Leids universiteitsblad Mare, 07-06-2007, door Arjen van Veelen 8 jun.2007

Stamgast bij de huisarts

Cognitieve gedragstherapie helpt goed tegen hypochondrie, stelt promovenda Anja Greeven. 'Niet meteen denken aan een tumor in je maag, maar eerst jezelf afvragen: heb ik iets verkeerds gegeten?'


Tussentitel: 'Ze zien alleen wat slecht gaat'

Ooit bang geweest dat je hypochonder was? Wees gerust. Je bent het nog niet als je bij een knobbeltje of vlekje een keer aan het ergste denkt. Ook niet als je 's nachts in bed soms angstig luistert naar je hart.
    'Wie dat soms doet, hoeft zich geen zorgen te maken', zegt Anja Greeven. Ze behandelt hypochonders bij de GGZ-instelling PsyQ en hoopt volgende week op de stoornis te promoveren. 'Als je in bed naar je hart ligt te luisteren, kun je beter eerst maar afvragen of je niet een stressvolle periode achter de rug hebt. En wie zich een keer niet lekker voelt, moet niet meteen denken aan een tumor in je maag, maar eerst jezelf afvragen: heb ik iets verkeerds gegeten?'
    Dat is precies wat hypochonders verkeerd doen. Ze interpreteren signalen van hun lichaam verkeerd. Ze maken van een mug een olifant.
    Volgens het diagnosehandboek DSM IV ben je hypochonder als je minstens zes maanden lijdt aan de angst dat je een dodelijke kwaal, gebaseerd op een verkeerde interpretatie van lichamelijke klachten - een angst die bovendien niet weggenomen wordt door de geruststelling van een arts.
    Greevens' proefschrift begint met de casus van Patient B, een vrouw van 23 die al zeven jaar bang is voor dikke darmkanker. Ze controleert haar poep steeds op bloed, zoekt op internet naar de symptomen en bezoekt twee keer per maand haar huisarts.
Ze is naar de specialist gegaan en heeft bloedonderzoek gehad. Er werd niets gevonden, maar dat hielp niet. De angst voor kanker bleef.
    Echte hypochonders struinen vaak obsessief het internet af op zoek naar geruststelling (maar vinden vaak het tegenovergestelde). Ze zijn stamgast bij de huisartspraktijk. Ze durven niet meer te sporten uit angst hun hart te overbelasten of moeten stoppen met werken. De ziekte kan hun leven ontwrichten. Sommige hypochonders steken juist hun kop in het zand en mijden dokters en medische informatie. Risicovol, al was het maar omdat ze ook echt iets kunnen hebben.
    Hypochondrie lijkt een kwestie van aanleg, maar ingrijpende gebeurtenissen (overlijden van geliefden) of stress kunnen een duwtje in de slechte richting geven. Een vicieuze cirkel ligt op de loer. Een onschuldig plekje aan het gezicht kan door eraan te zitten groter worden, wat dan als bewijs wordt gezien dat het echt om een tumor gaat. De angst dat er iets ernstigs aan de hand is zorgt bijvoorbeeld voor hoofdpijn en hartkloppingen - die weer bevestigen dat er iets goed mis is. De angst kan leiden tot een paniekaanval die het gevoel geeft van een echte hartaanval.
    Ook TV-programma's kunnen mensen bang maken. Toen de gekke koeienziekte veel in het nieuws was kwamen er veel mensen bij de dokter met de angst dat ze ook besmet waren, vertelt Greeven. En anderhalf jaar geleden, na de dood van voetballer David di Tommaso van FC Utrecht aan een hartstilstand, kwamen er veel angstige jonge mannen bij de dokter die  vreesden ook een hartkwaal te hebben. Breed uitgemeten medische missers kunnen de angst aanwakkeren dat de dokter je aandoening over het hoofd heeft gezien. Greeven: 'Hypochonders zijn erg gefocust op negatieve informatie: ze zien alleen wat slecht gaat.'
    De focus op de dodelijke ziekte kan zo sterk zijn dat hypochonders soms opgelucht reageren als ze daadwerkelijk iets blijken te hebben. 'Zie je wel, er was toch iets aan de hand'.
Ook merken ze dan vaak dat ze niet aan de ziekte onderdoor hoeven gaan. Ze overschatten niet alleen de kans een erge ziekte op te lopen, ze onderschatten hun eigen vermogen om met ziekte en verlies om te gaan. Ongeveer 1 tot 5 procent van de Nederlanders is hypochonder.
    Dat is ongeveer evenveel als er Nederlanders zijn met een dwangneurose. Greeven vergelijkt in haar proefschrift de twee groepen. De twee stoornissen lijken op elkaar:
de patiŽnten vertonen een zelfde soort dwanggedrag. Iemand met een dwangstoornis kan bijvoorbeeld tien keer per dag controleren of het gas echt uit is of obsessief handenwassen. Een hypochonder kan even vaak zijn hartslag meten of zijn lichaam grondig controleren op verdachte vlekjes. Ook hebben beide groepen ongeveer dezelfde lichamelijke, stressgerelateerde klachten (vermoeidheid, hoofd- en spierpijn).
    De theorie is dat hypochonders zich minder bewust zijn van het onredelijke van hun angst of obsessie. Vaak willen ze niet doorverwezen worden naar de psycholoog of psychiater: ze zijn er immers van overtuigd dat ze echt een tumor of een hartkwaal hebben; op een sofa liggen heeft dan weinig zin. Een ander verschil is dat de hypochonder bang is dat hij een ernstige ziekte heeft, terwijl de dwangneuroot bang is iets ernstigs te krijgen. Een besmetting bijvoorbeeld, of een gasontploffing.
    Grofweg zijn er twee behandelingsmethoden: cognitieve gedragstherapie en, meer recent, pillen (antidepressiva). Onderzoek naar de effectiviteit van die behandelingen is vrij recent. Pas vanaf de jaren negentig zijn er studies gedaan naar het effect van cognitieve gedragstherapie therapie. Greevens gerandomiseerde studie naar het effect van medicatie is zelfs het eerste. 'Dat is relatieflaat.' Een reden voor die late belangstelling is dat hypochonders, anders dan de dwangneuroten, niet naar de psycholoog of psychiater gingen.
    Cognitieve gedragstherapie houdt in dat de hypochonder leert om nuchter om te gaan met een hartslag te veel of te weinig of een verdacht vlekje. Ook leert hij te stoppen met het controleren van zijn lichaam. Nuchterheid kan soms bereikt worden met simpele kansberekening. 'Ze denken bijvoorbeeld dat hun kans op een hartstilstand zeventig procent is', zegt Greeven. 'Je gaat samen met je patiŽnt rekenen en komt op een veel lager percentage. En dat helpt:
    De gedachte achter de behandeling met pillen is dat die bij dwangstoornissen, zoals eerder gezegd een vergelijkbare stoornis, erg goed bleek te helpen. Greeven vergeleek de twee behandelingen bij een groep hypochonders waarvan sommigen al meer dan tien jaar de stoornis hadden. Ze verdeelde de patiŽnten in drie groepen. De eerste kreeg de 'traditionele' cognitieve gedragstherapie. de tweede kreeg de SSRI Paroxetine (een antidepressivum); de derde een placebo. Ze onderzocht of ze op korte termijn verbetering vertoonden en ook wat de effecten waren na vijf jaar.
    Beide methoden blijken te werken, maar cognitieve gedragstherapie 'wint' het van de pillen. Na gedragstherapie herstelt een groter percentage. 'En tot mijn verbazing helpt de therapie ook bij depressieve hypochonders. Die knappen meer op.' Een verklaring zou kunnen zijn dat gedragstherapie patiŽnten het zelfvertrouwen geeft dat ze iets bereikt hebben, terwijl ze bij pillen geneigd zijn de verbetering niet aan zichzelf toe te schrijven, maar op het conto van de medicijnen te schuiven. Therapie zou op de lange termijn kosteneffectief kunnen zijn.
    Greeven adviseert huisartsen hypochonders door te verwijzen naar een GGZ-instelling. Als ze dat niet willen, is het beste om bijvoorbeeld af te spreken dat de hypochonder eens per maand op een vast moment bij de huisarts langskomt en tussendoor niet belt. Een andere aanbeveling is om hypochonders geen kalmeringsmiddelen voor te schrijven. Die hebben een averechtse invloed op de behandeling. De pillen dempen weliswaar de angst, maar patiŽnten verbeteren juist als ze hun angsten kunnen tolereren.
    Therapie hielp ook de drieŽntwintigjarige 'patiŽnt B'. Ze volgde gedurende vier maanden tien sessies. Ze hield een dagboek bij en besprak dat met de therapeut. Ze dwong zichzelf niet meer haar ontlasting te controleren en niet meer te zoeken op internet. Een jaar later kon ze haar huisarts melden dat ze geen last meer heeft van de angst voor kanker.
Bij ongeveer de helft van de hypochonders is er geen verbetering zichtbaar. 'Althans volgens onze criteria', zegt ze. 'Wij hebben in dit onderzoek niet gekeken naar de kwaliteit van leven. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de klachten niet weggaan maar dat mensen ze steeds beter een plaats kunnen geven in hun leven.'

Anja Greeven: Hypochondriasis, Diagnostic issues and treatment.


Terug naar Psychologische praktijktips , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]