Bron bij Creativiteit en slechtheid

De Volkskrant
, 10-11-2006, recensie door Arnon Grunberg

Wie ben ik ?

De Italiaanse schrijver Luigi Pirandello (1867- 1936) wilde alles vernietigen, behalve zijn identiteit. Zijn roman Iemand, niemand en honderdduizend (1926) gaat daarover - over wie je denkt te zijn en wie je bent in de illusie van anderen. Schrijver Arnon Grunberg verbindt deze roman met hoe Pirandello zelf het leven zag.


Tussentitel: Luigi Pirandello geloofde in God, maar zijn God hield niet van mensen

Luigi Pirandello (1867-1936) gaf er de voorkeur aan na zijn dood in een beddenlaken te worden gewikkeld. Kaarsen of bloemen waren ongewenst. ‘Il carro, il cavallo, il cocchiere e basta.’
    De Nobelprijswinnaar voor literatuur van 1934 wilde zonder vrienden naar het crematorium worden gereden. Alleen de wagen, het paard en de koetsier mochten hem begeleiden. De urn moest worden overgebracht naar zijn geboorteplaats: Agrigento op Sicilië.
    De jaren voor zijn dood was Pirandello steeds zonderlinger geworden. Hij tikte zijn manuscripten op een typemachine met één vinger. Doorslagen maakte hij niet. De meeste van zijn manuscripten verbrandde hij en de sensatie zijn eigen bloed te voelen stromen vond hij ondraaglijk. Medicijnen weigerde hij te slikken. Met Mussolini had hij toen al gebroken. Terwijl hij nog in 1929 in een interview met de Deutsche Allgemeine Zeitung had verklaard: ‘Ik ben fascist omdat de massa nooit uit zichzelf tot scheppen in staat is. Slechts de eenling schept. Het leven bestaat uit scheppers en materie. De massa is materie; zij heeft geen eigen wil, geen eigen kracht, zij is slechts materie in handen van de grote vormer.’
    Het is goed te bedenken dat ‘fascist’ in 1929 een andere betekenis had dan tegenwoordig.
    Later zou Pirandello zijn keuze voor het fascisme van pragmatische argumenten voorzien: ‘Ik ben fascist omdat de Italianen zo’n regering verdienen.’ Tegen een dergelijk argument is weinig in te brengen.
    Volgens de korte maar aangrijpende biografie van Max Nord was Pirandello op zijn sterfbed voornamelijk bezig met een olijfboom. Hij meende te weten hoe zijn onvoltooide toneelstuk De reuzen van het gebergte moest worden opgevoerd. ‘Een grote olijfboom, midden op het toneel: daarmee heb ik alles opgelost’, schijnt hij vlak voor zijn dood te hebben gezegd.
    Luigi Pirandello had de vernietigende gevolgen van geestesziekte van nabij meegemaakt. Zijn echtgenote Antonietta Portulano werd krankzinnig toen bleek dat haar vader het vermogen van haar en haar man verkeerd had belegd. De oude Portulano, een zakenvriend van Pirandello’s vader, had gegokt op zwavelmijnen, een rampzalige gok.
    Antonietta kreeg daarop last van verlammingsverschijnselen en paranoïde wanen die bij haar voornamelijk neerkwamen op ziekelijke jaloezie. Zij achtervolgde haar man op straat, hij moest bij haar zijn uitgaven verantwoorden. Op het toppunt van haar wanhoop liep ze met een geladen revolver door het huis en deed een zelfmoordpoging. Een verroeste loop voorkwam het ergste. De artsen gaven Pirandello weinig hoop op genezing. Uit liefde voor zijn echtgenote of uit plichtsbesef, misschien ook uit angst, schikte Pirandello zich naar de wensen van Antonietta. Nord schrijft dat hij zo min mogelijk naar zijn eigen toneelstukken ging kijken om zijn echtgenote geen reden te geven hem te verwijten dat hij ’s avonds alleen weg was geweest.
    Het werk van haar man heeft Antonietta nooit gelezen. Zij stond er vijandig tegenover.
    Antonietta’s wanen werden steeds erger en in 1919 bracht Pirandello haar naar een inrichting in Rome. Drie kinderen kwamen uit dit huwelijk voort, twee zonen en een dochter.
    Antonietta overleefde haar man en stierf in 1959, op 88-jarige leefttijd. De enige die nog contact met haar had, was haar oudste zoon Stefano. De laatste keer dat hij zijn moeder zag meende zij dat hij zijn vader was.
    In een brief aan zijn Franse vertaler Benjamin Crémieux schreef Pirandello: ‘Ik heb vergeten te leven, zozeer vergeten dat ik niets, helemaal niets kan zeggen omtrent mijn leven, tenzij dan misschien dat ik het niet leef maar dat ik het schrijf.’
    Er zit een onmiskenbare ironie in deze pathetische uitspraak. Hoe kun je vergeten om te leven? Iedereen die niet in coma ligt, leeft. En het is niet eens evident dat de comateuze toestand geen leven mag worden genoemd. Waarom zou schrijven dan geen leven zijn? Maar hoe pathetisch en ironisch de brief aan Crémieux ook mag zijn, hij onthult de klassieke angst van de neuroot: leef ik eigenlijk wel?
    In het geval van Pirandello moet daaraan worden toegevoegd: hoe kan ik zeggen dat ik leef als mijn werkelijkheid niets dan waan is. Als je universum een door jouw geschapen ziekte is, met welk recht kun je dan nog spreken van leven. Of moet dit het adagium worden: ik ben ziek dus ik besta.
    Pirandello’s Iemand, niemand en honderdduizend is een van de merkwaardigste romans die ik de afgelopen jaren heb gelezen. Het boek heeft veel weg van een studie naar de aard van de waanzin, zonder dat de hoofpersoon werkelijk waanzinnig kan worden genoemd. Men zou deze roman ook een verhandeling kunnen noemen over het waarheidsgehalte van de werkelijkheid, of beter gezegd het gebrek daaraan.
    Hoofdpersoon is Vitangelo Moscarda, de zoon van een bankier, die terend op het vermogen van zijn vader in het stadje Richieri leeft. Zijn dagen zijn gevuld met een zekere lethargie, zonder dat dat al te negatief moet worden uitgelegd. Er zit schoonheid in bewuste passiviteit. In deze Moscarda schuilt een weemoed die me aan Fellini deed denken: een man die vergeet op te groeien, omdat er geen reden is op te groeien. Zoals de boulevard van Rimini bij Fellini het decor vormt voor een paradijselijke gevangenis, zo is Richirie bij Pirandello toonbeeld van de huiselijkheid van het geluk. Door zijn echtgenote wordt Moscardo ‘Gengè’ genoemd. ‘Gengè’, zegt ze, ‘laat je de hond niet meer uit?’
    Maar dan verklaart Moscarda’s vrouw op een dag dat de neus van haar echtgenoot scheef staat. Moscarda zelf had dat nooit gezien. Goed, mooi had hij zijn eigen uiterlijk nooit gevonden, maar zeker ook niet misvormd.
    Een andere schrijver had van dit uitgangspunt wellicht een queeste gemaakt naar een rechte neus. Een lijdensweg langs cosmetische chirurgen, zelfverkozen kluizenaarschap en een alles verterende obsessie, waardoor het kleine ongemak uitmondt in groot ongemak. In de handen van Pirandello komt Moscara voornamelijk tot de conclusie dat hij niet is wie hij dacht te zijn. Voorzover hij überhaupt afgeronde gedachten over zijn eigen zijn had.
    Het is niet de scheve neus waardoor hij in de spiegel zijn ‘eerste waanzinsglimlach’ ziet. Hij is niet wie anderen denken dat hij is. En hij begrijpt dat iedereen andere gedachten over hem heeft. Er zijn tientallen totaal van elkaar verschillende Moscarda’s. Levend in verschillende en ondoordringbare werkelijkheden. De continuïteit waardoor het zin heeft al die verschillende Moscarda’s met één en dezelfde naam aan te duiden komt hem voor als een zinsbegoocheling.
    ‘Wat voor samenhang bestaat er tussen mijn ideeën en mijn neus’, peinst Moscarda. ‘Volgens mij geen enkele. Ik denk niet met mijn neus en let er ook niet op wanneer ik denk. Maar de anderen? De anderen die mijn ideeën niet van binnen kunnen waarnemen en van buitenaf mijn neus zien?’
    Wetend dat hij voor anderen iemand is die hij niet kent en die hij waarschijnlijk nooit zal kennen – zullen ze ooit tegen hem zeggen wat ze echt over hem denken? – begint Moscara zichzelf als een vreemdeling te zien. Een vreemdeling die hij nader wil leren kennen, die hij wil betrappen op het leven.
    Een levensvervulling die net zo heroïsch is als die van een man die voor alles naar een rechtere neus streeft: jezelf zien leven.
    Maar volgens Pirandello is het probleem dat je niet kunt leven als je je er bewust van bent dat je leeft, en zonder dat bewustzijn zul je nooit zeker zijn dat je leeft. Om in Freudiaanse termen te blijven: het ik en het superego voeren een loopgravenoorlog tegen elkaar en Moscarda zelf is hooguit slagveld.
    ‘Wij kunnen alleen dat kennen waar wij een vorm aan kunnen geven’, schrijft Pirandello in Iemand, niemand en honderdduizend. En daarvóór noteert hij: ‘De mens gebruikt ook zichzelf als materiaal, en construeert zichzelf.’
    Zoals de grote vormer de willoze massa vormt en construeert?
    In 1924 werd Pirandello in een interview trots een antidemocraat genoemd. De Duce vond hij weliswaar vulgair, maar toch. Aan zijn oprechte antidemocratische gevoelens hoeft nauwelijks te worden getwijfeld.
    Moscara heeft al gezien dat de constructie van het ik feitelijk een illusie is die overeind blijft dankzij pure wilskracht. Vervolgens ziet hij in dat iedereen ‘keurig netjes een plaats heeft in de illusie van anderen’. En daarvóór heeft hij al opgemerkt dat de mens die wil ontsnappen aan onontkoombare eenzaamheid, geen andere keus heeft dan de wereld die hij in zich draagt ‘aan anderen op te leggen’.
    Het opleggen van je eigen wereld aan anderen gaat niet door middel van handopsteken. Het is een kwestie van wie het beste kan kneden, wie het spel het beste kan spelen. Een ijzeren wil heb je ervoor nodig om jouw wereld aan anderen op te leggen, anderen jouw wereld binnen te sleuren. Dat het ‘ik’ een spel is, ook als je eraan kunt sterven, daaraan twijfelt Moscarda niet. En uit dit spel trekt hij consequenties.
   Nu hij de continuïteit die ons vermoeden over identiteit vereist als een waanbeeld ervaren heeft, besluit hij anderen uit dit waanbeeld te verjagen. Hij gunt ze de Moscarda’s niet meer die zij als een eenheid beschouwen. Zij hebben zich hem toegeëigend door van hem iets te maken dat hij niet is. Nu komt hij zichzelf opeisen. Hij gaat de andere Moscarda’s vernietigen. Daardoor verliest hij uiteindelijk zijn vrouw en zijn geld. Je zou kunnen zeggen: alles.
    Over eenzaamheid wordt meestal geschreven als een ongewenste bijwerking van een te scheve neus of minder dan ideale maatschappelijke verhoudingen – denk aan de beroemde vervreemding, wellicht ook het resultaat van een moeizaam karakter.
    Pirandello benadert de eenzaamheid als een onvervreemdbare eigenschap van de mens. De waarheid is eenzaam, alleen illusies gloeien na.
Moscarda gaat de illusie van de contuïteit te lijf door dat te doen wat vrienden en bekenden niet van hem verwachten. Eerst zet hij een arme sloeber, Marco diDio, uit zijn huis. Moscarda heeft ook huizen in zijn bezit. Deze diDio is uitvinder die rijk hoopt te worden met een reukloos toilet voor dorpen zonder stromend water. Nadat de uitzetting succesvol is verlopen, maakt Moscarda bekend dat hij het huis aan diDio schenkt.
    Hierdoor worden zijn vrouw en zijn werknemers bij de bank zijn vijanden. Men ziet hem voor gek aan.
Het is de kerk die hem ertoe brengt afstand te doen van al zijn bezittingen uit berouw voor zijn zonden. Een bijzonder ironische episode. Moscarda wil van alles afstand doen, niet omdat hij gezondigd heeft, maar om aan te tonen dat wat voor anderen belangrijk is voor hem geen waarde heeft. Men heeft in hem de woekeraar of de zoon van de woekeraar gezien, maar die zoon van de woekeraar was nooit meer dan een marionet.
    ‘Een naam is niets anders dan dat, een grafschrift’, concludeert Moscarda. ‘Het hoort bij de doden.’
    Zo leeft Moscara uiteindelijk in de waarheid, zonder namen, zonder constructies, maar ook zonder mensen, alleen met dingen.
    Pirandello wilde alles vernietigen, schrijft Max Nord, behalve zijn boodschap ‘die uiteindelijk zijn identiteit was’.
    In een interview over het fascisme had Pirandello eens gezegd in God te geloven. Maar hij voegde daaraan toe: ‘God houdt niet van de mensen.’

Luigi Pirandello. Iemand, niemand en honderdduizend. Uitgever: Eldorado, prijs: € 10,-, 200 pagina's, isbn: 90 4710 231 2


Terug naar Creativiteit en slechtheid , Psychologie overzicht  , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]