De Volkskrant, 31-12-2005, door Peter Giesen 19 dec.2007

Alle achterlijken naar een eiland

De 100-jarige IQ-test, ooit een succesvol hulpmiddel in het onderwijs, is door bureaucraten weggekaapt.

Tussentitel: 'Iedereen kan zich achter een getal verschuilen'

Een vader wil zijn zoon met leerproblemen inschrijven op een school voor speciaal onderwijs, waar hij meer begeleiding kan krijgen. Het lijkt iedereen een goede oplossing, maar dan blijkt dat de jongen 69 punten heeft gescoord op een IQ-test. Helaas, zegt de school, wij moeten van de overheid een ondergrens van 70 punten hanteren.
    Het testen op intelligentie is uit de hand gelopen, vindt dr. Peter Tellegen, docent psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zelf maakt hij de SON-test, een succesvolle intelligentietest die over de hele wereld gebruikt wordt.
    Hij kan er enthousiast over praten. Een prachtig hulpmiddel, zo'n test, die een indicatie geeft van het intelligentieniveau, en inzicht biedt in iemands sterke en zwakke punten.
    Maar tegenwoordig wordt de score verabsoluteerd, alsof het een exacte meting betreft. 'Dat is onzin. Er is onderzoek gedaan waarbij kandidaten twee verschillende tests maken. Beide tests waren kwalitatief goed. Toch was er in 10 procent van de gevallen een verschil van 20 punten of meer.
    'Dat geeft wel aan hoe betrekkelijk zo'n cijfer is. Een persoon heeft ook helemaal geen IQ. Hij heeft alleen een score van een test die op een gegeven moment is afgenomen', zegt Tellegen, die ook een website heeft over dit thema (www.testresearch.nl).

Complexiteit
De intelligentietest is dit jaar honderd jaar geworden: in 1905 bedacht de Franse schoolarts Alfred Binet een test waarmee hij zwakzinnige kinderen kon onderscheiden van leerlingen die lui waren of anderszins slecht presteerden.
    In Nederland werd aanvankelijk wantrouwend gereageerd op de IQ-test. De rijkdom en complexiteit van 'heel de mens' kon toch niet worden gevat in zo'n kale, kwantitatieve proef?
    Pas na de Tweede Wereldoorlog werd testen ook in Nederland populair. Maar tegenwoordig wordt de testpsychologie vaak misbruikt, vindt Tellegen, als quasi-objectieve scheidsrechter voor beslissingen binnen de overheidsbureaucratie, zoals de verwijzing naar speciaal onderwijs.
    Tellegen: 'Achter het bureau worden met de natte vinger grenswaarden bedacht. Het zijn ook altijd van die mooie ronde getallen. De grens ligt nooit bij 83 of 97. Het is een beetje zoals in de 19de eeuw de grenzen van Afrika werden getrokken: mooie rechte lijnen die geen rekening hielden met de realiteit.'
    Alfred Binet relativeerde zijn uitvinding. De test was slechts bedoeld om leerlingen voor zwakzinnigenscholen te selecteren, stelde hij. De uitkomst mocht zeker niet beschouwd worden als een maat voor intelligentie.
     Dat gebeurde uiteraard toch. De Amerikaanse psycholoog Lewis Terman kwam in 1916 met de Stanford-Binet test. Terman had aanzienlijk meer pretenties. Hij beschouwde het IQ als een zeer betrouwbare maat voor intelligentie. Bovendien zag hij intelligentie als erfelijk en onveranderlijk. Verbetering van onderwijs achtte hij daarom weinig zinvol: de dommeriken zouden er toch niet slimmer van worden.
    Termans ideeŽn werden in Nederland overgenomen door Jacob Prak (1898-1970). Prak was de eerste Nederlander die als psycholoog afstudeerde, in 1924. Van 1924 tot 1932 werkte hij als psychotechnicus voor Philips, waar in die jaren tienduizenden kandidaten werden getest op intelligentie en geschiktheid voor het werken in de fabriek.
    Voor Prak was de intelligentiepsychologie een heuse technologie die ervoor zorgde dat 'de rechte man op de rechte plaats' terecht zou komen. Maatschappelijke posities zouden op rationele en efficiŽnte wijze verdeeld kunnen worden door IQ-tests af te nemen.
    Prak was een sociaal-darwinist met een zeer hiŽrarchische kijk op de samenleving. De elite met een IQ van boven de 110 moest ruim baan krijgen, vond hij. Maar in plaats daarvan was de overheid gefixeerd op de verheffing van de lagere klassen.

Sociaal bezinksel
Allemaal verspilde moeite, stelde hij, want mensen met een laag IQ laten zich niet verheffen. Bijzonder problematisch vond Prak de 10 procent 'sociaal bezinksel' van allerdomste Nederlanders, waar eigenlijk helemaal niets mee te beginnen viel.
    IdeeŽn had hij er wel over: 'Ik denk bv. aan het reserveren van een waddeneiland voor een permanente bevolking van achterlijken.'
    Prak vond de IQ-test ook zeer geschikt voor selectie in het onderwijs. In de jaren twintig maakte maar de helft van de hbs'ers en gymnasiasten zijn school af. Op de ulo was het nog erger: daar haalde slechts eenderde zijn diploma. Volgens Prak lieten ambitieuze en kortzichtige ouders hun kinderen een te hoog schooltype volgen. Een IQ-test zou deze mensen op doeltreffende wijze uit de droom helpen.
    De Amsterdamse hoogleraar psychologie Philip Kohnstamm (1875-1951) keerde zich tegen deze ideeŽn. Uit experimenten was hem gebleken dat de voorspellende waarde van de IQ-test tegenviel. Bovendien vond hij een IQ-test eendimensionaal en niet geschikt om de diepte van de menselijke persoonlijkheid in kaart te brengen.
    Kohnstamm was derhalve voorstander van een 'verstehende' aanpak: de leerling moest kwalitatief beoordeeld worden door een onderwijzer of, indien nodig, een pedagoog. Anders dan Prak beschouwde hij intelligentie ook niet als onveranderlijk. Talentvolle kinderen uit de lagere milieus konden worden opgevoed tot intelligentie, geloofde hij. Prak sprak smalend van 'paedagoochelaars' wier ideeŽn niet op een stevig wetenschappelijk fundament waren gebouwd.
    Het standpunt van Kohnstamm werd in 1935 overgenomen door de regering. Vooralsnog verloor de testpsychologie daarmee van de kwalitatieve methode, waarin de deskundige een doorslaggevende rol speelde.
    'Prak stond ook alleen. Voor de oorlog telde Nederland slechts een handjevol psychologen. Het vak stond nog in de kinderschoenen. De pedagogen hadden daarentegen een stevige machtsbasis in het onderwijs', zegt psychologie-historicus Peter van Drunen.
    Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog. De kwalitatieve aanpak van Kohnstamm stuitte op steeds meer bedenkingen. 'Zijn methode gaf een grote macht aan de psycholoog of pedagoog die de kandidaat moest beoordelen. Het was ook een beetje autoritair', zegt Van Drunen.
    Naarmate Nederland democratiseerde, viel de autoriteit van zijn voetstuk. Zijn oordeel werd minder gemakkelijk geaccepteerd, de behoefte aan objectiveerbare methoden om intelligentie te meten groeide.

Standenmaatschappij
In 1943 had de jonge psychologe Nan Snijders-Oomen in het doveninstituut van Sint-Michielsgestel de Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest (SON) ontwikkeld. 'Haar echtgenoot was Jan Snijders, die later hoogleraar psychologie in Groningen zou worden. Snijders was een progressief katholiek, prominent lid van de PvdA. Hij zag de IQ-test als een goed middel om de standenmaatschappij te doorbreken.'
    Volgens veel sociaal-democraten in die jaren was het onderwijs nog te veel doortrokken van het denken in standen. Onderwijzers - voor Kohnstamm nog de deskundigen bij uitstek - zouden vaak bevooroordeeld zijn en kinderen uit hogere milieus sneller naar hbs of gymnasium sturen dan kinderen uit lagere standen.
    Door een 'objectieve' IQ-test zou het verborgen talent onder arbeiderskinderen opgespoord kunnen worden. De SON-test was daar geschikt voor. Omdat hij was ontworpen voor doofstomme kinderen, speelden verbale kwaliteiten geen rol.
    De opmars van de IQ-test paste derhalve in een streven om mensen zo eerlijk mogelijk te beoordelen, los van sociale vooroordelen of de willekeur van de deskundige. Maar het systeem lijkt zichzelf zo langzamerhand in de staart te bijten.
    De deskundige die bij Kohnstamm nog centraal stond, verdwijnt steeds meer uit beeld. Zijn plaats wordt ingenomen door de tester, die een aantal gestandaardiseerde proeven afneemt.
    'Steeds vaker wordt zo'n test op de computer afgenomen, waarna er een door de computer gegenereerde interpretatie en advies uitrolt', zegt de Groningse psycholoog Tellegen.
    Als de deskundige niet meer vertrouwd wordt, blijft alleen het getal over. De scores, die volgens de psychologische wetenschap altijd betrekkelijk zijn, worden vervolgens gebruikt om bureaucratische beslissingen te legitimeren.
    'Misbruik van de test', vindt Van Drunen. 'Het is natuurlijk wel handig', stelt Peter Tellegen. 'Iedereen kan zich achter een getal verschuilen.'

Rectificatie / Gerectificeerd    Als een kandidaat twee verschillende IQ-tests maakt, is er in 10 procent van de gevallen een verschil van 20 punten of meer (Kennis, 31 december). Dit moet zijn: 5 procent.


Naar Intelligentie, ontkenning Wetenschap lijst , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]