De Volkskrant, 18-11-2006, Klaas Hendrikse, predikant in Middelburg en Zierikzee

Atheïsme en geloof bijten elkaar niet

Geloven in God hoeft niet te betekenen: geloven dat God bestaat. Helaas is dat nu juist wel het misverstand dat veel atheïsten parten speelt. Klaas Hendrikse, zelf dominee én atheïst, geeft een nadere uitleg.


De eeuwenlange strijd tussen atheïsme en geloof wordt geleidelijk aan beslist in het voordeel van de atheïsten. Van God blijft steeds minder over, omdat steeds meer van wat vroeger aan God werd toegeschreven, door de wetenschap is achterhaald. Het lijkt een kwestie van tijd of de Big Bang en de evolutietheorie zijn wetenschappelijke waarheden geworden. Intussen, en het boek van Dawkins draagt daaraan bij, worden de laatste twijfels over het bestaan van God opgeruimd. Het einde van God, geloof en kerk is nabij.
    Deze redenering berust op ten minste twee misverstanden.
    Het eerste is dat atheïsten vijanden van het geloof zijn. Ik beschouw ze als bondgenoten in de strijd tegen bijgeloof. Tenminste, als ze zuiver op de korrel zijn. Een zuivere a-theïst, de naam zegt het al, is een niet-theïst of anti-theïst.
    Een theïst is iemand die gelooft in God als een persoon-achtig ‘wezen’ dat over een aantal eigenschappen beschikt, bijvoorbeeld almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid et cetera. In die zin ben ik zelf atheïst: ik geloof niet dat die of enige andere God bestaat. De opvatting dat God een almachtig opperwezen is dat hemel en aarde geschapen heeft, komt nog slechts in behoudende orthodoxe kringen voor. Een moderne gelovige beschouwt dat als een door de christelijke traditie zorgvuldig in dogma’s en belijdenissen verpakt product van vroeg-christelijk bijbels misverstaan dat door de kerk tot aan de Verlichting succesvol en daarna in toenemende mate kansloos is uitgedragen.
    Het tweede misverstand is dat geloven in God hetzelfde zou betekenen als geloven dat God bestaat. Dat God niet bestaat, is wat ik noem een ‘zuiver atheïstisch standpunt met goede bijbelse papieren’. Het is geen belemmering om in God te geloven. Om van harte te kunnen geloven is het maar beter, of zelfs voorwaarde, dat God niet bestaat. Dat is kerkelijk gesproken een minderheidsstandpunt. Het staat ook lijnrecht tegenover wat sommige atheïsten beweren. Herman Philipse bijvoorbeeld zegt dat een gelovige (in religieuze zin) ophoudt ‘gelovige’ te zijn zodra hij de stelling dat God bestaat, niet meer aanvaardt – ook al blijft hij tot een kerkgenootschap behoren (Atheïstisch Manifest, 2004).
    Met alle respect, dat noem ik een vorm van ‘bastaard-atheïsme’, dat ervan uitgaat dat 21ste-eeuwse gelovigen nog in de Middeleeuwen leven. Alsof de theologie al eeuwenlang stilstaat en niet inmiddels zou hebben ontdekt dat er bijbels gesproken amper grond is voor de bewering dat God bestaat.
    Atheïsten nemen het met die zuiverheid sowieso niet zo nauw. Waar zij verondersteld worden niet méér te doen dan het weerspreken van een theïst, beschouwen sommigen zichzelf als originele denkers. Dat gaat alleen op voor degenen die zelfstandig op het idee zijn gekomen te gaan beweren dat iets wat niet bestaat, niet bestaat. Dat is weliswaar origineel, maar het heeft met denken niet zo veel te maken. Anderen gaan zo ver dat zij menen iets te weten over iets wat niet bestaat. Paul Cliteur, auteur van God houdt niet van vrijzinnigheid, kent zelfs de voorkeuren van de niet-bestaande Allerhoogste.
    Zuiver atheïsme, geloof en kerk kunnen heel goed samengaan en veel van elkaar leren.
    Voor de kerk zou het wel eens een zegen kunnen zijn als het wereldvreemde taalgebruik, de liturgie en allerlei andere zogenoemde vanzelfsprekendheden, geconfronteerd worden met nuchter atheïstisch verstand. Wie weet wat dood is, kan niet geloven dat de gestorven Lazarus door Jezus uit de dood is opgewekt en weer gewoon verder ging met leven. De atheïst kan ervan leren dat een mens méér is dan zijn verstand. Als hij beweert dat het onzinnig is om te bidden in de zin van je richten tot een wezen en vragen om een uitzondering op de willekeur, dan heeft hij gelijk.
    Als hij beweert dat bidden niets uithaalt of nergens goed voor is, dan stapt hij over de lijn: daar weet hij niets van. Net zo min als de gelovige overigens. Wie zegt ‘God laat mij niet alleen’, spreekt geen rationele afweging uit, maar verwoordt een ervaring. Die ervaring is een bron van kennis die veel meer bevat dan er verstandelijk over te zeggen valt. En bovendien: hoe vaak doen we iets, niet omdat het zo verstandig is, maar zo leuk of zo lekker. Er blijft dus lekker een irrationeel stuk waar de atheïst met zijn ratio niet komen kan.
    Als beide partijen achter de lijn blijven, kunnen ze samen een mooie toekomst tegemoet gaan.
    Dawkins schrijft: Als dit boek teweegbrengt wat ik hoop, dan zullen gelovige lezers die het openen atheïsten zijn als ze het weer neerleggen. Ik help het hem hopen.


De Volkskrant
, 05-11-2007, door Peter de Waard

Dominee zonder God

Klaas Hendrikse gelooft niet in het bestaan van God. Daarover verschijnt deze week zijn ‘manifest van een atheïstische dominee’. Dat staat zijn werk als predikant niet in de weg. ‘Het is alleen maar leuker geworden.’


Tussentitel: ‘Er zit geen mysterie achter ons bestaan. Ons bestaan op zichzelf is een mysterie.’

‘Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. Genade zij u van onze Heer Jezus Christus.’
    Zo zou Klaas Hendrikse (60) als dominee elke zondag de dienst eigenlijk moeten aanvangen. Maar hij begint zijn diensten in de Koorkerk in Middelburg met een verhaaltje van Toon Tellegen. ‘Stel: je bent nog nooit in een kerk geweest. Wat moet je dan van het daar gebezigde taalgebruik vinden? Dat is toch achterlijk? De hele traditionele liturgie komt op een buitenstaander over als een poppenkast’, oordeelt hij.
    Hendrikse noemt zich een atheïstische dominee. Het lijkt zoiets als een vegetarische slager. Hij gelooft niet dat God bestaat. Wat in de kerk God genoemd wordt, heeft wat hem betreft betere heidense dan bijbelse papieren. ‘Kijk maar in de oudste bijbelboeken: God bestaat niet, God is geen schepper, dood is dood. Alle hiernamaals- en scheppingsvoorstellingen zijn van later’, zegt hij stellig.
    Donderdag komt het boek uit dat hij erover schreef, Geloven in een God die niet bestaat. Daarin verklaart hij dit ‘nieuwe geloof in God’. Met de opvatting dat God niet zonder mensen kan, in plaats van dat mensen een schepping van God zijn, hoopt hij een nieuw debat te entameren. Want daarover kent hij geen twijfel. Hendrikse is zelfs geen agnost (iemand die niet weet of God wel of niet bestaat) of een ‘ietsist’ (iemand die vermoedt dat er tenminste nog iets van een hogere macht moet zijn). Nee, hij is honderd procent atheïst.
    Het is een bizarre levensopvatting voor iemand die elke zondag predikt vanaf de kansel van de Protestantse Kerk in Nederland. Maar Hendrikses diensten onderscheiden zich ook van die van andere voorgangers. Bij hem worden geen psalmen gezongen en geen geloofsbelijdenissen gelezen. Er wordt een zoektocht gehouden naar de zin van het leven. God wordt niet geprezen, maar er worden vragen gesteld aan de hand van thema’s als ‘spreken’, ‘verlangen’ en ‘vertrouwen’. Geen voorgekookte taal, maar zoeken naar woorden van vandaag.
    De Bijbel is voor Hendrikse eigenlijk niet meer dan een verzameling mythologische verhalen. ‘Veel bijbelverhalen zijn terug te voeren op de Griekse en Egyptische mythologie. Daarin had je ook maagdelijke geboorten en goden die water in wijn veranderden’, zegt hij. ‘Dat maakt de bijbel in letterlijke zin niet geloofwaardiger, maar voor mij juist spannender.’
    Hendrikse is eerder tussen dan mét de Bijbel opgegroeid. Hij is geboren in de Nederlandse bible belt, de Albasserwaard – een streng christelijke gemeenschap waar zijn vader dierenarts was. ‘Thuis werd aan geloof niet gedaan. Mijn vader was eigenlijk al atheïst. Maar ik was mij er zeer van bewust dat het er bij vriendjes heel anders aan toe ging dan bij ons thuis. Ik vroeg mij steeds af: waarom doen die andere mensen net alsof er wel een god bestaat?’
    Hendrikse kreeg een tik van het christendom mee. Nadat hij de hbs in Gorinchem had doorlopen, ging hij studeren op Nijenrode. ‘In de vakanties bezorgde ik de rekeningen van mijn vader.’ De jonge Hendrikse raakte daarbij gefascineerd door het leven van de veelal zeer gelovige boeren en boerinnen in de polder. ‘De mannen scharrelden meestal rond de boerderij, de vrouwen waren thuis en beheerden de portemonnee. Ik zag hoe ze leefden in omstandigheden die we nu benedenmodaal noemen; hoe ze omgingen met het leven dat voor hen ‘beschikt’ was. Maar ik voelde ook iets van huiver.’ Het bleef zijn verdere leven beïnvloeden.
    Hendrikse ging in 1972 werken voor de Amerikaanse kopieermultinational Xerox. Hij reisde elke dag van Gorinchem naar Amsterdam. ‘Het was een opwindende baan met veel buitenlandse reizen. Ik was medewerker op de marketingafdeling en hield mij bezig met nieuwe computertechnieken.’ In 1973 trouwde hij met Dea Spierings, directiesecretaresse bij Mercedes-Benz. ‘We waren allebei jong en veelbelovend. Maar op de een of andere manier dacht ik steeds terug aan die boeren in de Albasserwaard en vroeg mijzelf af: is dit nu de zin van het leven?’ Zijn vrouw koesterde dezelfde gedachte.
    In 1975 besloten ze allebei theologie te gaan studeren. Na een vooropleiding Grieks en Latijn in Leiden schreven ze zich in aan de zaterdagopleiding van de theologische faculteit in Utrecht. ‘Ik vond de studie buitengewoon boeiend, maar ik werd er niet gelovig van. Ik probeerde het wel uit, en ging uit nieuwsgierigheid ook wel af en toe naar de kerk. Maar ik kwam steeds meer tot de conclusie dat het idee van het bestaan van een god eigenlijk niet klopt.’
    Maar dat was niet iets waardoor hij zich van de religie afkeerde. Hendrikse werd erdoor gefascineerd. Het geloof confronteerde hem met nieuwe vragen – wat God dan wel betekent, en waarom door andere mensen wel in God wordt geloofd. Met zijn carrière verliep het intussen voorspoedig. In 1980 bracht Xerox ook printers op de markt. ‘Ik was een van de weinigen met voldoende computerkennis en werd projectleider. Ik heb er geweldig van genoten, maar met één been stond ik al buiten.’
    Levensvragen hielden hem steeds meer bezig. Hij wilde maatschappelijk iets nuttigers gaan doen, bijvoorbeeld een functie in de zachte sector. ‘Voor dominee achtte ik mezelf niet zo geschikt, en anderen waren dat met me eens.’ En, voegt hij er grijnzend aan toe, ‘sommigen vinden nog steeds dat ik er beter niet aan had kunnen beginnen’.
    In 1983 zien zijn vrouw en hij in de krant een wervingsadvertentie staan voor twee predikanten in Zeeland: in Middelburg en in Zierikzee. ‘Het waren vrijzinnige gemeenten. Ik wist niets van Zeeland noch iets van het domineeschap. Maar ik was er toen al wel van overtuigd dat God niet hoeft te bestaan om in hem te geloven. Maar zou ik dat ook hardop in een kerk kunnen zeggen? De kennismakingsgesprekken waren zeer bemoedigend en een paar maanden later vertrokken we, met onze twee kinderen, naar Zeeland. Het was een heel grote stap.’
    Ze vroegen zich af of ze het aankonden. ‘Ik zou Zierikzee doen, Dea Middelburg. De eerste dienst waarin ik moest voorgaan, duurde een kwartier te kort. Ik wist eigenlijk niet wat ik precies moest doen.’ Hendrikse gebruikte de kaders van de liturgie, maar voerde ze uit in sterk gestripte vorm.
    Zijn vrouw was diplomatiek en tactisch met het verhullen van haar geloofstwijfels, terwijl Hendrikse tijdens de dienst nog wel eens de knuppel in het hoenderhok wilde gooien. Hij wilde wel het Onze Vader bidden, maar bekende openlijk dat hij niet in een gebed een God kon aanspreken waar hij zelf niet in geloofde.
    Het echtpaar scheidde. Zijn ex-vrouw ging verder als ziekenhuispredikant; Hendrikse zou de gemeenten van Middelburg en Zierikzee allebei gaan doen. Nu zit hij er al 23 jaar. ‘Het is in die jaren alleen maar boeiender en leuker geworden. Er werd weleens gehikt, maar ik heb in mijn gemeenten alle ruimte gekregen me te ontwikkelen tot een atheïstische dominee. Er zijn mensen afgehaakt. Maar er zijn ook nieuwe mensen bij gekomen die het in hun eigen kerk niet konden vinden.’
    Zij krijgen de levensvragen voorgeschoteld die Hendrikse zichzelf nog steeds stelt – maar ze krijgen niet de ‘levensantwoorden’. Die zijn er volgens Hendrikse ook niet. ‘Er zit geen mysterie achter ons bestaan. Maar ons bestaan zelf is een mysterie. Waar komen we vandaan en waarom zijn we er eigenlijk? Hoe ga je om met teleurstellingen, liefde, dood, anderen? En wat heeft God daarmee te maken?’
    Hendrikse heeft als dominee vaak aan het sterfbed van een van de leden van zijn gemeente gezeten. ‘Je beseft juist dan dat er geen antwoorden zijn. Zo voelen de stervenden dat ook zelf. En veel dominees weten het ook. Een op de zes voorgangers in Nederland zegt aan het bestaan van God te twijfelen. Ze zullen me het niet meteen nazeggen, maar feitelijk zijn ze al atheïst.’
    Hendrikse is er steeds meer van overtuigd geraakt dat God niet bestaat. ‘Het niet-bestaan van God is voor mij geen beletsel, maar een voorwaarde om in God te geloven. Ik ben een gelovige atheïst. God is voor mij niet een wezen, maar een woord voor wat er tussen mensen kan gebeuren. Iemand zegt bijvoorbeeld tegen je: ‘Ik laat jou niet vallen’, en maakt die woorden waar. Noem dat maar gerust God.’
    Daarom ook koestert hij plannen met zijn deze week verschijnende boek, Geloven in een God die niet bestaat; Manifest van een atheïstische dominee. Hij gelooft dat zijn opvatting een van de manieren is om godsdienst te laten herleven, en de kerk ‘een doorstart te laten maken’.


Tussenstukken:
‘Schadelijk voor de kerkén voor de kerkgangers’

‘De theologische positie van dominee Hendrikse kan ik niet anders dan schokkend noemen’, reageert zijn collega J. de Heer van de Gereformeerde Gemeente in Middelburg. ‘De kern van de boodschap van een predikant staat in de Bijbel. Die kern is de oproep: laat u met God verzoenen. Het is me daarom een raadsel hoe iemand dominee kan zijn en tegelijkertijd atheïst. Het is naar mijn overtuiging ook schadelijk voor de kerk én voor de kerkgangers. Ik zie de zoektocht van Hendrikse als een doodlopende weg. En dat terwijl de Bijbel juist de weg naar het eeuwige leven wijst door het geloof in de Here Jezus Christus, de zoon van God.’
    Niet alle Middelburgse predikanten zijn zo geschokt over de opvattingen van hun atheïstische collega als De Heer. Stefan Francke, sinds twee jaar dominee van de Hofpleinkerk, zegt zich wel in de vragen van Hendrikse te herkennen. ‘Het is niet zozeer de inhoud van de boodschap die schokkend is, als wel de scherpe wijze waarop hij het zegt.’ Het traditionele godsbeeld staat ook ter discussie in de midden-orthodoxe kringen waartoe Francke zich rekent. ‘Maar onze wegen gaan uiteen waar Hendrikse afstand neemt van de persoonlijke God.’
    Dominee Jan Nauta van de Morgensterkerk staat net als Francke wat aan de linkerkant van de protestantse kerk. ‘De term ‘atheïstische dominee’ is voor mij niettemin een contradictio in terminis. Wat Hendrikse voor de rest zegt, is een beetje in de vrijzinnige traditie. Sommige theologen beweerden dat al honderd jaar geleden.’


CV

1947 geboren in Groot-Ammers
1961 1966 hbs, Gorinchem
1968 1970 Nijenrode
1971 1972 Michigan State University
1972 1983 werkzaam bij kopieermachinefabrikant Xerox
1977 1983 studie theologie, Utrecht
1983 nu predikant in Middelburg
 

IRP:   In een recent interview bij Pauw & Witteman zei Hendrikse het ongeveer als volgt: "Ons gebruik, als mensen, van de term "bestaan" is dusdanig beperkt dat god daar zeker niet onder valt." en "Dood hoort bij het ons bekende "leven" en definieert het einde van dat leven. Dus is er geen leven na de dood in de door ons gebruikte zin van het woord "leven"."


Terug naar Religie en ratio , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]