De Volkskrant, 13-06-2008, door Liesbeth van de Grift 22 jun.2008

Rusteloos, volhardend vat venijn
 
Gedurende haar grootse en meeslepende loeven vond Martha Gellhorn, de beroemdste oorlogsjournaliste allertijden, ook nog tijd voor het schrijven van brieven. De beste zijn nu gebundeld.


Over de mensheid had Martha Gellhorn, roemrucht oorlogscorrespondente en schrijfster, niet veel illusies. De domheid regeert, zo schreef ze telkens weer in haar brieven. Toch mocht dit nooit als excuus gelden om je van de wereld af te keren: ‘Hoe ziek de wereld ook is, als je je eruit terugtrekt ben je dood.’
    Haar betrokkenheid had Gellhorn – in 1908 in St. Louis geboren als derde kind van George Gellhorn en Edna Fischel – niet van vreemden. Haar vader was gynaecoloog en gold als specialist op het gebied van kanker en syfilis. Moeder Edna was een vroege feministe die zich inzette voor het vrouwenkiesrecht. De jonge Martha streefde naar ‘de totale omarming van het leven: alert, gretig, met het vurige verlangen dat alles groei en intensiteit inhoudt’.
    Haar betrokkenheid bracht Gellhorn als twintiger in de door armoede geteisterde delen van Amerika. Tijdens de depressie van de jaren ’30 werd haar voor het eerst duidelijk waar ze over wilde schrijven: over de volharding en heldenmoed van de underdog. Met die missie vertrok ze een paar jaar later naar de Spaanse Burgeroorlog, waar ze zich schaarde aan de kant van de Republikeinen. Ze had gezien wat fascisten met Duitsland en Oostenrijk hadden gedaan en wilde Spanje behouden voor ‘de mensen met fatsoen’, wat haar niet zou lukken.
    Met haar verslaggeving in de Tweede Wereldoorlog verwierf Gellhorn wereldfaam. Later reisde ze door Oost-Europa, waar het IJzeren Gordijn zich steeds verder sloot. Haar laatste grote werk als als oorlogscorrespondent verrichte zij in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw in Vietnam.
    Al die tumultueuze jaren schreef Gellhorn voortdurend brieven – aan haar moeder, aan beroemde vrienden en vriendinnen als Eleanor Roosevelt, H.G. Wells en Leonard Bernstein, en aan geliefden. Ernest Hemingway, korte tijd ‘meneer Gellhorn’, was de bekendste.
    Op briefpapier gaf zij haar visie op wat de wereld bezighield, maar nog meer op wat de wereld bezig zou moeten houden. Een selectie van Gellhorns meest meeslepende brieven werd bijeengebracht door Caroline Moorehead en is nu in het Nederlands vertaald. We leren Gellhorn kennen als een groots en meeslepende levende, hyperindividualistische dame met lak aan conventies. Misschien, zo redeneert ze, zocht ze vanwege haar afkeer van regeltjes en kleinburgerlijkheid wel steeds weer oorlogen op. Oorlog is ‘de grootste idioterie die er bestaat’, die iedereen ertoe beweegt de heersende mores overboord te gooien.
    Gellhorns leven moest in beweging zijn, blijkt uit al haar brieven. Ze was het gelukkigst wanneer zij een vertrouwde situatie kon verruilen voor een nieuwe, alleen dan voelde ze een echte vrijheid. Elke keer als ze zich ergens vestigde – en dat deed ze vele malen, in verschillende landen – volgde na enige tijd opnieuw de rusteloosheid en moest ze weer op pad. Reizen was ‘de ultieme vreugde in het leven’, ze zag niet in waarom je dat niet continu zou doen: de wereld was het enige boek dat ze nooit uit kreeg.
Rusteloosheid kenmerkte ook Gellhorns liefdesleven. Haar vele relaties en affaires brachten haar geheel tegen haar zin vaak in de schijnwerpers van de roddelpers. De meeste aandacht ging uit naar haar kortstondige huwelijk met Ernest Hemingway. Uit Gellhorns brieven leren we een Hemingway kennen die niet in staat was te accepteren dat zijn vrouw zo vaak onderweg was. Hij had haar thuis nodig, zo liet hij weten. Die afhankelijkheid verafschuwde zijn verse echtgenote. Zodra zij een voorwaarde werd voor het geluk van een ander nam ze de benen. De eenzaamheid nam ze op de koop toe: ‘Vrijheid is het kostbaarste bezit dat er bestaat; de prijs is natuurlijk eenzaamheid, en je staat overal alleen voor, maar het is voor mij het hoogste goed.’
    Gellhorn had een groot rechtvaardigheidsgevoel, maar kon bikkelhard zijn. Vooral haar aangenomen zoon Sandy moet het in de brieven regelmatig ontgelden. Ook vriendinnen die naarmate de jaren vorderen beginnen te zeuren over ouderdomsverschijnselen, krijgen van de grande dame flink van katoen.
  Gellhorns woede loopt als een rode draad door haar brieven. Een ‘vat venijn ’ wilde ze zijn, ‘anders ben ik net zo lief dood’. Haar woede gold onrecht, oneerlijkheid en ‘de barbaarsheid van het beest dat mens heet’. Ze vreesde lange tijd fascisme in Amerika, wat ze zag als een ‘echt Amerikaans trekje’.
    De brieven laten ook een onredelijke en generaliserende Gellhorn zien. Aan Duitsers bleef ze haar hele leven een hekel houden. In 1962 schreef ze dat zij door boter en room sloom waren geworden, maar dat dat slechts schijn was: ‘Die lui zijn onverbeterlijk als je het mij vraagt.’ Ten opzichte van Arabieren was ze eenzijdig en bevooroordeeld, ze noemde ze deprimerend, achterlijk en vijandig. Deze houding kwam voort uit haar onvoorwaardelijke steun aan Israël, een gevolg van haar oorlogservaringen.
    Tegen het einde van de oorlog had zij Dachau bezocht en het effect daarvan was als het mengen van verf: ‘Er is toen zwart, echt door en door zwart aan toegevoegd, en ik heb nooit meer kunnen terugkeren naar die toestand van hoop of onschuld of vrolijkheid die ik daarvoor bezat.’
    Het motto dat zij een leven lang op briefpapier tegen vrienden bleef herhalen, waren de woorden van François Mauriac: Travail, opium unique. Werk, zo schreef zij, was ‘het enige waarvan ik weet dat het op zich volledig en onvoorwaardelijk goed is, ongeacht het resultaat’. Deze werklust resulteerde in een reeks romans, oorlogsreportages en reisverhalen. Dat ze móest schrijven, daar twijfelde ze niet aan. Wel kende ze periodes waarin ze zich afvroeg of ze wel over het benodigde talent beschikte. Te lang wilde ze daar niet bij stilstaan, dat was funest. Een van haar romanpersonages liet ze zeggen: ‘Je moet je belangrijk voelen, anders word je gek.’
    Ze noemde het een vergissing dat ze als meisje ter wereld was gekomen. Al vroeg nam ze zich voor zich van ‘dat biologische ongelukje’ niets aan te trekken. In de mannenwereld voelde ze zich beter op haar gemak. Hoewel ze vrouwen net zo interessant vond als mannen (zij het minder geestig), stonden hun levens haar tegen: te zwaar op een kleurloze manier, of ‘te week en slagroomachtig’. Ze gaf de voorkeur aan mensen die ‘naar vuur ruiken’, ‘lachen als demonen en hun kansen durven grijpen’. Dat bleken vaak beroemdheden van het mannelijk geslacht.
    Op 74-jarige leeftijd schreef Gellhorn in een moment van frustratie: ‘Ik ben een voetnootje in de geschiedenis, een terloopse vermelding in andermans boeken en brieven – steevast feitelijk onjuist en puur apocrief.’ Lezers van deze brieven weten wel beter. Postuum krijgt Martha Gellhorn de kans zich van al haar kanten te laten zien. Van haar minder charmante karaktertrekken was ze zich volledig bewust, maar die konden haar weinig schelen. Het laatste wat ze wilde zijn was ‘goed maar saai’: ‘Goed zijn, dat is iets voor miezerige mensjes die niet beter weten.’

De ogen van miljoenen - Brieven 1930-1996, Martha Gellhorn. Meulenhoff; € 29,90; 635 pagina's; ISBN: 978 90 2907 973 0. Vertaald uit het Engels door Christien Jonkheer


Naar Creativiteit en slechtheid, bronnen , Creativiteit en slechtheid , Psychologie lijst  , Psychologie overzicht  , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]