De Volkskrant, 27-03-2010, door Malou van Hintum 31 mrt.2010

Brein | Proef werpt nieuw licht op samenwerking hersengebieden

Moeilijk en makkelijk leren

Twee delen van het brein die bij het geheugen zijn betrokken, werken harder samen als het nodig is.

Kijken naar de samenwerking tussen deze twee hersengebieden is relatief nieuw, zegt neurowetenschapper Marlieke van Kesteren over haar onderzoek naar de ‘connectiviteit’ tussen de hippocampus en de ventromediale prefrontale cortex (vmPFC), die allebei een rol spelen bij de geheugenvorming.
    Van Kesteren, als promovendus verbonden aan het Nijmeegse Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour en UMC St Radboud, ontdekte dat de samenwerking tussen deze gebieden intensiever is naarmate iemand nieuwe kennis moeilijker kan koppelen aan al eerder verwerkte of onthouden informatie.
    De studie, deze week online gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS, maakt deel uit van haar promotieonderzoek naar de rol van voorkennis bij het verwerken van nieuwe informatie.
    ‘Voor bijvoorbeeld het onderwijs is het belangrijk om te weten hoe mensen op langere termijn dingen leren. Dan kan een kennisnetwerk op zó’n manier worden opgebouwd, dat nieuwe kennis daar gemakkelijker in past.’
    Van Kesteren heeft de hersenmechanismen onderzocht die daarbij een rol spelen. Ze liet dertig proefpersonen het eerste, tachtig minuten durende deel van een film zien, maar de helft van hen zag een versie waarin de fragmenten willekeurig door elkaar waren gegooid. Uit de antwoorden op vragen over de film bleek – niet verwonderlijk – dat de ‘gefopte’ proefpersonen er minder van hadden begrepen dan de anderen.
    Een dag later kregen alle proefpersonen het laatste deel van de film te zien terwijl ze in een MRI-scanner lagen.
    Zo werd zichtbaar dat de hippocampus en de vmPFC van de proefpersonen die de film in de verkeerde volgorde hadden gezien, tijdens het kijken naar het vijftien minuten durende laatste deel én tijdens de even lange rustperiode erna samen veel harder aan het werk waren dan bij de andere proefpersonen.
    Beide groepen proefpersonen gaven daarna evenveel correcte antwoorden op vragen over de film, maar de hersenen van de ‘gefopte’ groep hadden daar dus wel harder voor gewerkt.
   Van Kesteren ontdekte daarnaast dat de onderlinge overeenstemming (‘intersubjectieve synchronisatie’) in de groep die de film in de goede volgorde zag, groter was dan bij de andere groep.
    ‘Het gaat daarbij om een activatiepatroon in de vmPFC dat tussen de proefpersonen die de film in de juiste volgorde zagen, meer overeenkomsten vertoonde dan tussen de proefpersonen die ‘gefopt’ waren. Die correlatie is opmerkelijk, omdat die eerder in meer primaire hersengebieden is gevonden, zoals de auditieve en visuele gebieden.
    ‘Tot nu toe gingen we ervan uit dat zulke activatiepatronen in hogere hersengebieden voor iedereen anders zijn, en dus een meer persoonlijk karakter hebben.’
    Van Kesteren gaat verder onderzoek doen naar de relatieve bijdrage van de hippocampus en de vmPFC aan hun samenwerking.



Naar Beslissingen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]