelijk goed is geschreven. Nuchter en bijtend, en met feilloos gevoel voor cliffhangers. Blackburn baseerde zich op brieven, dagboeken en agenda’s van haar ouders, en op haar eigen dagboeken, maar de compositie is die van een roman. Al zou je, als dit een roman was, de schrijfster verwijten dat haar verbeelding het al te bont maakt.

Blackburn typeert het verschil in haar verhouding tot beide ouders krachtig. Haar vader was ‘een ramp, maar toch heb ik me nooit door hem bedreigd gevoeld. Ik was wel eens bang voor zijn razernij als hij gedronken had, maar ik hoefde nooit te twijfelen aan de oprechtheid van zijn gevoelens voor mij.’ Haar moeder ‘werd zelden dronken, gebruikte geen voorgeschreven medicamenten, was prettig in de omgang, bij haar volle verstand en flirterig en ik ben altijd bang voor haar geweest.’

Thomas Blackburn begon een relatie met schilder Francis Bacon. Rosalie werd razend van jaloezie en nam wraak door het aan te leggen met een Sikh. Als Julia thuiskwam uit school vloog het glaswerk door het huis. Rosalie gebruikte haar kind als een ‘levend schild’ als haar dronken echtgenoot haar belaagde. Hij sloeg zijn dochter nooit. Eén keer per ongeluk, toen de vuist waarmee hij uithaalde naar zijn vrouw, op Julia belandde. ‘ ‘Het spijt me ontzettend schat’, zei hij met oprechte spijt.

De behaagzieke moeder richtte groter schade aan. Ze laat Julia naaktfoto’s van zichzelf zien. Ze wil haar leren masturberen en moedigt haar aan tot seks. Ze toont haar aambeien en de lelijke striemen die het gevolg zijn van haar zwangerschap; eigenlijk is het dus Julia’s schuld als mannen geen seks met haar willen. Als Julia in de puberteit komt, pepert de moeder haar in dat vrouwen geen vriendinnen kunnen zijn – zij zijn natuurlijke rivalen. Vervolgens maakt ze haar dochter tot rivale. Ze neemt kamerbewoners in huis, mogelijke minnaars, en gebruikt Julia als lokkertje. Een van die minnaars, Geoffrey, ziet meer in de dochter dan in de moeder, en neemt haar mee op reis. Nu heeft Rosalie een goede reden om Julia, van wie zij nooit kon houden, oprecht te haten.

Maar het kind laat zich niet wegschuiven; ze blijft aanhankelijke briefjes sturen: ‘Lieve mama, Ik voel me gewoon zo verloren. Stuur me alsjeblieft wat geestelijke gezondheid.’ Julia wordt naar een psychiater gestuurd. Deze is erg geïnteresseerd in haar meisjesdromen, maar als de gezinssituatie ter sprake komt, kan hij alleen maar diep zuchten.

Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Rode draad zijn de verslagen vanaf het sterfbed van haar moeder, die op haar 82ste leukemie kreeg en binnen een maand stierf. De sterfbedscènes suggereren een happy end, maar overtuigend is dat niet. Rosalie heeft heeft erkend dat ze geen geweldige moeder was. De verstandhouding is gedurende die laatste weken bijna idyllisch.

Maar waarom zou Blackburn dit boek hebben geschreven als ze vrede had met haar geschiedenis? De ouders komen zelf niet aan het woord, behalve in de citaten die hun dochter koos. Het is een eenzijdig verhaal. Zou er niet een sprankje van haar vaders theatrale aard en van haar moeders koketterie in Julia zijn doorgesijpeld? Is de wens om een beminde dochter te zijn nog altijd overheersend? Waarom moest ze op het moment dat haar moeder stierf naar huis om uit te rusten? Kwesties die de schrijfster behendig omzeilt. Maar toch: alleen een verhaal dat je bij de kladden grijpt roept zulke vragen op.


Naar Alfa-denken, eigenheid Alfa-denken , Politiek lijst , Politiek & Media overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]