De Volkskrant, 02-10-2010, door Mieke Zijlmans 5 okt.2010

Nog maar een baby en dan al woordblind

Dyslexie blijkt vroeger te kunnen worden vastgesteld dan als het kind naar school gaat.

Hoe oud moet een kind zijn om te kunnen constateren of het dyslectisch is? Acht weken slechts, ontdekten onderzoekers van drie universiteiten. In opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek zochten zij tien jaar lang naar de lichamelijke oorzaken, de ontwikkeling en de aanpak van het probleem bij ruim driehonderd kinderen, van wie er zo’n 180 afkomstig waren uit gezinnen waar woordblindheid voorkomt.

De proefpersoontjes kwamen als baby binnen. Kinderen van acht weken kregen een badmutsje op met elektroden erin, waarmee e.e.g.’s werden gemaakt van hun hersenactiviteit. Ze kregen voortdurend dezelfde klank te horen, met nu en dan opeens variatie erin: bak-bak-bak-bak-bakdakbak-bak...

Niet-dyslectische kinderen bleken zelfs in hun slaap nog op de kleine klankverandering te reageren; dat was te zien aan een piekje op het e.e.g. Kinderen die niet of vertraagd op de verandering reageren, blijken vaak dyslectisch.

Een tweede test was visueel: wakkere baby’s met het e.e.g.-badmutsje op kregen twee minuten lang een beeldscherm te zien, zonder beeld, maar met ruis: bewegende stipjes. In het brein van gewone kinderen is dan activiteit te meten in het achterhoofd. Kinderen die niet op de stipjes reageren, of wier hersenen activiteit laten zien op een heel andere plek, blijken later vaak dyslectisch.

Dyslexie komt voor bij 4 à 5 procent van de schoolgaande kinderen. Deskundigen noemen het een syndroom. Dat het erfelijk is, was al langer duidelijk, al zijn er ook dyslectici bij wie het niet in de familie zit.

Onderzoek naar dyslexie werd voorheen altijd gedaan met proefpersonen van wie al bekend was dat ze aan het syndroom leden. Het werken met opgroeiende kinderen uit een risicogroep is nieuw. Genetici, gedragswetenschappers en taalkundigen van de universiteiten van Nijmegen, Amsterdam (UvA) en Groningen deden vanaf 1999 mee aan het interdisciplinaire NWO-onderzoek.

Elke universiteit bekijkt nu zestig kinderen uit gezinnen waar ernstige dyslexie voorkomt, plus een controlegroep van veertig ‘gewone’ kinderen. De deelnemende kinderen zijn nu 8 tot 10 jaar oud, en de onderzoeken zijn nog niet helemaal voltooid. Van de kinderen met dyslectische familieleden blijkt inmiddels zo’n 40 procent dyslexie te hebben.

Dr. Barbara Franke leidt het onderzoek bij Antropogenetica van het Universitair Medisch Centrum Nijmegen. Haar opdracht is te zoeken naar erfelijke oorzaken. ‘Als dyslexie erfelijk is, moet het terug te vinden zijn in het genoom’, zegt zij.

Frankes belangrijkste nieuws is dat veel oorzaken van dyslexie in de genen zitten die zorgen voor de groei van hersencellen voor en kort na de geboorte. ‘Die uitkomst komt overeen met de bevinding dat de hersenen van dyslectici er ietsje anders uitzien dan die van niet-dyslectici. Dyslectici gebruiken hun hersens ook op een andere manier, we meten activiteit in andere delen van het brein tijdens het lezen.’

Opvallend is dat dyslectici een opeenstapeling vertonen van kleine genetische foutjes die ieder voor zich geen problemen veroorzaken, maar die in combinatie leiden tot dyslexie. ‘Sommige van die foutjes liggen op het X-chromosoom, wat mede zou kunnen verklaren waarom er meer jongens dan meisjes dyslectisch zijn.’

Het zijn lichamelijke kenmerken die je zo vroeg mogelijk moet onderkennen, meent taalkundige Evelien Krikhaar. Zij is betrokken bij het onderzoek in Groningen en vertelt dat de kinderen de e.e.g.-badmutstestjes tot hun 4de halfjaarlijks hebben ondergaan.

Krikhaar waarschuwt dat dit onderzoek niet bruikbaar is om elke baby individueel te testen op dyslexie. Het is eerder andersom: nu uit het onderzoek blijkt welke van de proefpersoontjes dyslectisch zijn, kun je in hun vroege testresultaten de afwijkingen alsnog aanwijzen. Toch zijn er wel manieren om dyslexie heel vroeg te traceren, nog voordat kinderen leren lezen. ‘Heeft een kind verhoudingsgewijs een kleine woordenschat, praat het in korte zinnetjes en maakt het duidelijk andere fouten bij het vervoegen van de werkwoorden dan andere kinderen, dan kunnen dat aanwijzingen zijn voor dyslexie.’

Hoogleraar orthopedagogiek Aryan van der Ley werkt vanuit de Universiteit van Amsterdam aan het onderzoek mee. Hij zegt: ‘In de kleutergroepen maken kinderen al kennis met letters en klanken, dan wordt al duidelijk dat sommige kinderen vastlopen.’ Vroegtijdige interventie is volgens Van der Ley essentieel: het brein van jonge kinderen is nog zeer plastisch. Dat maakt dat hulp op jonge leeftijd het meeste effect heeft.

Conclusie na tien jaar onderzoek: dyslexie is een syndroom dat verschillende lichamelijke oorzaken kan hebben. De kans om het te krijgen is al op zeer jonge leeftijd aantoonbaar. Bovendien: dyslexie moet zo vroeg mogelijk worden geconstateerd om het kind voldoende kansen te bieden in zijn verdere leven.
 



Naar Beslissingen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]