| Leidse Universiteit Nieuwsbrief, 12-06-2007, door Tristan Lavender |
13 jun.2007 |
Hypochondrie plaatst huisarts voor problemen
Fotobijschrift: Promovenda Anja Greeven: ‘Hypochondrie is een onderschat
probleem.
Patiënten moeten zich over een grote drempel heenzetten voordat ze
psychologische hulp voor hun klachten zoeken.’
Mevrouw Tanninga komt wekelijks bij de huisarts. De ene keer is ze vermoeid en
vreest ze voor een ernstige hartaandoening, de andere keer ziet ze in elk
lichaamsvlekje een beginnende tumor. De kans is groot dat mevrouw Tanninga lijdt
aan hypochondrie, een psychische stoornis waarbij patiënten een verkeerde,
catastrofale interpretatie geven aan onschuldige lichamelijke symptomen.
Klinisch psycholoog Anja Greeven deed onderzoek naar diagnostiek en behandeling
van hypochondrie. Op 12 juni hoopt zij te promoveren op dit onderwerp.
Onderschat probleem
‘Hypochondrie is waarschijnlijk een onderschat probleem’, stelt Greeven. Geschat
wordt dat de stoornis bij 1 tot 5 procent van de Nederlandse bevolking voorkomt.
Maar dat zou volgens Greeven best wel eens een onderschatting kunnen zijn van de
werkelijke prevalentie. ‘Patiënten met hypochondrie moeten zich over een grote
drempel heenzetten voordat ze psychologische hulp voor hun klachten zoeken.
Inherent aan het ziektebeeld is namelijk de overtuiging dat ze aan een
lichamelijke ziekte lijden. Die overtuiging is erg hardnekkig. Ook als medisch
onderzoek herhaaldelijk heeft aangetoond dat er geen lichamelijk mankement is,
blijft de patiënt ongerust.’
Klachten serieus nemen
Voor de huisarts is het dan ook geen eenvoudige opgave om passende zorg te
bieden aan patiënten met hypochondrie. Greeven: ‘Als je patiënten vertelt dat
het probleem tussen de oren zit, zijn ze direct vertrokken. Het is belangrijk om
hun klachten serieus te nemen en hen te helpen om op een andere manier naar hun
lichamelijke symptomen te kijken.’ Tegelijkertijd moet de huisarts wel waakzaam
blijven. ‘Het gevaar van hypochondrie is dat de arts moe wordt van de patiënt,
en geen onderzoeken meer instelt, ook niet wanneer daar wél medische aanleiding
toe is,’ waarschuwt Greeven. ‘Daardoor bestaat het risico dat een echte
lichamelijke aandoening onopgemerkt blijft.’
| |
 |
|
| |
Patiënten met hypochondrie zijn er ten onrechte van overtuigd dat ze aan
een lichamelijke ziekte lijden en zijn daarom met grote regelmaat bij de
huisarts te vinden. |
|
Diagnostisering
Greeven denkt dat de diagnostisering van hypochondrie beter verloopt nu
huisartsen steeds meer kennis krijgen van psychische stoornissen. De gelijkenis
tussen hypochondrie en andere stoornissen vormt echter een potentieel probleem.
Reden voor Greeven om te onderzoeken in hoeverre hypochondrie te onderscheiden
is van de dwangstoornis (obsessieve-compulsieve stoornis, OCS), een aandoening
die op het eerste gezicht sterk op hypochondrie lijkt.
Hypochondrie en OCS
Greeven: ‘Zowel OCS als hypochondrie wordt gekenmerkt door terugkerende en
hardnekkige gedachten dat er iets ergs zal gebeuren of aan de hand is.
Kenmerkend voor beide stoornissen is bovendien dat patiënten herhaaldelijk
handelingen uitvoeren ter voorkoming van een bepaalde gevreesde situatie.
Patiënten die lijden aan OCS kunnen bijvoorbeeld bang zijn voor besmetting met
een ernstig virus, en wassen daarom zeer regelmatig hun handen. Patiënten die
lijden aan hypochondrie controleren hun lichaam heel vaak op verdachte bultjes
of plekjes, uit angst voor een dodelijke ziekte.’
Zelfinzicht
Vluchtig beschouwd vertonen de twee stoornissen dus veel overeenkomsten. Het
onderzoek van Greeven wees echter uit dat hypochondrie en OCS toch duidelijk
verschillende diagnoses zijn. Zo hebben patiënten met hypochondrie meer last van
ziekteangst, terwijl patiënten met OCS ernstigere dwangklachten hebben.
Opvallend is wel dat patiënten met hypochondrie evenveel inzicht hebben in de
irrationaliteit van hun gedachten en handelingen als patiënten met OCS. ‘Lange
tijd werd gedacht dat patiënten met hypochondrie er zó sterk van overtuigd zijn
dat zij lichamelijk iets mankeren, dat er eigenlijk niets met hen te beginnen
valt,’ vertelt Greeven. ‘Mijn onderzoek stemt minder pessimistisch. Veel
patiënten met hypochondrie hebben wel degelijk inzicht in hun eigen
geestesziekte.’
| |
 |
|
| |
Cognitieve gedragstherapie en medicamenteuze behandeling met seroxat blijken bij
een deel van de patiënten effectief in de behandeling van hypochondrie. |
|
Cognitieve gedragstherapie
Hypochondrie blijkt dan ook zeker niet onbehandelbaar. Als psychologische
behandeling kan cognitieve gedragstherapie uitkomst bieden. Greeven: ‘Bij
cognitieve gedragstherapie wordt precies in kaart gebracht wat de angsten van de
patiënt zijn. De patiënt wordt vervolgens aangemoedigd om alternatieve,
niet-fatalistische verklaringen te zoeken voor lichamelijke symptomen.
Vermoeidheid die wordt toegeschreven aan kanker, zou bijvoorbeeld net zo goed
het gevolg kunnen zijn van te hard werken. De overtuiging van de patiënt wordt
op deze manier aan het wankelen gebracht. Daarnaast wordt disfunctioneel gedrag,
zoals het herhaaldelijk om geruststelling vragen aan familie en vrienden, in
nauw overleg met de therapeut afgebouwd.’
Effectieve behandelmethoden
Naast cognitieve gedragstherapie kan de patiënt gebaat zijn bij medicamenteuze
behandeling met paroxetine (seroxat). Het onderzoek van Greeven wees uit dat
cognitieve gedragstherapie en behandeling met paroxetine beiden - zowel op korte
termijn (direct na de behandeling) als op lange termijn (na vijf jaar) -
succesvol waren in vergelijking met een placebobehandeling waarbij patiënten een
niet-werkzame pil kregen. Op de lange termijn bleek vooral cognitieve
gedragstherapie effectief. Ongeveer 53% van de patiënten rapporteerde na vijf
jaar echter nog steeds hypochondrische klachten. Voor sommigen kent de
psychische stoornis dus een chronisch beloop. Greeven adviseert om uit te zoeken
of een combinatie van behandelingen deze subgroep van patiënten zou kunnen
helpen. Als dat zo blijkt te zijn, zou het de gezondheidszorg flink wat onnodige
medische onderzoeken besparen.
A. Greeven. Hypochondriasis: diagnostic issues and treatment.
Promotoren: prof.dr. Ph. Spinhoven (UL), prof.dr. A.J.L.M. van Balkom (VU
Amsterdam)
Naar Psychologische krachten, cirkels
, Psychologie
lijst
, Psychologie overzicht
, of site home
.
|