Bron bij Creativiteit en slechtheid

De Volkskrant
, 27-10-2006, (luister)boekbespreking door Arjan Peters

Alleen tussen de meeuwen

Zinderende, complete editie van de Rotummerplaat-tapes uit 1971 van Godfried Bomans en Jan Wolkers


Er is geen schrijver die niet bij tijd en wijle vrijwillig de afzondering zoekt. Het geduld dat nodig is om te scheppen, noopt sommigen hunner zelfs tot een langdurig kluizenaarschap.
Maar wat gebeurt er met een schrijver als je hem een week op een onbewoond eiland zet, en hem dagelijks verzoekt om een radiojournaal van tien minuten?
    Lang voordat Big Brother en De Gouden Kooi bestonden, kwam radioproducer Gé Gouwswaard op dit idee, dat door hem werd uitgevoerd voor de omroepen VARA en AVRO. In juli 1971 strikte hij twee auteurs met een mededeelzaam temperament, de bedachtzame Bloemendaalse humorist Godfried Bomans (58) en de energieke Amsterdamse romancier en beeldend kunstenaar Jan Wolkers (45).
    Na elkaar zouden ze een week lang hun intrek te nemen in een tentje op het zandrif Rottumerplaat (breedte 500 meter, lengte 6 kilometer) voor de kust van Groningen. Het eiland was onbewoond omdat de werknemers van Rijkswaterstaat, die er onder meer de meeuwenkolonie bestudeerden, gedurende die periode met vakantie waren.
    De twee werden voorzien van voedselpakketten, een slaapzak, een stoel, een tafel en een radioverbinding. Verder niets. De uitzendingen, bestaande uit gesprekjes met de jeugdige VARA-radiopresentator Willem Ruis (die vlakbij aan de wal in Warffum verbleef), werden massaal beluisterd.
    Met de opnamen is naderhand niets gedaan. Wel verschenen twee afwijkende dagboeken: Wolkers’ Groeten van Rottumerplaat (1971) met op het omslag een piemelnaakte Jan, en verlucht met kleurenfoto’s die de ijverige auteur zelf had geschoten. Bomans’ Op reis rond de wereld en op Rottumerplaat kwam in april 1972 postuum uit.
    Twee schrijvers, één eiland; twee werelden van verschil.
    ‘Ik ben van nature geen reiziger’, had Bomans in 1968 gezegd: ‘Het gaat in het leven van een mens niet om tempels en mooie vergezichten, maar om relaties met andere mensen.’ Toch liet hij zich in opdracht van bladen en tv-programma’s de hele wereld over sturen, en ook naar Rottumerplaat, waar hij resoluut noteerde: ‘Ik ben niet zo’n erg natuurmens. Ik beschouw de natuur meer als de afstand tussen twee steden.’ Reizen beschouwde hij als een omslachtige manier van thuiskomen, om daar in de tuin onder de oude kastanje plaats te nemen, ‘glaasje bier op tafel, pijp in het bekje, vliegenklapper aan de losse pols’.
    Het eilandverblijf is Bomans’ wisse dood geweest, werd achteraf wel geopperd, toen hij vijf maanden later na een hartaanval thuis stierf. Is die interpretatie gegrond? Weliswaar keerde Bomans na Rottumerplaat halfdood op het vaste land terug, ziek geweest, uit zijn slaap gehouden door het gekrijs van de meeuwen.
    Maar bij herlezing van zijn aantekeningen blijkt bijvoorbeeld dat hij al doodmoe wás toen hij naar het eiland ging. Veeleer zien we een cultuurmens enigszins onthand in de natuur zitten. Hij hoort mensenstemmen, heeft angsten, laat zijn baard staan, eet nauwelijks, brengt zijn tent niet op orde.
    Tegelijkertijd is hij nieuwsgierig naar het effect dat de woeste en ledige aarde op hem heeft, kent hij ook momenten van geluk en vrede, en durft hij zichzelf onder de loep te nemen: ‘Ik weet eigenlijk niet goed wat eerlijkheid is.’ Zoiets kun je alleen in grote eerlijkheid schrijven. ‘De voorbeelden die ik ervan heb gezien vond ik nogal saai.’ Daar klampt hij zich weer vast aan een aforisme dat van Oscar Wilde had kunnen zijn.
    Terwijl de zee schuimt en de tent siddert, zit Bomans aan zijn tafel, ‘een zuiltje dat denkt’. Hij houdt zich voor dat hij geen schijtlaars is, omdat hij ‘1. hier anders helemaal niet zou zitten, 2. het had opgegeven, 3. mijn moeilijkheden hier niet uit vrees voortkomen, maar uit de omstandigheden en uit mijn gezondheid’. De briljant formulerende causeur merkte voor het eerst wat het betekende zijn publiek niet te zien.
    Na zijn vroege boeken en de sprookjes kon hij uitsluitend nog voor een gehoor, op de korte baan, werkelijk schitteren. Die strohalm was op Rottumerplaat de radioverbinding.
    De week na Bomans kregen de meeuwen tegenspel, want Jan Wolkers gilde gewoon terug, en vergeleek hun geluiden ‘met de Instant Composers Pool’ die bezig is ‘een nieuwe plaat van Willem Breuker op te nemen’. In zijn boek brengt de natuurvriend alle kwikstaartjes, zeehonden en kokmeeuwen uitgebreid in kaart. Als een Jac. P. Thijsse in adamskostuum draaft de inboorling over het eiland, hij zwemt, piest en schijt dat het een aard heeft, eet zelfgepelde garnalen, en noemt de roodbruine oorwurmen die door zijn tent glibberen ‘gezellige beesten’.
    Jan vindt een dode zeehond, snijdt die open, legt een babyzeehondje bloot dat bijna geboren was, en volgt het verrottingsproces van de kadavers van zo dichtbij, dat hij de aasvliegen en maden aan het werk ziet. Ook sluit Jan vriendschap met een scholekster, en spalkt diens gebroken pootje zodat de vogel na een week weer op de wieken kan.
    Op 24 juli kwam Wolkers terug naar Warffum, waar Ruis, Gouwswaard en Bomans hem opwachtten. De laatste noteerde na afloop: ‘Jan spoelde als een nog steeds niet geëxplodeerde zeemijn aan land. (…) Alles wat er rondom hem was, niets over zichzelf. Ik vroeg hem als een laatste poging wat er ’s avonds door hem heenging als het donker werd, maar hij gooide er onmiddellijk een paar zeehonden tegenaan. (…) Ik vermoed een afweermechanisme, dat hij echter briljant in werking stelt.’
    Of bestond het probleem van alleen-zijn voor Wolkers niet? Die vraag speelt opnieuw op, nu de Rottumerplaat-tapes op zes cd’s als luisterboek worden uitgebracht, een lovenswaardig initiatief van uitgeverij Rubinstein. Ronduit zinderend is de ervaring alle gesprekken tussen de schrijvers en Willem Ruis terug te horen, én het authentieke krijten der meeuwen, plus de intieme voor- en nagesprekken die nooit werden uitgezonden en die al die jaren zijn bewaard zijn gebleven in het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.
    Wederom kunnen we horen hoe Bomans worstelt, maar ook soms geniet van de stilte: ‘Alles is hier zuiver, ongerept, onbedorven.’ Hij voelt zich schuldig tegenover de verwoed broedende meeuwen, die hij ‘van hun werk’ houdt. Geregeld heeft hij een ‘plechtig, bijna deftig gevoel’, en je kunt de opluchting horen waarmee hij zegt: ‘Van een boodschap zie ik met blijdschap af.’
    Bomans laat het met zich gebeuren. In een onderonsje met Ruis over de ongemakken – koorts, hitte, overgeven, geen honger, alleen dorst – vraagt hij hier niet bij stil te staan in de uitzendingen: ‘Anders kunnen de mensen ongerust worden.’ Als je dit terughoort, word je vooral benieuwd naar een eventuele loutering, en beluister je er niet zijn nakende levenseinde in. Voor Bomans was het allerminst een zorgeloze vakantie, maar wel een enerverende week.
     In de amechtige Wolkers kolkt daarentegen een haast vreeswekkende levenslust. Ruis vergelijkt hem met een jongen die op schoolreisje is. Jongen, roept Jan, ‘ik heb me rót lopen vissen!’ En riemen vast, want daar vliegen de dode ligusterpijlstaarten, lilavelden van zeeraket, de zeepostelein en een dode ‘wullep’ door de ether. Ook meent Wolkers een condoom te hebben gezien. Wil je het een beetje fijn houden, maant Ruis hem vlug; iedereen luistert mee. Ik heb toch niks onwelvoeglijks gezegd, vraagt Wolkers dan oprecht verbaasd: ‘Ik dacht dat het een condoom was, hè, maar het bleek een verdroogd worstvelletje te zijn.’
    Ben je gek, híj voelde zich niet eenzaam. Anders dan Godfried bespeurde hij ook geen plechtig gevoel. Wat Wolkers dacht bij het afscheid van de crew? ‘Opdonderen jullie! Ik kan heel goed alleen zijn.’ Eindelijk stond er even niks tussen de gulzige natuurmens en de natuur zelve.
    Een afweermechanisme, zoals Bomans zich afvroeg – of enkel een anders geaard temperament? Wolkers communiceert met de wereld vanuit de natuur, waar hij één wordt met de naakte schuldeloosheid die de mens zich daarbuiten zo snel ontzegt.
    Het vervolg moge bekend zijn. Godfried Bomans stierf op 22 december 1971.
    Jan Wolkers zou, na eerdere bezoeken aan het nabijgelegen Waddeneiland, in 1981 definitief naar Texel verhuizen.
    Daar werd hij gisteren 81.

Alleen op een eiland. Uitgeverij Rubinstein, Luisterboek, zes cd’s, € 19,95, ISBN 90 5444 3331 6


Terug naar Creativiteit en slechtheid , Psychologie overzicht  , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]