De Volkskrant, 03-05-2008, door Malou van Hintum 11 mei 2008

Brandwonden | Jonge slachtoffers lijken tien jaar na behandeling minder depressief dan andere jongeren
 
De tijd heelt alle wonden, ook als de littekens blijven

Kinderen die op jonge leeftijd brandwonden hebben opgelopen, zijn minder depressief dan hun leeftijdgenoten. Hoe kan dat?


Pedagoge Juliette Liber (Curium/Leids Universitair Medisch Centrum) onderzocht 62 jongeren tussen 11 en 18 jaar oud die tien jaar geleden brandwonden hadden opgelopen. Haar – opmerkelijke – bevindingen publiceerde ze kortgeleden in het vakblad Burns.
    ‘Het gaat boven verwachting goed met ze’, zegt ze. Ze is verbaasd, en niet alleen omdat eerdere studies iets anders hebben gevonden.
    Liber heeft vroeger als operatieassistent bij een Rotterdams brandwondencentrum gewerkt en zag heel wat slachtoffertjes voorbijkomen. ‘Dat had al impact op mij, dus wat moet dat niet betekenen voor zo’n kind? Vaak moeten kinderen een paar keer terugkomen voor een operatie, en de wonden zelf zijn pijnlijk.
    ‘Bovendien gaan ze heel erg jeuken wanneer ze beginnen te genezen. En dan heb je nog de gevolgen voor het uiterlijk natuurlijk. Niet alle brandwonden resulteren in littekenweefsel, maar de meeste wel.’
    Toch zijn brandwondenslachtoffers tien jaar later minder depressief dan andere jongeren. Ze beschrijven zichzelf als emotioneel stabieler, vriendelijker en extraverter dan leeftijdgenoten, gaan niet negatiever om met problemen die hun pad kruisen, en hebben evenmin meer gedragsproblemen. Rara, hoe kan dat?
    ‘Ja, dat zou ik ook best willen weten’, reageert Liber. Ze vermoedt dat het meetmoment verantwoordelijk kan zijn voor haar afwijkende onderzoeksresultaten. ‘Volgens verschillende studies hebben brandwondenslachtoffertjes wél meer gedragsproblemen. Ze zijn bijvoorbeeld angstiger en opstandiger dan andere kinderen. Die kinderen zijn onderzocht toen ze net uit het brandwondencentrum ontslagen waren.
    ‘Bij dit onderzoek zit er een veel langere periode tussen het ongeluk en het meetmoment. In die tijd is er natuurlijk van alles gebeurd. Ouders hebben een bepaalde rol gespeeld, net als de sociale omgeving. En de eigen persoonlijkheid van het kind heeft zich ontwikkeld.’
    Relatief veel kinderen zijn afkomstig uit een wat hoger sociaal-economisch milieu. Bovendien is onduidelijk of de non-respons – Liber stuurde 116 vragenlijsten uit en kreeg er 62 bruikbare terug – bestaat uit kinderen met wie het goed gaat of juist slecht (of allebei).

Littekenweefsel
Een ander verschil is dat in Libers onderzoeksgroep ook kinderen met brandwonden zitten die in een gewoon ziekenhuis hebben gelegen. ‘De 62 kinderen van ons onderzoek hebben milde tot matige littekens. Bij ander onderzoek zijn de brandwonden over het algemeen ernstiger, omdat die kinderen allemaal uit een brandwondencentrum komen.’
    Liber heeft de brandwondenslachtoffers gevraagd op een tekening aan te geven op welke delen van het lichaam littekenweefsel zit. Ze vond een verband tussen de hoeveelheid littekenweefsel en gedragsproblemen: hoe meer littekens, hoe meer problemen. Opvallend genoeg was zo’n samenhang er niet met persoonlijkheidskenmerken en copingstrategieën (hoe je met tegenslag omgaat).
    ‘Een mogelijke verklaring daarvoor is dat je met littekens die direct zichtbaar zijn, de confrontatie wel móét aangaan’, denkt ze. ‘Als je de kans hebt om ze te verbergen, ga je er misschien wel angstiger mee om.’
    Wel vertonen de kleintjes in de onderzoeksgroep meer gedragsproblemen dan de ouderen. Dat kan erop wijzen dat de tijd inderdaad de wonden heelt; met dank aan de inspanningen van ouders, omgeving en, vooral, het slachtoffer zelf.
    Liber: ‘In de literatuur wordt ook wel gesproken over post traumatic growth, als tegenhanger van posttraumatische stress: positieve veranderingen die optreden na een negatieve situatie. Het is een heel pril concept waar we nog maar weinig van weten.’

Life event
‘In dit geval zou het behulpzaam kunnen zijn bij het zoeken naar verklaringen waarom de één juist positief uit een negatief life event tevoorschijn komt, en de ander niet. Om de oorzaken van die verschillen te kunnen achterhalen, moet je onderzoek doen binnen de groep van brandwondenslachtoffers, en bijvoorbeeld zoeken naar de samenhang tussen persoonlijkheidskenmerken, copingstijlen en gedragsproblemen.’
    Zulk psychosociaal onderzoek wordt inmiddels door de Vereniging voor Samenwerkende Brandwondencentra Nederland (VSBN) opgezet, de organisatie waarmee Liber ook het huidige onderzoek uitvoerde.


Tussenstuk:
9600 gevallen

Jaarlijks melden zich 9600 mensen met brandwonden bij de Eerste Hulp, 5100 mannen en 4600 vrouwen. 4 procent van hen heeft derdegraads brandwonden. Vrouwen branden zich vaak aan hete vloeistof of damp, mannen zijn meestal het slachtoffer van vuur, explosies (vuurwerk) en chemische stoffen. Vijfhonderd mensen komen in een brandwondencentrum. Vijftig overlijden.


Naar Psychologische praktijktips, verwachtingspatroon , Psychologische praktijktips , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]