De Volkskrant, 14-11-2009, door Wim Wirtz .2009

Interview | Henkjan Honing,onderzoeker muziekcognitie

Muzikaal zijn we allemaal

Over het luisteren naar muziek bestaan veel misverstanden, die langzaam maar zeker op wetenschappelijke wijze uit de weg worden geruimd. Eigenlijk is er niks bijzonders aan.

Een vrolijke twinkeling verschijnt in zijn ogen als hij een misverstand om zeep kan helpen. Absoluut gehoor, ritmegevoel, het vermogen om goed naar muziek te luisteren, eigenlijk is daar niks bijzonders aan, zegt dr. Henkjan Honing. Iedereen heeft het. Iedereen kan het.
   Iedereen is muzikaal heet het boekje dat hij voor een groot publiek schreef over muziekcognitie, het vakgebied waarin hij les geeft en onderzoek doet aan de Universiteit van Amsterdam. In dat boekje, dat komende week in de winkel ligt, vertelt hij het grote verhaal over hoe het precies zit met het luisteren naar muziek. Veel van wat hij aan onderzoeksresultaten beschrijft, was al bekend, maar voor het eerst pakt hij het nu in al zijn implicaties samen.
    Begin dit jaar publiceerde hij samen met Hongaarse collega’s de opzienbarende resultaten van een onderzoek bij baby’s van twee dagen oud, die waren volgeplakt met elektroden. Belangrijkste conclusie: pasgeborenen reageren op een ontbrekende downbeat (eerste tel van de maat) als ze luisteren naar een variërend ritme. Muzikaliteit lijkt dus een aangeboren eigenschap. Eerder had hij al samen met andere onderzoekers vastgesteld dat leken net zo goed naar muziek luisteren als professionele musici, afhankelijk van hun betrokkenheid. Soms horen ze zelfs meer.
    ‘Eerst was er de aanname dat muzikaliteit en muziekkennis toch vooral een kwestie was van aangeboren talent en veel leren’, vertelt Honing op zijn kamer in het gloednieuwe Science Park te Amsterdam. ‘Maar de laatste vijf jaar zie je een duidelijke omslag, namelijk dat musici en niet-musici in het luisteren wel heel erg op elkaar lijken, als je de muziek aanpast aan de luisteraar. We hebben dit jaar een groot internetonderzoek gedaan naar verschillende luistergroepen, waaronder kinderen van 12, 13 jaar. Daarin hebben we hard bewijs voor die conclusie gevonden.’

En waar leidt dat toe?
‘Je kunt het zien als een hart onder de riem, omdat we onszelf als luisteraar steeds maar onderschatten. Veel mensen zeggen: ik heb niks met muziek. Maar intussen hebben ze dan wel een hele cd-verzameling en kunnen ze wel zeggen: dit vind ik mooi, dat vind ik spannender, dit vind ik saai, dat vind ik bijzonder, en hier kan ik niet naar luisteren. Om zo’n oordeel te kunnen uitspreken moet je over een heleboel muzikale talenten beschikken.’

Het is een soort muzikaal socialisme of egalitarisme dat u in uw boek verkondigt: iedereen kan even goed luisteren.
‘Emancipatie van de luisteraar, zou ik liever zeggen. En dan langs twee lijnen. De ene is: we zijn allemaal muzikaal, we hebben allemaal dat talent, vanaf dag één, en dat is bijzonder. De andere is dat je als luisteraar actief bijdraagt aan wat muziek interessant maakt. Ik heb daar een heel hoofdstuk aan gewijd: hoe je als luisteraar ritme spannend maakt. Dat doe je als je van muziek verwachtingen hebt, omdat je die muziek eerder hebt gehoord. Als je andere verwachtingen hebt, dan is dat ritme opeens niet spannend meer.’

Dat is bij taal heel anders.
‘Ja. Bij taal wil je niet dat een ander jou gaat overinterpreteren. Daar is communicatie belangrijk, en daarom is de syntaxis bij taal – de opbouw en structuur – heel strikt: wat je wel en niet mag is heel duidelijk, en de semantiek zit daaraan vast. Bij muziek kun je gewoon noten wisselen zonder dat de betekenis verandert. Dat probeer ik ook in het boek uit te leggen: dat muziek geen taal is, dat het niet zo’n goed idee is om als een soort taalkundige naar muziek te kijken. Mijn alternatief is muziek te analyseren als cognitie, door te kijken naar cognitieve processen als waarneming, aandacht, geheugen, verwachting.’

Waarom is muziekcognitie zo belangrijk?
‘Muziek en taal zijn bijzondere aspecten van de mens. Over taal weten wij enorm veel, daar wordt onderzoek naar gedaan op een schaal waar je als muziekwetenschapper jaloers op wordt. Onderzoek naar muziek is altijd gekoppeld aan componisten, repertoire of cultuur. Maar wat zijn nou de fundamentele mechanismen van muziek? Er zijn nog een heleboel vragen waarvan ik denk: het is toch gênant dat ik daar nog geen antwoord op weet.’

Waarom gênant? Taal maakt een evolutionaire ontwikkeling door; in die zin is onderzoek interessant. Van muziek kun je dat niet zeggen.
‘Dat is nog in discussie, hè. Het onderzoek dat wij hier doen, is vooral: wat zijn nou mogelijke menselijke eigenschappen die specifiek zijn voor muziek? In mijn boek noem ik het maatgevoel bij pasgeborenen en relatief gehoor, dus dat je een melodietje herkent dat niet in de goede toonsoort staat maar wel precies hetzelfde klinkt. Zijn dat nou mechanismen die uniek menselijk zijn, kun je niet een dier vinden dat dat óók heeft, ontwikkelt het zich spontaan, en derde criterium: heb je er alleen wat aan in muziek, en niet in taal? Onderzoekers van Harvard en anderen, ook biologen, proberen dat aan de hand van vergelijkend onderzoek boven water te krijgen, zodat ze er een evolutionaire interpretatie aan kunnen geven en kunnen verklaren waarom wij muziek hebben en chimpansees niet. Ik word heel enthousiast van vergelijkend onderzoek. Wij gaan het ook met papegaaien doen, want die lijken een grote uitzondering te zijn onder de dieren. Sommigen zeggen dat ze muziek van mensen imiteren. Anderen zijn daar niet van overtuigd.’

Hoe nuttig is dit soort onderzoek?
‘Ik vind: muziek is voor zo veel mensen belangrijk, dat je daar allerlei dingen van moet snappen. Maar er is nog iets anders: als je weet wat die fundamentele mechanismen van muziek zijn, dan krijg je misschien ook een beter inzicht in waarom het zo’n belangrijke rol speelt in onze cultuur en waarom we misschien wel eens meer aandacht zouden kunnen besteden aan muziek op school. Muziek is nu een luxe, en muziek maken is voor de elite. Uit eigen ervaring weet ik hoe leuk het is om muziek te maken. Ik ken het van andere culturen, bijvoorbeeld van Brazilië, waar iedereen gewoon zingt en muziek maakt. In Nederland moet je een Glenn Gould zijn of anders je mond houden. Zo maken we van onze kinderen wonderkinderen of muzikale experts, terwijl het er nou juist om gaat dat je ze gewoon met muziek moet laten doen wat ze leuk vinden.’

Nog even over de baby’s. Sommige ouders zeggen: mijn kind reageert heel erg op Mozart. Anderen zeggen: mijn baby reageert op The Police. Wat moet je daarmee?
‘Da’s een leuke vraag, maar waar het op aankomt is: veel en gevarieerd luisteren. Kinderen staan open voor van alles en nog wat. Daarna – en voor het ritmegevoel hebben we dat concreet kunnen maken – leren ze het af, raken ze vaardigheden kwijt, omdat ze er niet meer naar luisteren. Volgens mij maakt het niet veel uit wat ouders laten horen. Er werd beweerd dat kinderen vrolijk en zelfs slimmer werden van Mozart, maar een collega van mij heeft dat heel zorgvuldig ontzenuwd.
    ‘Dat je van muziek vrolijk en zelfs tijdelijk slimmer kunt worden, klopt, maar dat heeft te maken met muziek waar je graag naar luistert. En dat kan van alles zijn.’

Dan hebben we nog het misverstand van het absoluut gehoor.
‘Muzikaliteit brengt dingen met zich mee waarvan we denken dat die heel bijzonder zijn. Dat zijn absoluut gehoor en ritmegevoel. Daarvan wordt gezegd: die heb je, of die heb je niet. Maar het leuke is: die blijken heel gewoon te zijn.
    ‘Uit onderzoek blijkt dat Noord-Amerikaanse baby’s van zes maanden verschillen horen in Bulgaarse ritmes. Dat ritmegevoel zit dus ingebakken. Dat geldt ook voor absoluut gehoor. Ik heb hier voor kinderen een lezing gegeven en de tune van Klokhuis een halve toon verhoogd. De hele zaal zei: dat is een halve toon hoger. 80 Procent van de kinderen kan het gewoon horen. Alle dieren hebben dat. Relatief gehoor, dat is pas bijzonder. Wij mensen hebben dat, en voorzover wij weten, dieren niet.’
 

Tussenstuk:
CV

1959 Geboren in Hilversum.
1981 - 1984  Studie Sonologie, Utrecht en CCRMA, Stanford, VS.
1988 - 1991  Onderzoek en promotie City University Londen (muziekcognitie).
1997 - 2003  Co-director NWO PIONIER-project Music, Mind, Machine.
2003 - 2006  Onderzoeksprojecten NWO en Europese Commissie.
2007 - heden Persoonlijk universitair hoofddocent muziekwetenschap UvA.

Henkjan Honing, broer van saxofonist en jazzmusicus Yuri, was ook actief als musicus en componist.

Naar Beslissingen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]