De Volkskrant, 03-10-2006, door Theodore Dalrymple

‘Ineens was ik verslaafd aan heroïne’

Theodore Dalrymple meent dat het veel moeilijker is verslaafd te raken aan opiaten en veel makkelijker om ervan af te komen dan wordt verondersteld.


Volgens de gangbare visie op heroïneverslaving wordt iemand min of meer toevallig blootgesteld aan heroïne. De drug heeft een aangenaam effect, dus neemt hij nog wat en dan nog wat. Binnen de kortste keren is hij lichamelijk verslaafd. En ter vermijding van het vreselijke lijden dat door onthouding wordt veroorzaakt, ziet hij zich genoodzaakt steeds meer heroïne gebruiken. Helaas moet hij, om de drug te bekostigen, vaak vervallen tot misdaad, want zijn verslaving maakt normaal, betaald werk onmogelijk. Intussen heeft de heroïne zijn zelfbeheersing volstrekt vernietigd. Zonder vervangende drug of een langdurig rehabilitatieprogramma komt hij er nooit van af.
    Laten we deze visie eens nader bekijken. Iemand wordt blootgesteld aan heroïne. Het gebruik van de passieve constructie is veelzeggend. De heroïne gaat naar de mens, de mens gaat niet naar de heroïne. Het is alsof de heroïne wel een eigen wil heeft en de mens niet. Een typerend voorbeeld hiervan hoorde ik onlangs van een jonge crimineel: ‘Ik kreeg contact met twee gozers die wat ouder waren dan ik en op een dag had één van hen een joint bij zich, van het een kwam het ander, toen dook er op een dag iemand op met wat crack cocaïne, en het ging maar door en ineens was ik heroïneverslaafde.’
    Zo’n verhaal dient duidelijk het eigenbelang: er is geen sprake van eigen controle en dus ook niet van schuld. Maar mensen die echt bij toeval aan opiaten worden blootgesteld, bijvoorbeeld na een operatie, raken er in feite maar zeer zelden aan verslaafd. Misschien is het ooit, voordat de verslavende eigenschappen van heroïne algemeen bekend raakten, zo geweest dat nietsvermoedende lieden hooked raakten (een uitdrukking die mensen reduceert tot het niveau van vissen) voor ze beseften wat er aan de hand was. Maar de hedendaagse heroïneverslaafden zijn afkomstig uit stadswijken waar je onmogelijk onbekend kunt blijven met het heroïneleven. Kinderen mogen dan de jaartallen van het Twaalfjarig Bestand niet meer kennen, ze weten wel dat heroïne verslavend is en wat voor mensen het gebruiken.
    Als ik heroïneverslaafden vraag waarom ze ooit begonnen te gebruiken, geven ze twee soorten antwoorden: ‘Ik viel in handen van verkeerde types’ of ‘heroïne is overal’. Vallen is onderworpen zijn aan de zwaartekracht. Het is dus even onmogelijk de invloed van verkeerde types te weerstaan als die van de zwaartekracht. Als ik zeg dat het toch gek is dat ik zoveel mensen tegenkom die in handen van verkeerde types vielen, maar zelf nog nooit een van die verkeerde types heb ontmoet, zie ik de verslaafde lachen. Hoewel in de regel niet hoogbegaafd, weet hij precies wat ik bedoel. Mensen worden beïnvloed door mensen die ze bewonderen; de bewondering gaat aan de invloed vooraf. Dit wordt uitgedrukt met de aloude wijsheid ‘soort zoekt soort’.
    ‘Heroïne is overal’, luidt de alternatieve verklaring. Daarmee bedoelt de verslaafde dat er niet aan te ontsnappen valt; de heroïne dringt zich aan hem op. Maar als heroïne overal is, waarom is dan niet iedereen aan heroïne verslaafd? Heroïneverslaving is nog altijd de aandoening van een kleine minderheid, zelfs in de ellendigste wijken van de ellendigste steden. Ongetwijfeld wordt er dikwijls sociale druk uitgeoefend, maar er blijft altijd sprake van keuze.
    Volgens de gangbare opvatting zijn opiaten zeer verslavend. De toekomstige verslaafde hoeft de drug maar een paar keer te gebruiken en dan is zijn wilskracht verdwenen, als sneeuw voor de zon. Hij is hooked, voor eens en voor altijd. Hij is een zombie wiens handelen wordt bepaald door heroïne. Dit is flagrante nonsens. In feite moet je behoorlijk je best doen om een geloofwaardige heroïneverslaafde te worden. De Quincey vertelt ons, in zijn Confessions of an English Opium-Eater (1822), dat hij jarenlang opium gebruikte zonder verslaafd te raken. We weten ook dat patiënten, aan wie nog dagen na de operatie opiaten worden gegeven, ontwenningsverschijnselen kunnen krijgen als men te plotseling met de opiaten stopt. Maar ze raken niet verslaafd in de zin dat ze nadien dwangmatig op zoek gaan naar de drug. Ze stoppen simpelweg met het gebruik omdat ze er niet langer mee willen doorgaan.
    De Encyclopedia of Drugs and Alcohol zegt over het ontstaan van ‘afhankelijkheid’: ‘Tussen de eerste keer en het dagelijkse gebruik ligt doorgaans ongeveer een jaar, maar soms duurt het nog veel langer.’ Dit wordt gestaafd door het autobiografische Junkie (1953) van William Burroughs. Tijdens een van zijn zeldzame ogenblikken van waarheidsgetrouwheid, schrijft de psychopaat Burroughs: ‘Je wordt niet op een morgen wakker en besluit dan om drugsverslaafde te worden. Je moet ten minste drie maanden lang twee keer per dag spuiten om sowieso enigszins verslaafd te raken.’ Het ontstaan van een verslaving eist dus een zekere discipline. Dit wijst erop dat je beter kunt zeggen dat de verslaafde de heroïne ‘haakt’ dan dat de heroïne de verslaafde ‘haakt’. Het actieve principe is de mens, niet de drug, en verslaving is een vrij gekozen toestand – wat wordt genegeerd door de verslavingsbureaucratie.
    Volgens de gangbare opvatting vallen heroïneverslaafden ten prooi aan de vreselijkste ontwenningsverschijnselen als ze zomaar stoppen. Is dat nou echt zo? In de gevangenis waar ik werk, heb ik een groot aantal afkickende verslaafden meegemaakt. Bij geen enkele heb ik ooit gevreesd voor zijn leven. Alle symptomen waren te verhelpen met simpele, niet-opiatische medicatie. Wel beweren ze vaak dat ze gruwelijk lijden. Ze krommen hun schouders en wringen zich in theatrale doodsstrijd. Ze zeggen dat ze ondraaglijk lijden en uiten allerhande dreigementen als ik niet iets (een opiaat, bedoelen ze) voorschrijf om hun lijden te verlichten, dreigementen die uiteenlopen van het beschadigen van hun cellen tot het doden van zichzelf, anderen of zelfs mij. Als het erop aankomt, voeren ze hun dreigementen vrijwel nooit uit. De verslaafden die zeggen dat ze suïcidaal zijn, trekken hun dreigementen in zodra ik voorstel dat ze dan maar in een cel moeten worden gestopt, die zo kaal is dat je nergens een strop aan vast kunt maken. Daar ontbreken ook de gebruikelijke voorzieningen, en het vooruitzicht dat ze daar een nacht moeten doorbrengen, leidt dan tot de bekentenis dat ze me een loer probeerden te draaien. Mijn dreigement dat ik ze in zo’n cel zal laten opsluiten, leidt in de meeste gevallen tot miraculeuze verbeteringen in hun stemming en gedrag en sommigen lopen lachend mijn kamer uit.
    Hoewel veel artsen weten dat verslaafden zich bij de medische staf heel anders gedragen dan wanneer ze onder elkaar zijn, laten ze hun handelwijze daar niet door beïnvloeden. Het zijn net artsen in pijnklinieken die zien hoe hun patiënten die zogenaamd aan zware rugpijn lijden de trappen op en af rennen, maar daar geen conclusies aan verbinden. Ze blijven het leed van ontwennende verslaafden behandelen alsof dat het directe gevolg is van een lichamelijke kwaal. Alleen zo kunnen ze de openlijke confrontatie met de patiënten vermijden; een confrontatie die zeer tijdrovend en emotioneel uitputtend is.

Dit is een bekorte versie van hoofdstuk 1 uit Drugs; de mythen en de leugens van psychiater Theodore Dalrymple dat op 15 oktober verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.


Terug naar Psychologische praktijktips , Psychologische praktijktips, drugs , Drugs lijst , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]