De Volkskrant, 02-07-2011, column door Ronald Giphart 2 jul.2011

Tennis

Sommige uitnodigingen zijn zo wezenloos dat ik uit lamgeslagen verwondering gewoon vergeet nee te antwoorden. De Nederlandse tennisbond KNLTB vroeg vorige week of ik zin had om tijdens het Unicef Open in Rosmalen - een voorbereiding op Wimbledon - ter vermaak van het publiek een uur te spelen tegen tennislegende Paul Haarhuis. Ik had ja gezegd voor ik kon bedenken... dat ik nog nooit in mijn leven heb getennist.

Terwijl ik er wel vaak naar kijk, want weinig zo verslavend als zenuwslopende tennismatches. Mijn tennisheld aller tijden is Ivan Lendl, de Amerikaanse byronic hero van Tsjecho-Slowaakse afkomst. In de jaren tachtig, mijn vormende tennisjaren, won deze stugge Karpaat bijna alles wat er te winnen viel. In mijn omgeving was hij niet geliefd om zijn robotachtige spel en de uitdrukkingsloze manier waarop hij tegenstanders als McEnroe, Wilander, Becker, Connors en Cash van de baan af beukte. Lendl was 270 weken achter elkaar nummer 1 van de wereld, maar toch waren er ondanks zijn schijnbare onoverwinnelijkheid twee flaws die hem menselijk en zelfs tragisch maakten.

Ten eerste wist hij Wimbledon nooit te winnen, wat voor een tennisser van zijn status onuitstaanbaar was. En dan was er misschien wel de meest ontluisterende tennismatch aller tijden. Lendl, de gedoodverfde winnaar van Roland Garros 1989, stond in de vierde ronde tegen de toen 17-jarige Chinees-Amerikaanse Michael Chang, die eruit zag alsof hij pas een half uur zindelijk was.

Het werd een vijfsetter. Chang had geen ervaring met dit soort afmattende slooppartijen, en raakte zo vermoeid dat hij niet meer in staat was volwaardig tennis te spelen. Met vertragingstactieken, hulp van de Here en huizenhoge ballen wist hij Lendl dusdanig te ontregelen dat deze zelfs McEnroe-achtige verwensingen begon te schreeuwen. Deerniswekkend was het moment dat Chang plotseling een onderhandse service gaf, waarmee hij Lendl compleet wist te verrassen. De teleurgang van een tennislegende. Chang won deze wedstrijd en later ook het toernooi.

Enfin, dit was de tactiek die ik van tevoren had uitgestippeld voor mijn partij tegen Paul Haarhuis (die overigens zes keer tegen Lendl speelde, waarvan hij één wedstrijd wist te winnen). Eerst leerde Haarhuis me wat technieken, de kunst van het volleyen, de service, et cetera. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat kinderen die veel naar een bepaalde activiteit kijken - bijvoorbeeld tennis of basketbal - deze handelingen sneller leren dan kinderen die dat niet doen. Alsof de hersens alvast oefenen met de ogen. Ik hoopte dat dit fenomeen ook voor mij zo gelden, en dat zou blijken dat ik waanzinnig goed kon tennissen. Een 45-jarig natuurtalent.

Zo ging het niet helemaal. Zo ging het helemaal niet. Van de technieken die Haarhuis me probeerde bij te brengen, kreeg ik alleen het kreunen een beetje behoorlijk onder de knie. En toen moest de match nog beginnen. Inmiddels weet ik: wat de Jostiband is voor muziek, ben ik voor het tennis. Gadegeslagen door zich hooglijk amuserende toernooibezoekers vlogen mijn ballen overal heen, behalve naar het vak van Haarhuis.

'Och, voor een eerste keer doe je het best aardig', zei Paul geruststellend, toen het me zelfs niet lukte een Chang-achtige onderhandse service over het net te krijgen. Ik ga dit weekend heerlijk genieten van tennis, voor de buis.
 




Naar Psychologische krachten, compartimentalisatie & integratie  , Psychologische krachten  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]