De Volkskrant, 29-03-2013, door Ana van Es en Elsbeth Stoker 30 mrt.2013

'In een flits dacht ik: do bist fan my'

Onder grote belangstelling legde Jasper S. donderdag bij de rechter in Leeuwarden zijn verklaring af over de moord op Marianne Vaatstra. Het werd een relaas vol gruwelijkheden.


Tussentitel: De meeste mensen die een moord plegen, die gooien het mes daarna weg - Rechter Bert Dölle
Ik heb het mes als een boetedoening bij me gehouden - Verdachte Jasper S.


De rechter, tegen de zaal: 'U krijgt feiten te horen die buitengewoon onaangenaam zijn. Laat ik het maar gewoon zeggen: schokkend. Ik zou u willen vragen: als iemand het te kwaad krijgt, probeer dan op een rustige manier de zaal te verlaten.'

Jasper S., verdachte van de verkrachting en moord op Marianne Vaatstra, stond donderdag voor de rechter in Leeuwarden. Vijf uur werd hij ondervraagd over de nacht waarin de 16-jarige Marianne stierf, op 1 mei 1999 in een weiland in het Friese Veenklooster. De 45-jarige melkveehouder hield bijna veertien jaar zijn mond. Pas afgelopen najaar werd hij gepakt, na een grootschalig dna-onderzoek onder de Friese bevolking. 'Ik dacht: dit is het laatste bedrijf. Ik besefte dat ik als dader naar voren zou komen.'

Rechter Bert Dölle (R): 'Maar bij uw aanhouding stond u nog vol in het leven. Het was niemand opgevallen dat u zich zorgen maakte. Alleen een van uw medewerkers zei achteraf dat als hij zei: 'Tot morgen', u zei: 'Dat zullen we nog wel zien.''

Verdachte Jasper S. (S): 'Ja, dat had er mee te maken.'

R: 'Heeft u overwogen om zelf naar de politie te gaan?'

S: 'Dat heb ik de afgelopen veertien jaar meerdere malen overwogen. Mijn daad heeft de familie Vaatstra... eh... Ik kan het woord even niet vinden... In het verderf gestort. Ik kan dat niet meer veranderen, ik kan het niet terugdraaien. Maar ik heb in 1999 besloten om het stil te houden. Wij hebben twee kinderen. Die waren toen 5 en 8. Misschien is het egoďstisch, maar ik wilde mijn kinderen zien opgroeien.'

R: 'Terug naar de avond van 30 april 1999. U stopt tussen tien en elf met melken. Hoe ziet de rest van die avond er uit?'

S: 'Ik maakte eten. Rond vier uur 's middags drink ik altijd thee en eet ik brood, de volgende maaltijd is pas nadat ik klaar ben met melken. Dus ik heb brood en koffie gepakt en de krant gelezen. Mijn vrouw lag al op bed. Ik heb gemeld dat ik beneden zou slapen omdat er een koe zou afkalven. Daar wilde ik 's nachts naartoe. Daarna legde ik me ter ruste.'

R: 'Wat gebeurt er rond half twee 's nachts?'

S: 'De wekker gaat. Ik trek mijn werkkleren aan en ga naar de stal. Ik zoek de bewuste koe op. Ik kijk hoe ver het afkalven is. Maar met de koe is nog niets aan de hand.'

R: 'Een beetje boer ziet dat in vijf minuten.'

S: 'Toen ben ik weer naar het woonhuis gelopen. Met de intentie om te gaan slapen. Maar ik ben gaan fietsen.'

R: 'U ging 's nachts vaak fietsen.'

S: ''s Nachts is een heel rustig moment. Je bent dan alleen. Dat heb ik nodig om mijn gedachten te ordenen. Het was een drukke tijd, ik moest mijn hoofd leegmaken.'

R: 'U herinnert zich dat u iemand tegenkwam. Dat was Marianne.'

S: 'Ik zag twee jongens op het fietspad, in het licht van de straatlantaarn. Terwijl ik naar die jongens kijk, komt iemand me tegemoet op de fiets. Dat blijkt een jonge vrouw te zijn.'

R:'U zegt tegen de politie: ze komt uit de richting van Buitenpost. U fietst beiden heel snel. U ziet elkaar in een flits. En u ziet dat het een vrouw is. Wat denkt u dan?'

S: 'Vanuit het niets flitst door mij heen: jij bent van mij.'

R: 'Do bist fan my. Waar komt dat vandaan?'

S: 'Ik weet dat niet. Ik heb dat nog nooit gehad. Ik weet nu nog niet waar het vandaan gekomen is.'

R: 'Deskundigen achten u volledig toerekeningsvatbaar. En dan ineens die gedachte. Dat kan ik niet plaatsen.'

S: 'Ik kan het ook niet plaatsen.'

R: 'U ging weleens naar de prostituees. Maar dit is een jongedame die over de openbare weg fietst. En deze gedachte', - de rechter kijkt naar Jasper S. - 'die houdt áán.'

S: 'Er gaat een knop om. Mijn geweten is uitgeschakeld.'

R: 'U fietste ook weleens door, naar Groningen. Om een prostituee te zoeken. Kan er in uw fietstocht geen overweging hebben gezeten dat u toch... Dat u dacht: misschien fiets ik wel naar Groningen?'

S: 'Ik ben helemaal niet met die gedachte van huis vertrokken.'

R: 'En dat weet u heel zeker?'

S: 'Er speelde van alles rond die 1ste mei. Ik had stress. Ik ben op mijn fiets gestapt om de stress kwijt te raken.'

R: 'Maar dan komt u Marianne tegen en u draait om. Met de gedachte, ik wil seks met haar.'

S: 'Dat klopt.'

R: 'Zij fietst vrij snel. U moet op de trappers staan, begrijp ik. En nog steeds met de gedachte, die is van mij?'

S: 'Ik weet niet meer wat er door me heen ging. Ik was zo gefocust om haar in te halen. Op een zeker moment lukt dat. Schuin van achteren. Ik fiets heel dicht naast haar fiets. Ik trek haar van haar fiets.'

R: 'Heeft Marianne nog iets gezegd tegen u?'

S: 'Als ze merkt dat ze ingehaald wordt, kijkt ze verschrikt achterom. Ze roept: wa bist do? Wie ben je?'

R: 'Heeft u daar op geantwoord?'

S: 'Daar heb ik niet op geantwoord. Ik heb mijn hand voor haar mond gelegd. Wij zijn half struikelend tot stilstand gekomen. Ze heeft geprobeerd zich los te rukken.'

R: 'Vrienden en kennissen zeggen: Marianne laat zich niet zomaar overmeesteren.'

S:'Ze heeft geprobeerd zich los te rukken en daarin is ze eh... niet geslaagd. Op een zeker moment heb ik haar vastgepakt bij het rugpand van haar jas. Ik heb toen eh... tijdens de worsteling kans gezien mijn zakmes te pakken.'

R: 'Weet u, ik stel me een meisje in doodsnood voor. Ik kan me voorstellen dat ze alles doet om los te komen. Krabben, bijten. Uw dna is gevonden in haar nagelvuil. Hoe is dat gegaan?'

S: 'Sorry, daar blijf ik het antwoord op schuldig. Ik heb haar met het mes bedreigd. Ik denk dat het zo veel impact op Marianne had dat ze haar verzet opgegeven heeft.'

R: 'U gaat een weiland in. U maakte een aantal afwegingen. De fiets moest van het fietspad, u wist precies de juiste doorgang te vinden het weiland in. U handelde vrij rationeel. Heeft u zich bedacht dat dit kon uitkomen?'

S: 'Op dat moment niet. Ik zat in een soort roes. Ik was toen helemaal niet bezig met ontdekking.'

R: 'U wilde seks met haar hebben. Marianne gaat mee het weiland in. Ze weet hoe laat het is. Dit gaat niet goed aflopen. Het kan slecht aflopen of zeer slecht aflopen. Het is zeer slecht afgelopen. Wat doet ze? Niet schreeuwen, krabben en bijten?'

S: 'In de verhoren heb ik mijn stinkende best gedaan om het me voor de geest te halen. Het lukt me niet. Ik heb gaten in mijn geheugen.'

R:'De politie wilde van u weten: had u van tevoren al bedacht dat Marianne het er niet levend af zou brengen? Toen zei u: 'Nee. Ik deed het niet, mijn lichaam deed het.' Wat bedoelt u daarmee?'

S: 'Als ik bij mijn volle bewustzijn ben, doe ik zoiets niet.'

R: 'En dan komen we op een heel pijnlijk onderdeel. Wat gebeurt er dan? Moet Marianne haar jas uit doen?'

S: 'Ja. Op mijn bevel.'

R: 'Wat is het volgende bevel? U heeft gezegd dat ze op haar knieën moest gaan zitten. En ze deed dat omdat u een mes in de hand had.'

S: 'Ja. Ik heb haar constant onder bedreiging gehad van dat mes.'

R: 'Heeft u haar met de dood bedreigd?'

S: 'Het ligt niet in mijn aard om iemand met de dood te bedreigen.'

R: 'U heeft gezegd dat ze u moest pijpen. Dat was een ervaring die u had bij de prostituees. U vond die vorm van seks aangenaam.'

S:'Aangenaam is een groot woord. Bij de prostituees was het meestal de standaardprocedure.'

R: 'En volgde u in dat weiland ook de standaardprocedure? Prostituees doen dat om commerciële redenen, omdat de vaginale seks dan minder lang duurt. Maar u deed het vrijwillig. Dus u vond dat lekker.'

S: 'Blijkbaar.'

R: 'Dan mag ze stoppen. Ze krijgt verlof, toestemming, om te stoppen met pijpen. U heeft het mes in uw handen. U zegt dat ze op haar jas moet gaan liggen. En dan?'

S: 'Ik ben naast Marianne geknield en ben begonnen haar van haar kleding te ontdoen.'

R: 'Vanaf het moment dat u haar op het fietspad tegenkwam, stond seks voorop. Dat was het plan. Of niet?'

S:'Ja. Maar dat plan is spontaan ontstaan. Ik ben niet gaan fietsen met een vooropgezet plan. Ik ben haar tegengekomen, dat is puur toeval.'

R: 'Toen u haar kleding doorsneed, zat u met het mes vlak bij haar keel. Was het intimidatie?'

S: 'Ik weet het niet.'

R: 'Waarom moest haar beha af?'

S: 'Ik wilde haar lichaam strelen, als onderdeel van de seksuele beleving.'

R: 'Liet Marianne dit toe? Flauwgevallen van angst?'

S: 'Angst. Het mes was er nog.'

R: 'U had haar slipje doorgesneden. Het mes was wel scherp hč. Ze had wonden aan de binnenkant van haar dijen. Deskundigen hebben vastgesteld dat ze weinig gebloed heeft. Dat kan betekenen dat ze of al dood was, of op zijn minst buiten bewustzijn was.'

S: 'Ik heb haar daar niet gesneden. Het kan ook zijn dat ze dat op een andere manier heeft opgelopen.'

R:'U heeft vaginale seks met haar gehad. En dan?'

S: 'Dan raak ik in volslagen paniek.'

R: 'U ging eerder vrij risicovol aan de slag. Waar komt dan de paniek vandaan? Bracht de seksuele bevrediging u terug tot de werkelijkheid?'

S: 'Ik kan dat niet precies aanduiden. Maar op dat moment was ik volslagen in paniek.'

R: 'U had hard kunnen weglopen.'

S: 'Ik dacht aan eh... aan de ontdekking, en aan mijn gezin.'

R: 'Maar er ligt daar een meisje in het gras en dan denkt u aan uw eigen gezin? U maakt een afweging.'

S: 'Ik heb geen afweging gemaakt. Ik... heb haar in die paniek omgedraaid. Om me heen gegrepen. Het eerste gepakt wat ik vast kon grijpen. Dat was haar beha. Die heb ik haar over het hoofd gedaan. En aangetrokken. In mijn beleving heeft dat maar heel kort geduurd. Ik hoorde haar nog steeds ademen. En toen heb ik in dezelfde paniek haar mes gepakt en... toen heb ik haar keel doorgesneden.'

R: 'Een keer? Twee keer?'

S: 'Nee.' Hij bedekt zijn gezicht met een papieren zakdoek en begint te huilen.

R, na een stilte: 'Het was drie keer. Klopt dat?'

S: 'Drie keer.'

R: 'Weet u waarom u drie keer gesneden heeft?'

S: 'Nee.'

R: 'Maar waarom pakte u dat mes? Dacht u dat het met die beha alleen niet zou lukken.'

S, na een lange stilte: 'Ik weet niet wat ik toen gedacht heb. Ik heb vanuit diezelfde paniek, korter dan een minuut... Ik hoorde haar ademen en ik heb dat mes gepakt.'

R: 'De meeste mensen die een moord plegen, die gooien het mes daarna weg. In het water ofzo. Maar u deed dat niet. U hield het bij u. Dertien jaar lang.'

S: 'De mensen die mij kennen, weten dat ik zuinig ben op mijn spullen. Ik heb dat altijd bij me. Later toen ik weer thuis was, heb ik ook besloten om dat mes niet weg te doen.'

R: 'Dat mes, daar is iemand mee vermoord. Dat kan opwegen tegen de prijs van het mes.'

S: 'Ik heb het mes als een boetedoening bij me gehouden. Wat er is gebeurd, dat heeft de nodige indruk op me gemaakt.'

R: 'Zou het kunnen dat er meer gebeurd is dan u verklaart?'

S: 'Nee, er is niet meer gebeurd dan ik heb verklaard. Ik heb de fiets gepakt, haar misbruikt en gedood.'
 


Naar Psychologische krachten  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]