Toelichting bij Psychologische krachten: het "ik"

De Volkskrant, 24-12-2005, door Simone de Schipper

Mijn eigen kleine misverstand
 
Tussenstuk: 'Tijdens diepe slaap staat het ik-proces uit. Maar als je wakker bent of droomt, dan ben je aan het zelven'

Op welke plek zetelt het ik? In de buik, in het hart, in het hoofd? Zit het wel ergens? Rondgang langs filosofen, neurologen en begrafenisondernemers. Zoeken naar de cinema van het zelf in het brein van Simone de Schipper

`Waar mijn ik zit?` Het is nogal een vraag om half acht `s ochtends. Maar Bob, huisschilder en stukadoor, hoeft niet eens op te kijken van kwast en kamerdeur. `In mijn hart en het is kobaltblauw.` Zijn collega Charles hoeft evenmin na te denken: `Om me heen, als een soort tweede huid.`
    En de visser, die op de koude ochtend zijn hengel al heeft uitgeslagen? Gezien zijn hobby en zijn hoge leeftijd zal hij zichzelf wel hebben gevonden. `Nou nee hoor, daar prakkeseer ik nooit over. Als ik vis, dan kijk ik daarnaar`, zegt hij en wijst op het dunne, fluorescente uiteinde van zijn hengel. `Als dat beweegt, dan heb ik beet.`
    De dragers van de begraafplaats dan, die zich in lang zwart opmaken voor de uitvaartdienst van tien uur? Ondanks hun tot contemplatie uitnodigende beroep, weten drie van hen zich geen raad met de vraag en maken zich uit de voeten. De vierde drager, Fred, wrijft halverwege zijn romp. `Hier, bij dat maagkuiltje. De kleur hangt af van mijn stemming. Nu is die lichtblauw. Open.` Het lijkt hem geen goed teken als het in je hoofd zit. `Dan is het je opgedrongen.`
    Bij een goede vriend blijkt de ik-plaats nogal te zwalken: `Als ik werk, dan zit het vooral in mijn hoofd. Maar als ik zwem, zit het meer in mijn huid. En als ik seks heb ` Ik weet genoeg. Bovendien zijn mijn vragen uitstelgedrag voor mijn eigenlijke opdracht: ik moet vandaag op zoek naar mijn eigen ik.
    Tot dan toe was het zo vanzelfsprekend geweest. Ik ben de eerste die ik tref als ik wakker word, en het is vertrouwder dan de ik in de spiegel, waarvan het altijd maar afwachten is of die eruit ziet als de persoon die ik me voel. Met half dichtgeknepen ogen kan ik voorstellen dat ik een ander zie. Maar die ik van binnen is onvermijdelijk. Even onvermijdelijk als ruimte en tijd. Samen vormen ze de continue basis van waaruit ik alles beleef.
    Maar waar die zit? De boekverkoper krijgt kennelijk vaker zelfzoekers, want hij somt professioneel op: `Dat ligt eraan welk ik u zoekt, mevrouw. Uw spirituele zelf? Of wilt u uzelf als merk verkopen? U bedoelt toch niet het boek Ik over het Duitsland van na de val?`

Siamese tweeling
Ik hou het op het `zelf` in de hersenen. Weliswaar schiet de waarschuwing van de drager door mijn hoofd, maar ook de gedachte: stel dat je één hoofd en twee lichamen zou hebben, dan zou er maar één zelf zijn. Terwijl, zo toont het lot van Siamese tweelingen, er twee ikken zijn zodra er twee hoofden zijn. Onwillekeurig vraag ik me af waar de grens ligt tussen één en twee personen. Bij de verdubbeling van bepaalde hersengebieden? En wat gebeurt er op de grens van één en twee?
    `Doe maar het ik in de hersenen`, antwoord ik de boekverkoper. `Dat vindt u op twee hoog.` Daar tref ik metersbrede boekenplanken over het ik en over het bewustzijn, veelal geschreven door middelbare topwetenschappers, al dan niet met Nobelprijs op zak. De penopauze prikkelt hen kennelijk om uit te stijgen boven alledaags gepriegel en, in de voetsporen van grote denkers, te zoeken naar onze essentie.
    Of de titels nu bewustzijn of het zelf beloven, de boeken behandelen steevast beide. Want een zelf is doorgaans een bewust wezen. En een bewust wezen ervaart de dingen doorgaans vanuit het eigen perspectief.
   Het eerste boek lijkt meteen raak. `Jij bent je synapsen`, schrijft Joseph LeDoux, beroemd om zijn onderzoek naar de hersenprocessen van angst, in Synaptic Self. How our brains become who we are. In die synapsen, de contactpunten tussen hersencellen, laten onze unieke, individuele ervaringen hun chemische sporen na. Die afdrukken beïnvloeden op hun beurt de gevoelens, verlangens, herinneringen en gedachten die ieder tot een uniek mens vormen. Het ik en de hersenen in een bijzondere wisselwerking.
    Een prachtig boek, maar mijn uniciteit is niet wat ik zoek. Het gaat me om dat vreemd vertrouwde gevoel dat ik ik ben, ongeacht de vraag of er net zo iemand is als ik. Zelfs in het onmogelijke geval van een tot op de molecuul identieke dubbelganger - wat zelfs bij klonen of eeneiige tweelingen niet kan - zou zij een ander `zelf` zijn. Ook zij zou alles beleven vanuit haar eigen perspectief. Ook zij zou `s ochtends wakker worden zonder de twijfel of zij mij is.
    Want de hersenstructuren van mijn denkbeeldige dubbelganger geven continu de toestand weer van háár lichaam en van alle veranderingen die het doormaakt. Die weergave, bedoeld om het biochemisch evenwicht in het lichaam te kunnen reguleren, is de rudimentaire voorloper van haar ik-gevoel, zou de Portugees-Amerikaanse neuroloog Antonio Damasio zeggen.

Eigenaar
Andere gebieden maken plattegronden van objecten buiten het lichaam. Hersenstructuren die die twee soorten plattegronden combineren, geven weer hoe het organisme wordt beïnvloed door het contact met de buitenwereld. Het `ik` ontstaat dan als een speciaal soort gevoel: het gevoel van wat er in een organisme gebeurt in wisselwerking met de buitenwereld. Dat creëert het besef van een `ik` als eigenaar van het geestesproces, betoogde Damasio jaren geleden, onder andere in zijn boek Ik voel dus ik ben.
    Zijn boeken liggen er nog en resoneren in vele hersenen- en bewustzijnsboeken die erbij zijn gekomen. Veel filosofen zijn er echter minder van gecharmeerd. In de gangbare filosofie stond het bewuste zelf op een voetstuk; het zou voortkomen uit hoogstaande menselijke eigenschappen als denkvermogen, geheugen en taal. Damasio`s beweringen dat het zelf begint in de ingewanden, en dat taal alleen handig is voor de opwaardering tot een complexer, autobiografisch zelf, wordt door hen niet met gejuich ontvangen.
    Ook niet door Michel ter Hark, decaan van de Groningse faculteit wijsbegeerte, die spreekt van pseudowetenschap. `Voor ze gaan zoeken, moeten ze eerst hun begrippen op een rijtje hebben en precies weten waarnaar ze zoeken. Als ze er goed over nadenken, zouden ze beseffen dat het ik niet in de hersenen kan bestaan. Dat zou namelijk betekenen dat ik identiek zou zijn aan iets dat ín mij zit. Zoiets noemen we onzin. Ze zoeken naar de oostpool.
    `In mij zitten mijn hersenen, that`s it. Om daar het zelf te zoeken, is net zo folkloristisch als het te zoeken in je bloed of je hart. Het zelf ontstaat tijdens de interactie tussen mensen, in het praten, het verhalen vertellen. Taal is daarbij essentieel. De woorden die je ergens aan geeft, zijn bepalend voor je ervaring en staan er niet los van. Net zoals de expressie waarmee je zingt niet los staat van de melodie. Hoe zou je zonder woorden ooit kunnen weten dat je je een week geleden anders voelde dan vandaag? Je kunt kleuren, complexe gevoelen als berouw en ook jezelf alleen begrijpen als je woorden hebt om ze te identificeren.`
    Dat is weer iets waarvan mijn volgende aanspreekpunt, de Amsterdamse neurowetenschapper Victor Lamme, niets moet hebben. `Taal is niet meer dan het laten wapperen van je tong. Niet wezenlijk anders dan het laten wapperen van je handen. Ik zie niet in waarom de ene actie zelfbesef oproept en de andere niet.`
    Het begint me te dagen waarom ik mijn eigen ik noch `het` ik kan vinden. En nooit zal vinden. Zodra iemand eureka roept, zullen anderen altijd zeggen: `Leuk geprobeerd, maar dat is het ik niet.`
    Mijn laatste strohalm is een man die zowel hoge ogen gooit onder filosofen als onder neurowetenschappers - de denkers versus de doeners. Thomas Metzinger van de Johannes Gutenberg-Universität in het Duitse Mainz is theoretisch filosoof, maar goed ingevoerd in de neurobiologie en weet beide partijen te verrassen. Hoopvol had ik zijn laatste boek besteld: Being no one. The self-model theory of subjectivity (MIT Press). Maar nu het wordt afgeleverd, staar ik vertwijfeld naar het zevenhonderd pagina`s zware, en pittige boek.
    `O, maar het is heel eenvoudig hoor`, zegt Metzinger als ik hem opbel. `Er is geen zelf. Niet in de traditionele betekenis van ziel of ding in het brein. Dat we toch die robuuste beleving hebben, komt omdat we innerlijk dat beeld creëren.
    `De hersenen werken met allerlei weergaven, zoals van het lichaam, ons evenwicht, onze emoties en gedachten. Het `zelf` is de verbinding van al deze lagen tot één weergave: dat is wat je ervaart als jezelf op dit moment. Van dat zelfmodel zien we bijna altijd alleen het eindresultaat. Niet de weergaven die eraan te grondslag liggen en de processen die leiden tot het zelf-model.

Plaatje
`Vergelijk het met zien. Heb je uitzicht op een boom? Je ziet niet die boom, maar het plaatje ervan in je hoofd. Dat plaatje is zo goed, dat je vergeet dat het een plaatje is. Net zoals je tijdens een goede film wel eens vergeet dat je in de bioscoop zit, of je identificeert met de held.
    `Ik zeg: datzelfde geldt ook voor ons zelf“. Ook dat is een driedimensionale weergave binnen de schedel, maar we herkennen het niet als zodanig. Met dat verschil dat we in die virtual reality zijn opgegroeid. We weten niet beter en we kunnen er niet uit stappen.
    `We verwarren onszelf met het zelf-model en hebben daardoor het misverstand dat we een zelf zíjn. Terwijl er een actief proces nodig is om dat model in stand te houden. Tijdens diepe slaap staat dat proces uit. Als we wakker zijn of dromen, dan zijn we aan het zelven“, aan het zelfmodelleren.`
    Hij ziet er het nut van in dat we niet bewust zijn van de onderliggend processen. `Dat zou het informatieverwerkende capaciteit van de hersenen zwaar belasten. Maar soms zie je er iets van. Als je bijvoorbeeld iets denkt of voelt en tegelijkertijd wéét dat je je misschien vergist. Dan weet je dat je gedachten en gevoelens een - mogelijk foutieve - weergave zijn van de werkelijkheid.`
    Dat er een feilbaar proces aan voorafgaat, wordt vooral zichtbaar bij dramatische aandoeningen aan het zelfbeeld, die Metzinger in zijn boek ontleedt.
    `De onderdelen van het zelf-model moeten worden toegekend aan de eigenaar, maar daarbij kan van alles misgaan.` Metzinger beschrijft de schizofrenie-patiënten die hun gedachten niet meer als eigen herkennen, mensen die hun been als andermans been ervaren, een vrouw die denkt dat ze haar vader is, een man die zijn arm niet kan bewegen maar volhoudt dat hij ziet dat hij ermee wijst, de Cotard-patiënten die ervan overtuigd zijn dat ze niet bestaan. Of dat ze dood zijn, en de dokter adviseren: `Het lichaam begint al te stinken, pak het maar in en gooi het bij het vuilnis.`
    Metzinger denkt dat het mogelijk is de ik-ervaring terug te vinden in het brein. `Maar het is onzin om te zeggen dat het zelf alléén in hersensignalen zit, net zomin als je kan zeggen dat het alléén in sociale interactie bestaat. Dat is onzin, want het proces heeft vele niveaus. Het is maar net welke kant je wilt belichten.`
    Als ik een lange dag later naar huis fiets, vraag ik me af of dit antwoorden zijn op mijn vraag. En probeer de duizelingwekkende betekenis van dit alles tot me te laten doordringen. Zweeft mijn ultieme privé-ervaring op vele niveaus? Is het zelf dat hier fietst, een virtuele projectie waar ik niet uit kan stappen? Hoe zou het zijn om de werkelijkheid achter de projectie te kunnen zien? Ik denk aan de film The Matrix, aan het cruciale moment waarop Neo door de schijnwereld heen kan zien en de symbolen ziet waaruit de matrix is opgebouwd.
    Ik voel niet de frisse winterlucht tegen mijn wangen, zie niet de sterren aan de zwarte hemel, maar ervaar de projectie ervan in de privé-cinema van mijn eigen brein. De zelf die dit alles ervaart, is de sublieme vervolmaking van deze virtuele werkelijkheid. Die zelf kan de verwondering niet bevatten dat dit alles mogelijk is in een wereld die slechts uit moleculen bestaat. Wat een geweldig misverstand.


Naar Psychologische krachten  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of  site home .
 

[an error occurred while processing this directive]