KIJK, nr. 8-2012, door Rik Peters 11 okt.2009

Met een lach en een traan sloegen we ons door de evolutie

Lachen en huilen zijn twee uitersten. Maar beide activiteiten prikkelen de nieuwsgierigheid van wetenschappers. Hoe past humor in de ontwikkeling van de mens? En waar komt onze aanleg voor huilen vandaan? In dit tweeluik zet KIJK de mogelijke verklaringen op een rijtje.


Humor: Beloning voor het opknappen van rotklusjes?

"Als je een mop vertelt in het bos, en niemand lacht, was het dan wel een mop?" De Amerikaanse komiek Steven Wright is bekend om zijn een zin lange, gortdroge grappen. Maar hij stelt een goede vraag: wanneer is iets komisch? Dat is ingewikkelder dan het lijkt, want humor is cultureel bepaald (denk aan 'typisch Engelse' humor), tijdgebonden (moet iemand nog echt lachen om Wim Kan?) en afhankelijk van de situatie (een mop tijdens een begrafenis doet het waarschijnlijk nog slechter dan eentje in het bos). Bovendien is er zoiets als persoonlijke smaak, want er schijnen mensen te zijn die niet kunnen lachen om Steven Wright.
    Toch proberen wetenschappers en moppentappers al jarenlang een definitie van grappigheid te geven en de gemeenschappelijke kenmerken van alle humor te vinden. Zoals socioloog Anton Zijderveld van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij publiceerde eerder dit jaar het boek Waarom wij lachen en is naar eigen zeggen zijn hele carrière al gefascineerd door humor en lachen. Als socioloog benadert hij die thema's uiteraard door ze in verband te brengen met hoe onze maatschappij functioneert en de manieren waarop wij met elkaar omgaan.

Platgevallen mop
Sterker nog, juist door de algemeen geaccepteerde opbouw van onze samenleving is humor mogelijk, omdat grappen die structuur ondermijnen. Iets is komisch doordat het een schijnbare zekerheid doorbreekt en zo voor verrassing zorgt. Of in Zijdervelds vakjargon: "De humorist wijkt af van de institutioneel-mechanische baan en gooit de betekenissen en waarden waaraan we zo gewend zijn geraakt, die we voor vanzelfsprekend en zelfs voor normaal zijn gaan houden, overhoop. In humor zit dus iets anarchistisch." Geestigheid ontstaat wanneer iets wat duidelijk en vaststaand lijkt te zijn, toch op zijn kop wordt gezet. Bij het openingscitaat van Steven Wright denk je te weten wat er komt, maar dan worden al je verwachtingen omvergegooid.
    Het lijkt logisch dat een komische verrassing lachen uitlokt, maar dat is te simpel gedacht. Volgens Zijderveld is lachen geen reactie op humor, maar een onderdeel ervan. In zijn eigen woorden: "Het lachen definieert een uitspraak of een gebeurtenis als humoristisch." Door te lachen vertel je een moppenmaker dat hij grappig is en dat je zijn witz begrijpt.
    Zijderveld: "Als iemand een mop vertelt en zijn toehoorders zeggen zonder te lachen 'dat is grappig, zeg', valt de mop plat en is er geen sprake van humor. Voor een cabaretier is niets erger dan een publiek dat niet om zijn grappen lacht. Het zou dodelijk zijn als iemand uit het stille publiek roept: 'Nou, dat is pas leuk!' De kans is groot dat het publiek wel om deze kreet begint te lachen, wat natuurlijk fataal is voor het verdere verloop van de voorstelling."
    Zijderveld analyseert dus" hoe humor en lachen in onze maatschappij functioneren, maar hij gaat niet echt in op de vraag hoe beide fenomenen zijn ontstaan. Hij denkt dat veel humor is begonnen als een soort coping-strategie: een manier om met problemen om te gaan. Mensen probeerden nare en griezelige dingen onschadelijk te maken door ze weg te lachen. Maar echt diep onderzoekt hij dat onderwerp niet. De bestaande evolutionaire verklaringen krijgen hoogstens het predicaat 'suggestieve hypothese'.

Leuk factchecken
Gelukkig voor ons proberen andere onderzoekers wel een evolutionaire verklaring voor humor en lachen te vinden. Bijvoorbeeld cognitiewetenschapper Matthew Hurley, psycholoog Reginald Adams en filosoof Daniel Dennett (zie het interview met hem in KIJK 5/2012), in hun nieuwe boek Inside jokes, using humor to reverse-engineer the mind. Volgens deze drie heren is humor een trucje waarmee de evolutie ons noodzakelijke maar onleuke dingen toch leuk laat vinden. Om dat te verduidelijken, maken de drie auteurs een vergelijking met onze zucht naar zoetigheid. Ons lichaam heeft suikers (koolhydraten) nodig om te kunnen functioneren. Een goede bron daarvan is fructose, de suiker in rijp fruit. En de suikersoort die door de zoetsensors in onze tong het makkelijkst wordt herkend, blijkt fructose te zijn. Met andere woorden: onze smaakpapillen en onze hersenen zijn geprogrammeerd om voedsel vol suikers te herkennen en te waarderen. Het is noodzakelijk om koolhydraten binnen te krijgen, en de evolutie zorgde ervoor dat we dat ook heel graag doen.
    De auteurs denken dat humor iets soortgelijks is: een beloningssysteem dat een noodzakelijke taak leuk maakt, zodat we hem blijven uitvoeren. Die verplichte opdracht is volgens de auteurs het opruimen van verkeerde denkbeelden. De vroege mens ging steeds meer nadenken, over steeds meer dingen: hij kreeg ideeën over zijn omgeving, de toekomst, gevaren en mogelijkheden. Hij probeerde de wereld te begrijpen en bedacht daarvoor talloze hypotheses. Daarbij werden onvermijdelijk fouten gemaakt, en het was gevaarlijk wanneer die in het brein bleven zitten. Een holbewoner die ontdekte dat hij paddenstoelen kon eten, had na ernstige misselijkheid wel door dat de vliegenzwam een uitzondering is. Daarom moesten foute hypotheses worden gecontroleerd en herzien. Maar het nakijken van al die ideeen op hun (on)juistheid was niet echt een plezierig karwei. Daarom zorgde de evolutie voor humor: we ervaren een prettig gevoel wanneer eer-der gemaakte schema's als onjuist kunnen worden aangemerkt. Humor maakt het noodzakelijke factchecken leuk.

Dubbel inzicht
En dat klinkt ons bekend in de oren, want Zijderveld opperde iets soortgelijks als een kenmerk van humor: namelijk dat structuren omver worden geworpen. Het ontkennen van eerdere aannames is dus niet alleen wat een grap komisch maakt, maar de noodzaak daartoe is bovendien de reden waarom humor überhaupt is ontstaan. Wie in het volgende citaat van Steven Wright de grappigheid ziet, begrijpt dus zowel de kenmerkende inhoud van humor als de oorsprong ervan: "Toen ik vanochtend wakker werd naast mijn vriendin, vroeg ze of ik goed had geslapen. Ik zei: 'Nee, ik heb een paar fouten gemaakt"

Rik Peters gebruikte voor dit artikel de volgende literatuur:

- Anton C. Zijderveld: Waarom wij lachen | Cossee (2011) - Matthew M. Hurley, Daniel C. Dennett, Reginald B. Adams, Jr: Inside jokes | MIT Press (2011)


Tranen: een stille schreeuw om aandacht

Emotionele tranen zijn zinloos. Darwin, architect van de evolutietheorie, wist het zeker. Tranen dienden om "bet oogoppervlak te smeren" en "stofjes of andere minuscule deeltjes" uit de ogen te spoelen. Tranen van geluk, wanhoop, pijn of angst waren slechts reflexen: nutteloze bijproducten van evolutionaire ontwikkelingen.
Volgens Darwin had elk menselijk gedrag een functie in de evolutie, behalve emotioneel wenen. Dat was even zinloos als "een nies doordat het netvlies wordt getroffen door helder licht".
    Dat schreef de wetenschapper in The expression of the emotions in animals and man (1872). In dat boek zocht hij naar overeenkomsten tussen hoe mensen hun emoties uiten en de manier waarop dieren dat doen - uiteraard als ondersteuning voor zijn stelling dat mens en beest familie van elkaar zijn. Darwin vindt veel matchende uitingen, maar niet bij janken: hoewel hij verhaalt over huilende olifanten in Ceylon (nu Sri Lanka), gelooft hij dat slechts "heel weinig dieren" echt 'traanhuilen'.
    Met dat laatste zijn moderne wetenschappers het nog steeds eens, maar zij twijfelen aan het nutteloze huilen. Zo schreef Ad Vingerhoets, hoogleraar emoties en welzijn aan de Universiteit van Tilburg, eerder dit jaar het boek Tranen. Waarom mensen huilen. Daarin geeft hij een evolutionaire theorie waarin tranen wel een functie hebben. Vingerhoets ziet huilen als communicatie: we informeren groepsgenoten hoe we ons voelen. Emoties zitten vanbinnen, maar door te huilen, maken we ze aan anderen duidelijk.

Veilig signaal
Het evolutionaire nut van het uiten van emoties is simpel. Wie in een groep leeft en zich niet goed voelt, moet dat aan zijn groepsleden vertellen. Zo weten zij dat ze voor je moeten zorgen en vergrootje de kans op survival. "Om in sociale groepen te kunnen leven, is goede en betrouwbare informatie nodig over het welzijn, de gesteldheid en gedragsneigingen van groepsleden", schrijft Vingerhoets.
Dat geldt niet alleen voor mensen. Ook veel dieren beschikken over manieren om aandacht en hulp uit te lokken als ze zich niet goed voelen. Sommige scheiden geurstoffen af, anderen maken geluid. Mensen kunnen (en doen) dat laatste, maar uiten bovendien veel emoties met hun gezicht. Huilen is daar een vorm van. Vingerhoets: "Is er misschien iets geweest in onze evolutionaire ontwikkeling wat een vochtige versie van huilen bevorderde en wat de kans op overleven en het doorgeven van onze genen meer waarschijnlijk maakte?"
    Je raadt het antwoord al: ja. En de verklaring is verrassend simpel: janken met geluid is hartstikke gevaarlijk. Want niet alleen je beschermers horen het, maar ook eventuele belagers. Zij weten dan waar je bent en dat je niet in opperbeste staat verkeert allebei niet echt zaken die je aan mogelijke aanvallers wilt vertellen. Als je verzorgers in je omgeving (en verder helemaal niemand) wilt informeren over je toestand, dan is een stil en zichtbaar signaal veel veiliger dan een boel kabaal. Tranen helpen dan: zichtbaar voor je omgeving, niet voor vijanden in de bosjes.

Moeilijk te faken
Om traancommunicatie mogelijk te maken, was evolutie nodig. Toen we zo'n 6 miljoen jaar geleden afzwaaiden van de chimpansees, gingen we rechtop lopen, kregen we meer zweetklieren en minder haren en veranderden onze hersenen. Vingerhoets: "Bij lagere diersoorten is een belangrijke rol weggelegd voor geurprikkels en feromonen, die ten grondslag liggen aan allerlei vormen van sociaal gedrag, met inbegrip van seks en de zorg voor hun jongen. De verwerking daarvan vindt vooral plaats in het zogenaamde limbische systeem, een - evolutionair gezien - oud deel van de hersenen. Bij een aantal primatensoorten (vooral die uit de 'oude wereld') en bij mensen is er echter sprake van een enorme toename van juist dat deel van de hersenen dat vooral visuele informatie verwerkt: de cortex, het evolutionair gezien nieuwere deel van de hersenen:' Dus: voor sociale interactie werd visuele informatie steeds belangrijker, terwijl geur en geluid minder belangrijk werden. Huilen met geluid of geur verloor van huilen met zichtbare tranen.
    Dat was gunstig omdat tranen veiliger zijn dan gillen, maar er was nog een voordeel: emoties in het gezicht zijn minder makkelijk te faken. Huilen heeft dat gemeen met bijvoorbeeld blozen. Vingerhoets:
"Blozen en tranen zijn beide signalen waarvan we het idee hebben dat ze betrouwbaar en oprecht zijn we kunnen immers niet vrijwillig huilen of blozen." Dat laatste wist Darwin ook al: "We kunnen een lach opwekken door het kietelen van de huid; geschrei of een frons door een klap; bevingen door de angst voor pijn, enzovoort; maar we kunnen (...) op geen enkele fysieke wijze - dat wil zeggen door geen enkele inwerking op het lichaam - een blos teweegbrengen. Hiertoe moet de geest zijn aangedaan."

Ultrasociaal
De switch van hoorbaar naar zichtbaar huilen is alleen door mensen gemaakt, omdat deze nieuwe vorm veiliger en duidelijker was en omdat onze hersenontwikkeling het toeliet. Dat had grote gevolgen, meent Vingerhoets. "Voor visuele signalen is meer gerichte aandacht nodig, anders worden ze niet opgemerkt", stelt hij. "Tranen zijn wel heel opvallend; ze maakten het makkelijker dat individuen meer zicht kregen op elkaars pijn, lijden en gevoelens. Dat heeft vervolgens zeker bijgedragen aan de ontwikkeling van ons empathisch vermogen, dat wel wordt gezien als een belangrijke eerste stap in de ontwikkeling van de mens tot een 'ultrasociale' en morele diersoort. Een soort die zijn gelijke niet kent als het gaat om samenwerking, sociale binding, en zorg voor zwakken en zieken."
    Als Vingerhoets gelijkt heeft, is huilen dus niet alleen uniek voor mensen, maar speelde het zelfs een belangrijke rol in het überhaupt menselijk worden van onze soort.

 



Rik Peters gebruikte voor dit artikel de volgende literatuur:

- Ad Vingerhoets: Tranen. Waaram mensen huilen I Bert Bakker (2011) - Charles Darwin: Het uitdrukken van emoties bij mens en dier I Nieuwezijds (2009)

Naar Psychologische krachten  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]