De Volkskrant, 16-06-2007, door Maarten Evenblij 23 jun.2007

Interview | Aaron Beck legde de grondslag van de cognitieve gedragstherapie
 
Redeneer die angst toch weg

Aaron Beck, grondlegger van de cognitieve gedragstherapie, werd deze week gelauwerd. ‘Het kost een leven om te bewijzen dat psychotherapie werkt.’


Tussentitel: ‘Dank u wel dokter, ik kan het verder wel alleen’

Fotobijschrift: Aaron Beck: ‘Critici vonden dat de analyse van mijn psyche niet goed
                      was gegaan.’


‘Nee, ik ben niet tegengewerkt. Wat ik deed, werd gewoon genegeerd.’ Aaron Beck zegt het zonder spijt of wrok. Hij stelt het objectief vast, zoals de 86-jarige psychotherapeut alles observeert wat om hem heen gebeurt.
    De grondlegger van de cognitieve gedragstherapie is een goedgemutste, nieuwsgierige en bescheiden man. Vorige week werd Beck in Amsterdam gelauwerd als erelid van de Vereniging voor Cognitieve Therapie en Gedragstherapie, vanwege zijn grote bijdrage aan de cognitieve gedragstherapie.
    Mede door zijn niet aflatende wetenschappelijk onderzoek naar de behandeling van, vooral, depressie is de cognitieve gedragstherapie bij veel psychische aandoeningen de behandeling van voorkeur geworden.
    Een behandeling die erop is gericht mensen inzicht te laten krijgen in de gedachten die hen voortdurend ongelukkig houden. Als dat inzicht er is, kan worden geleerd die gedachten (de cognitie) in positieve zin om te buigen, zodat het ingesleten negatieve gedachtespoor wordt verlaten.
    Becks leeftijd, gezondheid en jetlag laten het niet toe om een uitgebreide lezing te houden. Hij laat zich liever interviewen door een vooraanstaand lid van de vereniging. Een enkele vraag is genoeg om hem humoristisch te doen uitweiden over zijn leven en de weg die hij met de cognitieve gedragstherapie heeft gevolgd. Na afloop laat hij zich de aandacht van de jonge vrouwelijke psychologen welgevallen. Die willen maar al te graag op de foto met die aimabele, wat kromgegroeide beroemdheid met dat ouderwetse strikje om.
    Zoals zo vaak ligt het begin van ook Becks professie in zijn jeugd. Zijn moeder, vrouw van een Russische immigrant, was ongelukkig en depressief in haar nieuwe vaderland en zelf ontwikkelde de jonge Aaron een enorme angst voor alles wat medisch was nadat hij door een geïnfecteerde armbreuk vaak in het ziekenhuis kwam. Hij kreeg een etherfobie.
    ‘Door te volharden in het wegredeneren van die angst lukte het mij mijn angst goeddeels de baas te blijven. Later ben ik geneeskunde gaan studeren, waarschijnlijk als een soort therapie tegen mijn medische fobie.’
    In zijn studie, hij wilde neuroloog worden, kwam Beck in de jaren veertig in aanraking met de psychiatrie. Een gevoel van hopeloosheid overviel hem, want ernstig psychiatrische patiënten lagen te verkommeren omdat geschikte therapie ontbrak. ‘Ze werden platgespoten, kregen elektroshocks of werden zombies door de lobotomie (het lossnijden van de voorste hersenkwab). Daar moet iets beters voor zijn, dacht hij.
    De psychoanalyse, waarbij in langdurige en frequente therapie (vijf keer per week) de vorming van de psyche in de jeugd wordt geanalyseerd, was destijds het enige alternatief. Ook Beck, inmiddels psychiater, had zich erin bekwaamd. ‘Mijn kostje was gekocht. Ik hoefde maar een paar patiënten jarenlang te behandelen en ik had voldoende inkomen om mijn gezin te kunnen onderhouden.’
    Maar de psychoanalyse bevredigde Beck niet. Hij vond te weinig wetenschappelijk bewijs dat die werkte. Een onderzoeksvoorstel bracht de beroepsvereniging in rep en roer. Beck: ‘Dat ik voelde dat ik research wilde doen, vond men een teken dat er iets mis met me was. Dat de analyse van mijn eigen psyche, die elke therapeut onderging, niet goed was gegaan. Ik moest maar in her-analyse.’

Hier en nu
Naast de psychoanalyse begon Beck te experimenteren met een therapie die was gericht op het hier en nu in plaats van op de jeugd, een therapie die probeerde een praktische oplossing te vinden voor de concrete problemen van patiënten en die zich concentreerde op de gedachten die aanleiding waren voor de ongewenste emoties, gedragingen en gevoelens.
    ‘Het was een succes. Patiënten van wie ik dacht dat ze langdurige therapie nodig hadden, zeiden na tien, twaalf sessies: ‘Dank u wel dokter, mijn depressie is beter. Ik kan het verder wel alleen.’ Dan was ik nog niet eens aan hun persoonlijkheid toegekomen. In plaats van een zeker inkomen, vertrokken patiënten na tien sessies.’
    Beck had het gevoel dat hij een belangrijke methode in handen had en ging deze onderwijzen aan de Universiteit van Pennsylvania, waar hij werkte. Hij ontwikkelde een protocol voor gestandaardiseerde therapie. ‘Maar ik was er zelf ook niet zeker van en heb mijn studenten geleerd goed naar de data te kijken om bewijzen te verzamelen.’ Uiteindelijk, in de jaren zestig, werd zijn methode onderdeel van een klinische studie naar depressie, waarbij psychotherapie werd vergeleken met medicijnen.
    Tot verrassing van de kritische onderzoekers, die wilden bewijzen dat de toen beschikbare medicijnen beter waren dan psychotherapie, bleek het tegenovergestelde waar. De belangstelling schoot omhoog. Steeds meer psychische ziektebeelden werden met cognitieve gedragstherapie onderzocht en het aantal therapeuten dat ermee werkte, nam enorm toe.
    Pas in de jaren zeventig ontwikkelde Beck, op basis van het behaviorisme en conditionering, een theorie voor de werkzaamheid van zijn cognitieve gedragstherapie. ‘Inmiddels is duidelijk dat cognitieve gedragstherapie werkt bij bijna alle psychische aandoeningen: depressie, angst, agressie, persoonlijkheidsstoornissen. Ik voel me soms net een handelsreiziger in snake oil, Haarlemmerolie.’
    Maar Beck is terughoudend, want zoveel succes voor één therapie moet je wantrouwen, vindt hij. ‘Gelukkig heb ik lang kunnen zeggen dat de therapie waarschijnlijk niet werkt bij schizofrenie. Maar onlangs hebben studenten van mij laten zien dat ook schizofrenie met cognitieve gedragstherapie kan worden behandeld.’
    Honderd procent succes garandeert de cognitieve gedragstherapie echter niet, evenmin als medicijnen en andere therapievormen. Depressies kunnen, afhankelijk van hun ernst, in de helft van de gevallen worden genezen en voor maximaal nog eens 30 procent sterk verminderen. Voor angststoornissen werkt cognitieve gedragstherapie, met soms ruim 90 procent genezing, het beste.
    ‘Voor iemand die een ernstige depressie heeft en maar gedeeltelijk geneest, wordt het leven misschien wel dragelijk, maar niet klachtenvrij. Daarom zoeken we nu naar aanwijzingen om te kunnen bepalen bij wie cognitieve gedragstherapie wel en bij wie deze minder of niet werkt en waar je wellicht combinaties met medicijnen moet inzetten’, zegt Beck. Nog steeds is hij betrokken bij het onderzoek aan het Beck-instituut voor Cognitieve Therapie en Research bij Philadelphia, waarvan zijn dochter Judith directeur is.

Effecten
Uit vele studies blijkt dat de effecten van psychotherapie vaak beter beklijven dan die van medicijnen. Bij depressie bijvoorbeeld, bestaat minder kans op terugval. In de periode na de psychotherapie lijkt het effect zich juist te versterken, zeker als geregeld bepaalde oefeningen worden gedaan.
    ‘Er is veel discussie over het versterkende effect van meditatie, zoals in het boeddhisme, op psychotherapie. Het van jezelf loskomen, vanaf een afstandje naar jezelf kijken heeft verwantschap met de cognitieve psychotherapie. Daarover heb ik in 2005 met de Dalai Lama gesproken.’ Beck vertelde His Holiness dat 80 procent van de woede die mensen voelen, niet terecht is en voortkomt uit onjuiste gedachten.
    Hij verhaalde ook van een patiënt die in zak en as zat omdat de Nobelprijs aan zijn neus voorbij was gegaan. ‘Mijn werk is het belangrijkste in mijn leven, wel honderd procent’, had hij gezegd. ‘En je vrouw, je vrienden, je kinderen?’, had Beck gevraagd. Die bleken toch ook wel belangrijk. Vooral de kinderen omdat de aspirant-Nobelprijswinnaar zich schuldig voelde omdat hij zich voorgenomen had nooit zo te worden als zijn eigen vader, die vroeger nauwelijks tijd voor hem had.
    Uiteindelijk kwam de onderzoeker op 80 procent kinderen en 20 procent werk. ‘Waar blijft je vrouw dan?’, vroeg Beck: ‘Zo zie je dat veel gedachten niet zijn gebaseerd op de werkelijkheid. Als je dat onder ogen ziet, kun je de gevoelens die ermee samenhangen, tot de juiste proporties terugbrengen.’
    Beck heeft zijn hele leven aan een therapie gewerkt, maar blijft die relativeren. ‘Er zijn ook andere psychotherapieën en medicijnen die werken’, zegt hij. ‘Misschien zullen we op grond van genetische en psychologische aspecten beter kunnen gaan bepalen welke aanpak bij iemand de meeste kans op succes biedt. Wellicht bieden combinaties van therapieën of zelfs wisselingen tussen therapievormen perspectief. Het kost een leven om te bewijzen dat een psychotherapie werkt. Gelukkig ben ik jong begonnen en oud geworden.’


Terug Naar Psychologische krachten , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]