De Volkskrant, 09-11-2006, door Freek Polak, psychiater en bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid

Dalrymple blijft in greep mythe

Dalrymple doorziet de mythologie rond drugs wel, betoogt Freek Polak, maar houdt er in zijn verdediging van het wettelijk verbod op drugs toch aan vast.


In zijn nieuwe boek Drugs bestrijdt Theodore Dalrymple dat verslaving een ziekte is (Forum, 3 oktober). Volgens hem is het niet meer dan een slechte gewoonte. Hij ziet een heimelijke verstandhouding tussen verslaafden en verslavingszorg: dokters doen alsof ze verslaving kunnen behandelen, en verslaafden doen alsof ze ziek zijn.
    De vraag is volgens mij niet of verslaving een ziekte is, maar of er goede argumenten zijn om het als een ziekte te beschouwen. Dat hangt vooral van de definitie van ‘ziekte’ af. Als die ruim genoeg is, kan verslaving er ondervallen. Maar zelfs dan is het een buitengewone ziekte, de enige waarmee de zieke zelf kan ophouden. Van iemand met een filosofische inslag als Dalrymple valt het tegen dat hij niet beredeneert waarom hij het geen ziekte noemt. Hij ziet het gewoon zo en denkt dat andere artsen het net zo zien, maar het niet hardop durven zeggen. Hij wil dat verslavingsklinieken de pretentie opgeven dat zij verslaving kunnen behandelen. Zij moeten alleen bijkomende ziekten behandelen. Ik ben het met hem eens dat verslavingsbehandeling voornamelijk zorg is en veel minder genezing. Maar er zijn zeker verslaafden voor wie de kliniek de juiste omgeving is om te leren hun gebruik onder controle te krijgen.
    Nu zou men misschien verwachten dat Dalrymple drugslegalisering bepleit, maar daar is hij tegen. Hij concludeert voorzichtig dat de argumenten voor het verbod sterker zijn dan die ertegen. Hij onderscheidt filosofische en pragmatische argumenten voor legalisering. Het filosofische argument geeft hij weer met het beroemde citaat van John Stuart Mill: ‘Het enige doel waarvoor macht met recht mag worden uitgeoefend over een lid van een beschaafde samenleving, tegen zijn wil, is het voorkomen van schade aan anderen. Zijn eigen goed, fysiek of moreel, vormt geen toereikende grond.’ Om dit onderuit te halen, interpreteert Dalrymple het begrip ‘macht’ zeer ruim. In zijn interpretatie van Mill heeft de staat geen enkele mogelijkheid meer om moreel gedrag te bevorderen en immoreel gedrag tegen te gaan. Terwijl de gebruikelijke interpretatie is dat hier toepassing van geweld door de staat bedoeld is. De staat heeft allerlei mogelijkheden om gedrag van burgers te beïnvloeden zonder geweld toe te passen, maar dat laat Dalrymple buiten beschouwing.
    Wel gaat hij mee met wat Mill later toevoegde: niet alle vrijheden zijn even belangrijk en hetzelfde geldt voor beperkingen van vrijheid. Dat de overheid het dragen van autogordels verplicht stelt, is een kleine inperking van de vrijheid. Bovendien zijn de sancties licht. Dalrymple erkent dat de vrijheid te kiezen uit een variëteit van roesmiddelen veel belangrijker is. Hij zegt nota bene zelf dat miljoenen mensen onschuldig plezier hebben ontleend aan het gebruik van stimulerende en verdovende middelen. Dit is overigens de enige keer dat hij het recreatief gebruik van illegale roesmiddelen aanstipt.
    Dalrymple meent dat drugsgebruik de menselijke vrijheid verkleint doordat het de belangstelling inperkt. Belangrijke doelen worden minder nagestreefd, het belemmert het vermogen betaald werk te vinden en het bevordert parasitisme. Dit is zwaar overdreven. Het geldt alleen voor de ernstigste vormen van afhankelijk gebruik, en niet voor de miljoenen mensen die hij zelf noemt.
    Bovendien werken roesmiddelen volgens Dalrymple niet geestverruimend, maar geestbeperkend: ‘Drugsgebruik is de manier waarop luiaards geluk nastreven.’ Hij legt niet uit waarom zijn afkeer van luiheid iemand gevangenisstraf moet bezorgen (column 1997, www.city-journal.com).
    Dan de pragmatische argumenten. Dalrymple doet alsof voorstanders van legalisering beweren dat alle problemen rond drugsgebruik zullen verdwijnen na legalisering en gaat dan aantonen dat dat niet het geval zal zijn. Dit is onnodig, want niemand beweert dit. Verwacht mag worden dat drugsgerelateerde criminaliteit en overlast zullen verminderen; het drugsgebruik zal blijven schommelen rond het niveau dat inmiddels is bereikt; politie en justitie zullen tijd krijgen voor andere taken; er zal minder corruptie zijn; en criminele en terroristische organisaties zullen moeilijker aan geld kunnen komen.
    Dalrymple denkt dat na legalisering niet alleen verslaving maar ook criminaliteit fors zal toenemen. Verslaafden en dealers zullen zich op andere criminele activiteiten richten en hun gewelddadigheid, die tot nu toe vooral onderling slachtoffers maakte, zal de hele bevolking treffen. In deze visie, die ook bij Nederlandse gezagsdragers wel voorkomt, is de handel in illegale drugs eigenlijk een soort werkverschaffing. Zo houden we zware criminelen tenminste bezig (met iets dat relatief weinig slachtoffers vraagt) maar als drugs legaal worden, gaan ze ergere dingen doen.
    In de National Review (6 november) wijst Jacob Sullum erop dat Dalrymple de mythologie van verslaving wel doorziet, maar er in zijn verdediging van het wettelijk verbod toch aan vasthoudt. Bij Dalrymple vinden we een wonderlijke combinatie van scherpe analyse en onbegrijpelijke irrationaliteit. Hij slaagt er niet in de argumenten voor legalisering te ontkrachten. Hij blijft in de greep van de verslavingsmythologie, terwijl hij de ernstigste schadelijke effecten van de drugsbestrijding buiten beschouwing laat. Hij erkent dat het drugsverbod de gezondheidsrisico’s doet toenemen, maar in zijn afweging tussen verbieden of legaliseren speelt dat geen rol. Zijn morele afkeer van drugsgebruik, gecombineerd met angstige verwachtingen die weinig basis hebben, wint het van de enorme feitelijke schadelijke effecten van het wettelijke verbod op drugs.
    Dalrymple spreekt niet zozeer als arts, maar als moreel entrepreneur. Wel beroept hij zich voortdurend op zijn ervaring als psychiater in klinieken en gevangenissen en daarbij lijdt hij aan de ‘illusie van de clinicus’: dag in dag uit een selectie zien van de meest problematische toestanden, en daardoor denken dat je een beter beeld hebt dan anderen van wat er in de samenleving gebeurt. Een beperkte basis om een drugsverbod in stand te houden dat zo veel schade veroorzaakt.

Freek Polak is psychiater en bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid. Hij was van 1990 tot 2003 werkzaam bij de drugsafdeling van de GGD Amsterdam


Terug naar Psychologische praktijktips , Psychologische praktijktips, drugs , Drugs lijst , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]