De Volkskrant, 14-03-2015, door Maarten Keulemans .2010

Psychologie | Susan Carey deed baanbrekend babyonderzoek

Hoe kinderen concepten leren

Als uw kind opeens rare vragen begint te stellen, let dan op: het staat misschien op het punt een intellectuele doorbraak te maken. Invloedrijk Harvard-psychologe en babyonderzoekster Susan Carey vroeg zich af hoe kinderen uitvogelen wat 7 betekent, of 'levend', en kwam tot een nieuwe kijk op de ontluikende menselijke geest.


Tussentitel: Begrijp dat dit episoden zijn, die echt moeilijk zijn voor het kind

Een jaar of 3 zal de dochter van Harvard-psychologe Susan Carey zijn geweest, toen ze tot de conclusie kwam dat standbeelden leven. Opa was net overleden en toen ze vroeg wat dat was, had ze te horen gekregen dat 'dood' betekende dat ze niet meer bij opa op bezoek kon. Opa was weg. Ze kon hem niet meer zien. Maar bij standbeelden kon dat nog wél, besefte de peuter. En dus was er maar één mogelijkheid: beelden leven.
    Carey lacht smakelijk als ze het verhaal, decennia later, ophaalt. 'Ze begreep niet wat het verschil is tussen dood en levenloos. Dus legde ik uit: standbeelden leven nooit, want mensen maken standbeelden, net als tafels en stoelen. Ze hoorde het aan en verzonk in gepeins. En na een tijdje stond ze naast me: dus tafels en stoelen leven ook?' Weer schatert ze. 'Ik had het alleen maar erger gemaakt.'
    Waar de peuter op was gestuit, was niet zomaar iets triviaals, denkt Carey, maar een cognitieve hobbel die iets weergeeft van de essentie van ons mens zijn. Haar geest maakte kortsluiting, de begrippen die ze kende begonnen elkaar tegen te spreken, de vonken spatten ervan af. Opeens stond ze voor een muur in haar begrip. En de enige manier om die muur te slechten was een mentale reuzensprong te maken, naar een geheel nieuw concept - het begrip 'leven' doorgronden.
    'Dat is echt anders dan leren dat een kangoeroe 'kangoeroe' heet', zegt Carey. 'Om een biologisch concept als 'leven' te bevatten, moet je een heel nieuwe structuur bouwen, een mal waarmee het kind al geleerde begrippen gaat heranalyseren. Een kind kan het woord 'leven' wel uitspreken, maar heeft nog niet het onderliggende concept, om dat woord op te projecteren.'
    Op straat zal ze niet direct worden herkend, deze energieke 73-jarige, maar er zijn kringen waar ze geldt als een levende legende. Op een recente lijst van de invloedrijkste toegepast psychologen ter wereld staat ze op vijf; en in academische kringen wordt haar naam in één adem genoemd met grootheden als Steven Pinker en Noam Chomsky.
    Susan Carey, die vanaf de jaren negentig een reeks baanbrekende experimenten deed met baby's en dreumessen en zelfs dieren, op zoek naar de oorsprong van onze kennis. Carey, die in 2009 het ambitieuze, 600 pagina's tellende opus magnum The Origin of Concepts uitbracht, waarin ze talloze experimenten en waarnemingen aaneenrijgt tot een nieuwe kijk op de ontluikende menselijke geest. 'Een van haar grote prestaties is dat ze heeft helpen uiteenrafelen: wat is er bij baby's vroeg aanwezig en wat komt erbij', zegt Sabine Hunnius van het Baby Research Centre in Nijmegen. 'Ze is een hele grote, in het babyonderzoek.'
    Leuk om zelf thuis te proberen: de keukentafelexperimenten waarmee Carey, samen met allerlei collega's, de mechanieken achter het leren tellen blootlegde. Neem een doos en stop er koekjes in. Eén, twee, drie koekjes. Daarna mag de dreumes grabbelen. Een, twee, drie keer. Maar vanaf vier koekjes gebeurt er iets raars: kleine kinderen graaien dan maar één keer. Ze snappen niet het verschil tussen één en vier koekjes.

Wat idioot eigenlijk, mevrouw Carey.
'Dat was ook voor ons heel vreemd. Maar wat die kinderen doen, is een mentaal model maken van de koekjes, waarbij er in hun hoofd maar één symbool is voor elk exemplaar. Ze representeren het als: koekje, koekje, koekje. Dat is ons visuele werkgeheugen. Jonge mensen kunnen vier objecten voor de geest houden, op mijn leeftijd zijn het er weer drie. En dat zie je in zo'n experiment: als je er vier koekjes in stopt, valt hun hele mentale model in duigen.'

En het duurt maar liefst twee jaar totdat dreumesen voorbij de vier komen...
'Sterker nog, de eerste negen maanden slagen ze er niet in om de betekenis van 'twee' te leren! Je kunt tegen een baby zeggen: hier is een stapel muntjes, kun je me er één geven? Dat lukt al snel. Maar als je vraagt: kun je me twee muntjes geven, dan geeft zo'n kind je een hele hand. Dus ze weten wat één is, maar hebben geen idee wat twee betekent.'

Waarom?
'Wat er in feite aan de hand is: ze hebben nog niet het concept 'twee'. Er is wel een representatie voor koekje-koekje, of voor stoel-stoel, maar nu moeten ze iets heel nieuws creëren. Ze moeten begrijpen dat welke set je ook aanspreekt - een muntje en een muntje, een koekje en nog een koekje, pappie en mammie - 'twee' heet. Dat is een codeersysteem dat het zenuwstelsel gewoon niet van nature heeft.'

Toch kunnen kleine kinderen al snel tellen.
'Ja, maar aanvankelijk alleen als kunstje, bij wijze van rijmpje: iene-miene-mutte, een-twee-drie-vier-vijf. Ze kennen de tellijst wel, maar hebben geen idee wat het betekent. Dat duurt anderhalf, twee jaar. Ze moeten een heel nieuw concept opbouwen: dat je die lijst van betekenisloze woorden in verband kunt brengen met objecten in de buitenwereld. Wacht eens! Een wilde gedachte: misschien is het zo dat telkens als ik er eentje omhoog ga in de tellijst, je een object toevoegt aan de verzameling!'

'Bootstrapping' is het lastig vertaalbare woord dat Carey voor zulke sprongen voorwaarts gebruikt: zoveel als jezelf aan je eigen haren optillen ('bootstraps' zijn de lusjes die soms aan de achterkant van stevige wandelschoenen zitten). 'Het kwartje valt' is een vrijere vertaling; in de informatica is 'booten' het opnieuw opstarten van de computer. En zichzelf opnieuw opstarten is wat de kinderen op zo'n moment doen: hebben ze de barricade eenmaal geslecht, dan kunnen ze woorden en zaken die ze al kenden aan het nieuwe concept toetsen.
    'De positie die ik inneem', zegt Carey, 'is dat er rijke aangeboren kennis is. Maar ook dat er echte discontinuïteiten zijn, zoals we zien bij de getallen.' De menselijke geest is volgens Carey dus geen onbeschreven vel, een tabula rasa zoals onder meer filosoof John Locke het noemde, maar een boek waarvan de ruwe indeling bij de geboorte al enigszins vastligt. En als we erin gaan schrijven, doen we dat niet regel voor regel, maar eerder met horten en stoten, een woord hier en een zinsflard daar, net zo lang tot het kwartje valt, je het verhaal snapt, en je de rest van de bladzijde kunt volschrijven.
    Neem natuurkunde, zegt Carey. 'Als je natuurkundeles krijgt, leer je allerlei relaties, zoals kracht is massa maal versnelling. Je hebt dan nog geen idee van wat een concept als 'kracht' of 'massa' is. Maar je leert wel iets. Wat die dingen ook zijn, ze zijn gerelateerd aan elkaar. Een hele serie van zulke generalisaties geeft je een structuur van plaatsbekleders, die je zegt hoe al die dingen met elkaar verband houden.'

Je leert eerst de relaties en de woorden, zodat het kwartje sneller valt.
'Precies. Net zoals je eerst 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 leert opzeggen, als betekenisloze lijst. Dat brengt je in de positie om de volgende stap te kunnen zetten, te bootstrappen.'

Maakt u het dan niet onnodig moeilijk? Je zou ook kunnen zeggen: die kinderen bouwen geleidelijk hun kennis op en combineren wat ze al leren.
'Het punt met conceptuele verandering is dat je echt nieuwe concepten nodig hebt. Je kunt Einsteins fysica niet afleiden door alleen maar elementen uit Newtons fysica te combineren: het is gewoon niet uit te drukken in de concepten die beschikbaar waren bij Newton. Zo zit het in feite ook bij die baby's in mijn lab. Als de enige numerieke vaardigheid die je als baby hebt de vaardigheid is om objecten te kunnen volgen... Je kunt gehele getallen eenvoudigweg niet uitdrukken in termen van die machinerie.'

Kun je sprongen in bijvoorbeeld rekenen bespoedigen?
'Er is wel iets dat het vertraagt: opgroeien in Japan of China. In het Chinees is het tien keer zo gewoon om over getallen te praten als in het Engels. Toch leren kinderen er de betekenis van het woord één zes maanden later dan een Amerikaans kind.'

Wat raar.
'Dat komt doordat zelfstandig naamwoorden er geen enkelvoud en meervoud kennen. Ze zeggen: één stoel, twee stoel, 87 stoel. De taal heeft geen nummermarkering, terwijl we in het Engels en het Nederlands wel een singulaire determinator hebben: 'a' of 'een'. Die hebben een betekenis die sterk overlapt met het getal 1. Dus de zinsbouw maakt al het onderscheid tussen 1 en meer dan 1. Dat scheelt zes maanden! Ondanks tien keer zoveel input.
    'En omgekeerd: kinderen die Sloveense talen of Arabisch leren snappen het concept 'twee' zes maanden eerder dan Engelse kinderen. Dat komt doordat het talen zijn met een duaalvorm, ze zeggen: één stoel, twee - laten we zeggen - stoelinnen, en drie stoelen. Dus het gaat van enkelvoud-tweevoud-meervoud. Dat geeft kinderen houvast, en blijkt het leren van getallen te versnellen.
    'Maar geloof me, je kunt niet naar binnen rennen en gaan roepen: dit is twee, dit-is-twee! In een mooi experiment gaf Barbara Seineke, met wie ik heb samengewerkt, kleine kinderen allerlei feedback en oefeningen met hun vingers, om ze te trainen. En inderdaad: dat hielp. Een beetje. De winst was gering, en is het makkelijk? Nee!'

Wat kunnen ouders dan wel, als hun kind tegen zo'n conceptuele muur aanloopt?
'Het maakt al uit om te beseffen dat sommige episodes in het leren conceptuele verandering vergen. Begrijp dat dit episoden zijn, die écht moeilijk zijn voor het kind. Zoals uitvogelen wat 7 betekent, of wat 'levend' betekent. Je moet weten dat hun denken soms leidt tot contradicties, zoals mijn dochter tegenkwam. Kinderen snappen contradicties, worden erdoor gemotiveerd, maar dat geeft ze nog niet het antwoord. Ze hebben hulp nodig!
    'Dit is wat je dan kunt doen: help het kind de centrale structuur op te bouwen. Als het gaat om het concept 'leven'; leg uit dat het lichaam een machine is die lucht, water, voedsel nodig heeft. Om te bewegen, te groeien en te helen. Gebruik analogieën: benzine laat de auto rijden, en kijk, jij beweegt ook! Dus je leert ze een geïntegreerd systeem: wat gebeurt er met voedsel, hoe je bloed het verspreidt door het lichaam. Je hebt nog nooit de woorden levend of dood genoemd, maar je brengt de dingen in positie. Wat wij ontdekten, is dat je met deze traininginterventie het begrip bespoedigt. Ze gaan door dit soort interventies spontaan het concept van leven en dood heranalyseren; dat is echt mooi.'

Het klinkt een beetje als Montessorionderwijs. Aanbieden als het kind er klaar voor is.
'Er is enorm veel bewijs in de opvoedkundige literatuur dat dit soort bootstrapping-theorieën extreem effectief zijn om de conceptuele omslagen waarover we het hebben te begeleiden. Wat je wilt, is de kinderen op het punt krijgen dat ze gemotiveerd zijn, én dat ze zien dat het conceptuele schema dat ze hebben problemen en tegenstellingen oplevert. Goede leraren doen dat automatisch, op intuïtie. Doe je het niet, dan leer je kinderen als het ware een jaar newtoniaanse mechanica, en hebben ze aan het eind nog steeds een pre-newtoniaans begrip. Het is hartbrekend als het zo wordt gedaan.'


Tussenstukken:
Aangeboren of aangeleerd?

Een magisch verhaal, zeggen academici in Nijmegen, waar Susan Carey onlangs te gast was, maar wij zien het anders.

Hebben mensen zoiets als aangeboren kennis? 'Nativisten' zoals Susan Carey geloven van wel: we worden niet blanco geboren, maar hebben al een zeker instinct voor aantallen en vormen.
    Maar veel vooral Europese academici moeten er weinig van hebben. 'Wat we bij de geboorte meekrijgen, zijn onze zintuigen. En we zijn klaar om later te leren lopen en spreken', verwoordt hoogleraar cognitieve psychologie Harold Bekkering van de Radboud Universiteit Nijmegen de 'empiristische' stroming.
    'Zo'n baby is een kleine leermachine', zegt ook ontwikkelingspsycholoog en babyonderzoekster Sabine Hunnius. 'Wij hebben het idee dat heel veel ontstaat uit lichamelijke ervaringen.'
    Bekkering was een van Careys gastheren toen ze laatst in Nijmegen was voor een reeks lezingen, en bij de discussies knetterde het: 'Ik vind haar verhaal heel magisch en ik snap het ook niet zo goed. Ze was bepaald not amused dat wij het helemaal anders zien.'
    Ondanks de experimenten van Carey - 'superinteressant', zegt Bekkering - zijn de Nijmegenaren er niet van overtuigd dat we ter wereld komen met een zeker getalinstinct.
    'We hebben inderdaad al snel gevoel voor magnitude, voor zaken als tijd, ruimte, zwaarte', zegt Bekkering. 'Maar in mijn simpele optiek kan dat prima voortkomen uit je ervaringen. Al snel merk je dat het ene object groter is dan het andere, of dat de ene koffer zwaar is en de andere niet. Zo kom je een heel eind in het begrijpen van getalcognitie.'


Het getal van het beest

Roodrugsalamanders, apen en kuikentjes kunnen ook best aardig cijferen. Het gelijk van Carey?


Hoe ontrafel je in hoeverre tellen een aangeboren aanleg is, of iets dat we leren? Simpel: check het bij de aardbewoners die geen taal hebben - de dieren. Susan Carey was in de jaren negentig een van de eersten die babyexperimenten begon te herhalen met apen en vogels. Zo ontdekte ze, samen met collega's, dat resusaapjes begrip hebben van 1 plus 1. Dat deed ze door twee aubergines achter een scherm te stoppen en te peilen hoe raar de aap opkijkt als je het scherm weghaalt en er maar één aubergine ligt (doordat je de andere hebt weggesmokkeld).
    Careys collega Claudia Uller betoogde intussen dat ook dieren die nog verder van de mens staan rudimentaire getalvaardigheden hebben: klauwaapjes snappen dat 1 plus 1 geen 3 is, roodrugsalamanders begrijpen dat 3 lekkere hapjes meer is dan 2. Uit een Italiaans experiment kwam onlangs naar voren dat kuikentjes lijken aan te voelen dat er zoiets is als een getallenlijn: weinig hoort links, veel rechts. Allemaal aanwijzingen dat sommige ruwe bouwstenen voor wiskunde al vroeg in de evolutie aanwezig waren, denken voorstanders - vermoedelijk trouwens gewoon als systeem om belagers of hoeveelheden voedsel uit elkaar te kunnen houden.
    Een ronduit krankzinnig resultaat beschreven Carey en haar collega Irene Pepperberg twee jaar geleden. Pepperberg experimenteerde al decennia met Alex, een grijze papegaai die ze tot en met 6 had leren tellen. Nu had ze hem de woorden 'zeven' en 'acht' geleerd en bijgebracht dat zeven meer is dan zes en acht meer dan zeven.
    'Hij wist dus niet wat 'zeven' of 'acht' betekent', benadrukt Carey. 'Maar Alex had wél altijd geleerd dat nieuwe getallen een relatie hadden met de voorgaande: één groter dan het getal ervoor. Dus onze onderzoeksvraag was: zou hij beredeneren uit de relaties tussen 1, 2, 3, 4, 5 en 6, plus de kennis 'zeven is meer dan zes', dat zeven de getalswaarde zeven heeft?'
    En warempel. 'Voor de allereerste keer lieten we hem een verzameling van zeven objecten zien, en vroegen: Alex, welk getal rood? En hij zei zeven.'
   Nog altijd raakt Carey opgewonden als ze erover vertelt. 'Hij had nog nooit... Hij leidde het af. Dit is de basisinductie die kinderen bereiken rond hun vierde, als ze uitvinden hoe tellen werkt. Elk opeenvolgend getal is één meer dan het getal ervoor. Precies zoals kinderen als ze uitvinden hoe tellen werkt. Ik dacht altijd dat dit vermogen uniek menselijk was.'


Web:
TT:
Wat kinderen doen, is een mentaal model maken van de koekjes, waarbij er in hun hoofd maar één symbool is voor elk exemplaar. Ze representeren het als: koekje, koekje, koekje
De positie die ik inneem, is dat er rijke aangeboren kennis is. Maar ook dat er echte discontinuïteiten zijn, zoals we zien bij de getallen
In het Chinees is het tien keer zo gewoon om over getallen te praten als in het Engels. Toch leren kinderen er de betekenis van het woord één zes maanden later dan een Amerikaans kind

Naar Beslissingen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]