De Volkskrant, 03-11-2012, door Ellen de Visser 5 nov.2012

'Wie zich inhoudt krijgt een beter leven'

Peuters met zelfbeheersing blijken later in het leven succesvoller. Dus, adviseren twee Britse hoogleraren: vergroot die vaardigheid.

Tussentitel: 'Er breekt een periode aan waarin psychologische eigenschappen het verschil maken'

Zet een groep kinderen bij elkaar, noteer hun eigenschappen en kijk hoe ze jaren later in het leven staan. Wat voorspelt of ze rijk, gezond en gelukkig worden? IQ en sociaal-economische klasse worden gezien als de belangrijkste factoren: slimme kinderen hebben een voorsprong en geld van ouders geeft een duw in de rug. De gelauwerde Up-serie van de BBC, die veertien Britse kinderen al bijna vijftig jaar volgt, schetst daarvan een confronterend beeld: slechts een enkeling slaagt erin door de grenzen van de klasse heen te breken. Voor de meerderheid lijkt het levenspad al op zeer jonge leeftijd vast te liggen.
    Toch blijkt, onverwacht, nóg een factor al vroeg in de jeugd te bepalen welke kant je leven op gaat; een psychisch kenmerk dat cruciaal is voor latere gezondheid, rijkdom en succes: zelfbeheersing. Wie zijn impulsen kan onderdrukken, zich over tegenslagen heen kan zetten en weet te plannen, gaat het in het leven meer voor de wind dan de snel gefrustreerde, ongeduldige impulsieveling.
    Dat klinkt logisch, maar het wordt interessant als blijkt dat de verschillen in zelfbeheersing al bij peuters hun schaduw vooruitwerpen - en dat bijspijkeren van die vaardigheid hun levenskoers kan veranderen. Op het Instituut voor Psychiatrie aan het Londense King's College praten de hoogleraren psychologie en neurowetenschappen Terrie Moffitt en Avshalom Caspi vol geestdrift over wat zij 'de sleutel tot succes' noemen. Self-control, zeggen ze, is voor de huidige generatie jongeren waarschijnlijk de belangrijkste eigenschap om zich staande te houden. In een wereld waarin de keuzemogelijkheden oneindig lijken en er zoveel verleidingen op de loer liggen, is zelfsdiscipline doorslaggevend voor het bereiken van voorspoed.
    Begin vorig jaar bewezen de hoogleraren, al dertig jaar een stel, met een baanbrekende publicatie in het tijdschrift PNAS hoe groot de invloed is van zelfbeheersing. Al veertig jaar volgen ze een groep van ruim duizend Nieuw-Zeelanders. De peuters die op 3-jarige leeftijd weinig zelfbeheersing hadden, blijken drie decennia later veel slechter af te zijn dan hun gedisciplineerde leeftijdsgenoten: ze hebben vaker een zwakke gezondheid en overgewicht; ze kampen met verslavingen en financiële problemen; hebben een wankel huwelijk; en ze vertonen meer crimineel gedrag.
    Om de invloed van sociaal-economische achtergronden op de uitkomsten uit te sluiten, herhaalden de twee het onderzoek bij ruim 1.100 Britse tweelingen die ze sinds de jaren negentig volgen. Gezin, opvoeding en sociaal-economische achtergrond zijn per tweeling gelijk.
    De onderzoeksperiode was korter maar het effect was identiek: de kinderen die op 5-jarige leeftijd over minder zelfbeheersing beschikten dan hun tweelingbroer- of zus, deden het op 12-jarige leeftijd slechter: ze rookten vaker, presteerden minder op school, vertoonden meer asociaal gedrag. Twee groepen kinderen uit twee werelddelen, geboren in twee tijdsgewrichten - en toch was het verband tussen zelfbeheersing en levensgeluk overduidelijk, onafhankelijk van hun IQ.
    Het onderzoek had een hoopvolle ondertoon. De Nieuw-Zeelandse kinderen die er op latere leeftijd in slaagden hun zelfbeheersing te verbeteren, deden het veel beter dan op grond van hun 3-jaar-score kon worden becijferd. In welke klasse je wordt geboren, ligt vast; IQ kan hooguit een beetje worden opgekrikt; maar zelfbeheersing kan worden verbeterd, en fors ook. Dat biedt de mogelijkheid een hele bevolkingsgroep te verheffen. Hoeveel extra welvaart en welzijn kan dat niet bieden?, opperen de twee hoogleraren. En hoeveel veiliger kan de samenleving niet worden?
    Zelfbeheersing zou voor deze eeuw weleens net zo doorslaggevend kunnen zijn als de alfabetisering rond de vorige eeuwwisseling, zegt Moffitt. 'Ooit konden alleen de hoogste klassen iets bereiken in het leven, maar dat is dankzij de leerplicht en beter onderwijs veranderd. Tegenwoordig kunnen slimme mensen hogerop komen ongeacht hun afkomst. Nu begint een nieuwe periode, waarin psychologische eigenschappen in de samenleving het verschil maken. Niet hoe rijk je ouders zijn, of in hoe slim je bent, maar vooral hoeveel discipline je hebt.'

Waarom is zelfbeheersing de belangrijkste eigenschap voor later succes?
Caspi: 'Steeds minder jongeren moeten steeds meer ouderen opvangen. Daarom is het relevant te bedenken welke eigenschappen essentieel zijn voor een goed functionerende maatschappij. Het is in ons belang jongeren vaardigheden aan te leren waarmee ze gezond blijven en economisch succesvol zijn. Zelfbeheersing hebben we harder nodig dan ooit, want we worden overladen met keuzes.'
    Moffitt: 'We hebben discipline nodig om al het voedsel te trotseren en niet te dik te worden, om verleidelijke koopjes te weerstaan en niet te veel geld uit te geven, om onszelf van de bank te trekken en naar de sportschool te gaan.'

Hoe kwamen jullie op het idee om de invloed van zelfbeheersing te gaan bestuderen?
Moffitt: 'Alle kinderen uit de groep Nieuw-Zeelanders die we al decennia volgen, zijn geboren tussen april 1972 en maart 1973 in het St Mary's ziekenhuis in Dunedin, een universiteitsstad op het Zuidereiland. Ze waren 3 toen ze voor het eerst werden getest en nu, veertig jaar na hun geboorte, vormen ze het meest bestudeerde cohort kinderen ter wereld. Tal van onderzoeksteams verzamelen informatie over hun gezondheid en welzijn. Ik raakte bij het onderzoek betrokken in 1985, toen de kinderen 13 waren en al vijf keer uitvoerig waren getest.'
    Caspi: 'De laatste jaren zagen we dertigers die het prima deden én leeftijdgenoten die veel minder goed terecht waren gekomen. Hoe kon dat? Door IQ, sociaal-economische klasse, een dosis geluk? Dat kon niet de hele verklaring bieden voor de enorme verschillen in succes. Daarom bekeken we nog eens de eerste resultaten, van dertig jaar terug.'

Wanneer ontstaat zelfbeheersing?
Moffitt: 'Als je 2 ŕ 3 jaar bent. Hoeveel zelfbeheersing je hebt, is grotendeels erfelijk bepaald. Bij de kinderen in Dunedin zagen we op hun 3de jaar, bij de eerste test, al flinke verschillen.
    Caspi: 'Het goede nieuws is dat zelfbeheersing groeit met de jaren, het slechte dat de verschillen tussen mensen groot blijven en dat een geringe zelfbeheersing haar weerslag heeft op de volgende generatie. De kinderen met een 'lage zelfcontrole' kregen later vaker ongepland kinderen, vormden vaker een eenoudergezin, hadden vaker een laag inkomen.'

Dat klinkt als een doemscenario. Of valt er nog iets bij te leren?
Moffitt: 'Zelfbeheersing is een soort onderliggende persoonlijke stijl die je erft, maar je kunt bepaalde vaardigheden wel veranderen. Ik raakte geďntrigeerd toen ik merkte dat zelfbeheersing, in alle lagen van de bevolking en dwars door IQ-scores heen, zo bepalend is. Natuurlijk: wie in een hogere sociale klasse wordt geboren, heeft vaker een hoger IQ en meer zelfbeheersing. En toch: als we van de hoogste sociale klasse de kinderen nemen met het hoogste IQ, en daarvan de meisjes, omdat die meer zelfbeheersing hebben dan jongens - dan nog constateren we dat kinderen met meer zelfbeheersing het later beter doen.'

Wat is het beste moment om zelfbeheersing te trainen?
Caspi: 'Kinderen met een lage zelfbeheersing blijken als tiener en jongvolwassene vaker in de fout te gaan. Ze stoppen met school, raken aan de drugs, worden te jong zwanger, belanden in de criminaliteit. Ze nemen de verkeerde beslissingen en dat beďnvloedt hun latere levensgeluk. Door kinderen al op jonge leeftijd meer zelfbeheersing bij te brengen, kan een openstapeling van misstappen mogelijk worden voorkomen.'

Is er een tip voor ouders?
Moffitt: 'Geef je kind al jong zakgeld en bespreek wat er die week voor leuks is waaraan het geld kan worden uitgegeven. Zo help je een kind om te leren plannen.'
    Caspi: 'Ouders zouden ook wat meer structuur moeten bieden, het leven wat moeten vertragen. Er is zoveel keus voor kinderen - de mogelijkheden mogen best wat worden beperkt.'

Gaat ingrijpen niet te ver?
Moffitt: 'Toen een eeuw geleden scholing verplicht werd gesteld, had niemand daar moeite mee. Rijke mensen zagen dat een opleiding ook voor de minder welvarenden goed was. Maar of die steun er ook is voor het beďnvloeden van de zelfbeheersing van de bevolking?
    'Op sommige terreinen dwingen we nu al beheersing af. Wij vinden als samenleving bellen in de auto niet acceptabel, of roken in openbare ruimtes, of motorrijden zonder helm. Daar staan dus sancties op. Maar hoever gaan we daarin? We kunnen luiheid uitbuiten door in de supermarkt fruit naast de kassa te leggen.
    'We kunnen ook zulke stevige maatregelen nemen dat mensen zelfbeheersing nodig hebben om slecht gedrag ten uitvoer te brengen. Bijvoorbeeld sigaretten zo duur maken dat je als puber eerst moet sparen om een pakje te kunnen kopen. Wel moeten we onszelf blijven afvragen wat onze motieven zijn. Er zijn ethische vragen waar we niet omheen kunnen.'

Maakt zelfbeheersing gelukkiger?
Moffitt: 'Meer zelfbeheersing betekent niet dat je later minder kans loopt op een depressie. Maar uit de verhalen die wij in Dunedin horen, wordt ons wel duidelijk dat de mensen met meer zelfbeheersing gelukkiger zijn.

Kun je ook te veel zelfbeheersing hebben?
Caspi: 'Buitenstaanders hebben ons gevraagd naar het doel van ons onderzoek. Wilden we mensen zelfbeheersing blijven aanleren, zodat er uiteindelijk een bevolkingsgroep ontstaat die alles volledig onder controle heeft? Zit er een grens aan zelfbeheersing? Dat is van belang om over na te denken, maar een antwoord heb ik nog niet.
    'In de buitenwereld bestaat het vreemde idee dat mensen met weinig zelfbeheersing creatiever, spontaner en gelukkiger zijn. Maar zelfs de grootste creatieve geesten, zoals Van Gogh en Mozart, dwongen zichzelf om een paar uur per dag te schilderen of te spelen. Ook zij hadden zelfbeheersing nodig, anders waren ze nooit zover gekomen.'


Tussenstuk:
De marshmellow(s): klassiek experiment - met haken en ogen

Het onderzoek van Caspi en Moffitt bevestigt het beeld van de beroemde marshmallow-studie die eind jaren zestig werd uitgevoerd op het kinderdagverblijf van de Amerikaanse Stanford Universiteit. Psycholoog Walter Mischel deed een verbluffend simpel onderzoek onder kleuters. Het is een klassieker in psychologieboeken.
    De kinderen, tussen de 4 en 6 jaar oud, werden in een lege kamer gezet, met een marshmallow. Die mochten ze opeten, maar als het hun lukte een kwartier te wachten, kregen ze er twee. Doel was te achterhalen op welke leeftijd kinderen zichzelf leren beheersen. Van de ruim zeshonderd kinderen besloten de meeste te wachten. Ze hanteerden, tot verbazing van de onderzoekers, tal van tactieken om de verleiding te weerstaan. Ze praatten of zongen tegen zichzelf, gingen op hun handen zitten, speelden spelletjes. Eenderde van de uitstellers wist de beloning in de wacht te slepen. Toen ze 18 waren, keek Mischel hoe het de kinderen was vergaan. Degenen die erin waren geslaagd een kwartier te wachten, waren succesvoller op school en hadden betere sociale vaardigheden.
    Moffitt noemt die snoepjesstudie miraculeus, maar benadrukt dat het principe zeg-nee-dan-krijg-je-er-twee niet dé manier is om bij kinderen zelfbeheersing te meten. In het Nieuw-Zeelandse onderzoek werden de kinderen tussen hun 3de en 11de vijf keer geobserveerd en getest. Hun ouders, en later hun docenten, kregen geregeld vragenlijsten voorgelegd.
    De beperktheid van de marshmallow-test werd vorige maand bevestigd. Toen wetenschappers van de Amerikaanse Rochester-universiteit de studie overdeden, viel het experiment van zijn voetstuk. Of de kleuters lang genoeg konden wachten, bleek afhankelijk van omgevingsfactoren. De kinderen die kort ervoor een paar keer voor de gek waren gehouden ('Als je even wacht, krijg je mooiere stiften') aten het snoepje gemiddeld al na 3 minuten op. Die dachten vermoedelijk: ik heb net voor niks gewacht, het zal nu ook vast niet gebeuren. Kinderen die geen valse beloften hadden gekregen, waren geduldiger. Zij konden gemiddeld 12 minuten wachten. Het gedrag van kinderen, schrijven de onderzoekers in het blad Cognition, wordt dus ook bepaald door rationele beslissingen.


TERRIE MOFFITT, AVSHALOM CASPI
Moffitt (57) en Caspi (52), die op 29 november de Anatomische Les verzorgen, leerden elkaar dertig jaar geleden kennen op een Amerikaans congres. Sindsdien zijn ze een stel en werken ze samen. Beiden zijn hoogleraar aan Duke University en King's College. Ze reizen heen en weer tussen de VS, Groot-Brittannië en Nieuw-Zeeland.


LEZERSAANBIEDING
Op donderdagmiddag 29 november houden Terrie Moffitt en Avshalom Caspi in het Concertgebouw in Amsterdam de 19de Anatomische Les over het belang van zelfbeheersing.

, aangeboden door het Academisch Medisch Centrum (AMC) en de Volkskrant, is een jaarlijkse publiekslezing op het snijvlak van geneeskunde en maatschappij, door een internationaal toonaangevende spreker.

Zolang de voorraad strekt kunnen lezers van de Volkskrant toegangs-bewijzen (ŕ € 5,- ) online bestellen op amc.nl/al-aanmeldingen.

Géén kaartverkoop aan de zaal, ook niet op 29 november. De lezing is in het Engels en begint om 13.45 uur.


Naar Psychologische krachten, vrije wil  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]