De Volkskrant, 07-06-2012, door Malou van Hintum, journalist en publicist. 9 jun.2012

We horen allemaal wel eens stemmen

Het nieuwste handboek voor de psychiatrie gaat eraan voorbij dat de definitie van 'normaal gedrag' is verscherpt, als gevolg van de hogere maatschappelijke eisen.

Tussentitel: Er bestaat geen waterscheiding tussen mensen met en zonder een stoornis

Er is een nieuwe 'bijbel' voor de psychiatrie in de maak, en de discussies daarover zijn niet van de lucht. Zowel de samenstellers van deze vijfde versie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg 'de DSM-5', als partijen van buiten pleiten ervoor bepaalde stoornissen hierin op te nemen of juist niet, en om de criteria te herzien op grond waarvan gedrag een stoornis wordt genoemd.

Is die discussie zinvol? Nauwelijks. De DSM is een classificatiesysteem, geen diagnostisch systeem. De stoornissen die erin staan zijn geen echte ziektes, maar begrippen die het resultaat zijn van afspraken die wetenschappers met elkaar hebben gemaakt. Zo wordt bevorderd dat psychiaters eenzelfde cluster van symptomen hetzelfde benoemen.

Dat is de theorie. De praktijk is dat het handboek vaak wordt gebruikt om vast te stellen of iemand een psychische stoornis heeft door de lijstjes met symptomen af te vinken. Daar komt bij dat verzekeraars psychiatrische zorg alleen vergoeden als er een 'DSM-label' aanhangt. Daardoor heeft het idee postgevat dat de begrippen in de DSM echte psychische aandoeningen zijn. En daarom vinden er discussies plaats over de vraag of rouw of milde geheugenstoornissen thuishoren in de DSM, en of het terecht is dat de criteria voor adhd worden verruimd en die voor autisme juist beperkt.

Die discussie is niet zinvol, omdat aparte stoornissen niet bestaan. En wel om twee redenen.

Op de eerste plaats weten clinici uit hun praktijk en wetenschappers uit hun onderzoek dat een 'zuivere' stoornis zelden voorkomt. Het opknippen van gedrag in clusters van symptomen en die vervolgens een naam geven, is een manier om grip te krijgen op de realiteit. Dat is niet de realiteit zelf. Wanneer iemand én adhd heeft én autisme én angstig is én depressief, zegt dat niet dat hij knettergek is, maar dat er erg veel begrippen zijn bedacht in een poging zijn gedrag te duiden.

Op de tweede plaats bestaat er geen waterscheiding tussen mensen met en zonder stoornis. Symptomen hebben een normaalverdeling, anders gezegd: aparte stoornissymptomen bestaan niet. We horen allemaal wel eens geluiden of stemmen die er niet zijn - 17 procent van de mensen hoort ze zelfs regelmatig, maar meestal hebben ze er weinig last van. Stemmen worden pas een probleem als ze kwaadaardig en bedreigend zijn en mensen aanzetten tot (zelf)destructief gedrag.

Daar komt bij dat normale mensen zich gestoord kunnen gaan gedragen als de omstandigheden maar extreem genoeg zijn. Philip Zimbardo liet met zijn beroemde Stanford Prison-experiment zien hoe gewone, gezonde Amerikaanse studenten verwerden tot sadistische cipiers toen hij hen zogenaamde gevangenen (ook studenten) liet bewaken in de kelders van zijn universiteit. Zijn experiment liep op Abu Ghraib-achtige wijze uit de hand, zodat hij het voortijdig moest afbreken. Zimbardo toonde aan dat iedereen zich gestoord kan gedragen, als daarvoor maar de juiste triggers aanwezig zijn.

Ten slotte is het zo dat we dingen als somberheid, rusteloosheid, impulsiviteit, verslavingsgevoeligheid, enzovoort niet óf wel hebben óf niet, maar in meer of mindere mate. Daarbij gaat het erom of de mate waarin we ze hebben 'normaal' is. Normaal betekent dan 'acceptabel en hanteerbaar': voor onszelf als individu en voor onze omgeving. En daar zit de crux.

Tegenwoordig zien we vaker 'gestoord' gedrag dan vroeger, omdat door hoge maatschappelijke eisen - in het onderwijs, op de arbeidsmarkt - de definitie van normaal gedrag is verscherpt. Er waren altijd al 'gestoorde' mensen, maar ze konden vaak wel meedraaien. Dat is veel moeilijker in een complexe samenleving waarin mensen aan steeds meer eisen moeten voldoen en ook meer op zichzelf zijn aangewezen.

In onze meritocratische samenleving moeten we investeren in ons eigen succes. Faal je daarin, dan is dat je eigen schuld. Wijs je dan op je cognitieve of sociaal-emotionele tekortkomingen, dan kun je een trap na krijgen: 'Concentratiegebrek? Daar hebben we allemaal wel eens last van!' Het is precies wat de voorzitter van het vorige handboek, de Amerikaanse psychiater Allen Frances, roept. Velen roepen het hem na.

Zo kan het gebeuren dat de discussie over de DSM-5 blijft steken in een discussie over symptomen die er wel of niet in thuishoren. Terwijl het veel beter is om naar het disfunctioneren, lijden en de zorgbehoefte van iemand te kijken om te bepalen of die acceptabel en hanteerbaar zijn in het licht van wat van hem wordt verwacht. Wanneer rouw zo invaliderend is dat iemand er niet in slaagt zijn leven weer op te pakken, heeft hij hulp nodig. Mensen die zich zo slecht kunnen concentreren dat hun (school)werk een onoverkomelijke hindernis wordt, verdienen ondersteuning om die horde te nemen.

Dat wil niet zeggen dat we meer etiketten moeten plakken, maar wel dat we er oog voor moeten hebben dat iemands tekortkomingen hem gemakkelijker opbreken dan vroeger. Dat de DSM die maatschappelijke context buiten beschouwing laat, is een extra reden om het handboek in de la te laten liggen.

Van de auteur verscheen recentelijk bij uitgeverij Bert Bakker het boek Doe eens normaal - Over zin en onzin van psychiatrische stoornissen.






Naar Psychologische praktijktips , Psychologische krachten  , Psychologie
lijst
, Psychologie overzicht , 
Algemeen overzicht  , of site home .