De Volkskrant, 14-08-2008, door Hans Driessen 14 aug.2008

Cirkelen rond de aantrekkelijkheid van het kwaad

Lage lusten en vechtende stieren

In zijn nieuwe essaybundel stelt Ger Groot zich luchtig op tegenover het kwaad, waarvan dikwijls ook valt te genieten
.

Ger Groot is een veelzijdige en uiterst productieve publicist en columnist. Hij schrijft met vaardige pen over de meest uiteenlopende onderwerpen: stierenvechten, de wratjes van zijn dochter, (vooral Spaanstalige) literatuur, de hermetische poëzie van Paul Celan en wat al niet.
    Uit de stukken die hij de afgelopen vijftien jaar schreef, heeft hij een ruime keuze gemaakt, die onlangs onder de titel De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing verschenen is.
    Nu kun je verspreide publicaties natuurlijk gewoon bij elkaar zetten en het geheel als essaybundel presenteren, zonder je druk te maken over de onderlinge samenhang tussen de stukken. Groots ambitie reikt echter hoger: hij pretendeert in zijn 'Woord vooraf 'dat de hier verzamelde stukken allemaal cirkelen rond één thema, het kwaad, waarbij hij twee aspecten van het kwaad speciaal wil belichten: ten eerste de aantrekkelijkheid (of de aantrekkingskracht) van het kwaad en ten tweede de onmogelijkheid een strikte scheiding te maken tussen goed en kwaad.
    Welnu, Groot maakt deze pretentie maar ten dele waar: de laatste acht stukken die onder de hoofdstuktitel 'Het woord' de laatste honderd bladzijden, dus ruim een kwart van het boek beslaan, vallen volledig buiten dit thema en vertonen trouwens ook onderling weinig samenhang.
    Groot benadert het 'kwaad', zo zou je kunnen zeggen, vanuit een persoonlijke fascinatie, en wel in de vorm van het stierenvechten, de 'schandaleuze' kunst en de pornografie. Hij vermijdt daarbij elke 'rechtlijnigheid van stavast', met andere woorden hij schort het morele oordeel zo lang mogelijk op. Het kwaad heeft zoveel genot te bieden dat een mens zichzelf tekort zou doen door het op voorhand categorisch af te wijzen. Waar deze houding in kan uitmonden blijkt uit het stuk over het stierenvechten.
    Met kennelijke instemming citeert Groot tot twee keer toe Tucholsky's notities naar aanleiding van diens bezoek aan een stierengevecht: na in eerste instantie lucht te hebben gegeven aan zijn afschuw van het leed dat hier aan de stier, maar vooral ook aan de paarden van de picadors wordt toegevoegd, eindigt Tucholsky met de zin: 'Maar wanneer er morgen weer een is, ga ik er opnieuw naartoe.' Groot, die zelf een beginnerscursus stierenvechten volgde (en daar in het stuk 'Dagboek van een stierenvechtersleerling' verslag van doet), verliest zich vervolgens in allerlei diepzinnige theorieën over de herkomst, de betekenis en de culturele aspecten van dit volksvermaak, zonder zich al te druk te maken over de morele kant van deze dierenmishandeling, die, net als in ons land bijvoorbeeld het palingtrekken of het gansknuppelen, natuurlijk allang verboden had moeten zijn (wie zo nodig stoer wil zijn, die gaat maar lekker bungeejumpen of de K2 beklimmen).
    Zoals Groot in zijn uiteenzettingen over het stierenvechten weinig oog heeft voor het dierenleed dat er onlosmakelijk mee verbonden is, zo veronachtzaamt hij in zijn stukken over de pornografie (waarvan hij bekent een liefhebber te zijn - wie wil dat eigenlijk weten?) de ellende die ermee gepaard gaat - geen pornografie zonder exploitatie, om nog maar het minste kwaad van de porno-industrie te noemen. In beide gevallen belicht hij dus eenzijdig de kant van het genot. Het lijkt erop dat hij hier uit pure angst om van moralisme te worden beticht de morele verwerpelijkheid van uitwassen als stierenvechten en pornografie voor lief neemt of er op zijn minst het zwijgen toe doet.
    Een moralistisch standpunt neemt hij vreemd genoeg wel in zijn kunsttheoretische stukken in.
Simpel gezegd komt zijn betoog op het volgende neer. Het moet maar eens uit zijn met al die elitaire, zwartgallige en choquerende kunst. De maatschappij is op zich al somber genoeg en ze spreidt haar schandaleuze kanten tegenwoordig schaamteloos ten toon, zodat er, anders dan in het verleden, voorde kunst geen ontmaskerende functie meer is weggelegd. De Kunst (met een hoofdletter) moet 'haar hoge gestalte en pretentie afleggen', haar 'neerslachtige getto' verlaten en zich op het 'vlak van het banale vertonen'. Zo kan ze als kunst (met een kleine letter) haar oorspronkelijke functie weer vervullen, namelijk 'het aanwijzen van schoonheid en troost in een niet altijd schone en troostrijke wereld'.
    De gelukkigste illusies is al met al een, zowel wat inhoud als perspectief betreft, nogal heterogene verzameling stukken en stukjes, die maar geen echt boek wil worden. Jammer, want Groot bewijst dat hij niet alleen over een grote eruditie, maar ook over een vlotte hand van schrijven beschikt. Misschien moest hij zijn aandacht maar eens wat minder versnipperen.
.
De gelukkigste illusies - Over kwaad en verlossing, Ger Groot. SUN; 405 pagina's; €27,50; ISBN 9789085065616


Naar Creativiteit en slechtheid, bronnen , Creativiteit en slechtheid , Psychologie lijst  , Psychologie overzicht  , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]