Religie en het nut van de godheid

Er zijn aspecten aan de religie-met-een-godheid die voor velen kennelijk moeilijk te missen is, zie onderstaande:
 

De Volkskrant, 17-02-2006 door Herman Franke

Het god-vormige gat in het hoofd van ongelovigen

Van God ben je zomaar niet af en dus ook niet van christenen en moslims die voor God willen sterven en slachten. Ik ben rooms-katholiek opgevoed, maar toen ik geslachtsrijp werd, wierp ik kerk en geloof radicaal van me af. Of daar een oorzakelijk verband tussen bestaat, weet ik niet, maar ik weet wel dat God niet met de eerste de beste zaadlozing uit mijn hoofd verdween. De gedachte dat er altijd iets op me let dat me ook nog eens feilloos doorheeft, heb ik zelfs nooit helemaal los kunnen laten, ook al vind ik het grote onzin. Ik geloof niet in God, maar een kruisbeeld zal ik niet aan stukken slaan.
    Er is in mijn bewustzijn een gat achtergebleven dat de vorm van God heeft. Dat is mooi gezegd. Ik had het graag zelf verzonnen, maar God weet dat dit niet het geval is. Hij weet ook wie het wel verzonnen heeft, maar God laat zich niet bevragen, dus ik heb het zelf moeten uitgoogelen. Er zijn nu vast lezers die al aan Frans Kellendonk hebben gedacht. In 1980 schreef hij als ongelovige 'een leemte' te hebben ontdekt in het hart van de schepping, 'waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen'. Die uitspraak is zo vaak geciteerd, dat zij hem bijna evenveel bekendheid heeft gebracht als zijn roman Mystiek lichaam.
    Niets staat voor eeuwig vast. In De geschiedenis van het denken van André Klukhuhn kwam ik lang voor de cartoonkwestie een passage tegen die me aan het auteursrecht van Kellendonk deed twijfelen. Klukhuhn wijst op het witte gat in het midden van een beroemde litho van de graficus M.C. Escher (De prentententoonstelling). Hij vindt dat dit gat lijkt 'op wat Jean-Paul Sartre bedoelde met het god-vormige gat in het menselijk bewustzijn op de plaats die God altijd had bezet'. Kende Kellendonk zijn Sartre?
    Gods wegen zijn duister. Klukhuhn haalde zijn Sartre-citaat uit De geschiedenis van God van Karen Armstrong. Zij beschrijft daarin de opluchting bij mensen die zich bevrijd hebben van een wraakzuchtige, met hel en verdoemenis dreigende godheid. Maar zij wijst ook op het 'intense gevoel van verlatenheid' waarmee die opluchting vaak gepaard gaat. Het 'god-vormige gat' blijft schrijnen als een open wond. Armstrong noemt Sartre als bron, maar de Franse geleerde Blaise Pascal (1623-1662) zag het gat al eeuwen eerder. In zijn beroemde Gedachten (Pensées, 148) schrijft Pascal dat de mens zonder geloof een oneindige leegte ervaart die alleen God kan vullen, ook al probeert hij dat vergeefs zelf te doen 'met alles wat hem omringt'. Later is die 'leegte' van Pascal 'een god-vormig gat' genoemd, waarschijnlijk als eerste door Sartre. Wie denkt dat het anders zit, mag het zeggen.
    Ik was eruit, maar toen las ik de recensie van Salman Rushdies Shalimar de clown in NRC Handelsblad. Daarin haalt Toef Jaeger uit het essay 'Is er dan niets meer heilig' van Rushdie de uitspraak aan dat de roman 'de kunstvorm is die de god-vormige gaten in ons bestaan waarschijnlijk het best kan vullen'. Vol verwachting las ik dat essay, maar Rushdie verwijst weer naar het essay 'Wat is een auteur?' van Michel Foucault. Daarin beweert deze Franse filosoof dat je om een godsdienst of een kunstvorm te begrijpen naar hun ontstaansmomenten moet kijken. Foucault schrijft geen proza waarvan de helderheid je pijn doet aan de ogen. Na lezing van zijn essay vermoed ik dat hij vindt dat in de loop van de geschiedenis niet alleen God is doodgegaan door toedoen van Nietzsche, maar dat in het discours ook 'de schrijver' is gestorven, dit alles merkwaardigerwijs zonder bloedverlies. Hierdoor zijn de god-vormige gaten ontstaan die Rushdie met romans wil vullen.
    Juist toen ik dit allemaal had uitgezocht, wijdde Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad (9 januari) haar column aan de Ballade van de gasfitter van Gerrit Achterberg. In het negende sonnet van deze cyclus zoekt de fitter in een flatgebouw naar een gat in de leiding. Dan volgt deze prachtige strofe: 'Hier zit geen gas. God is het gat en stort/ zijn diepten op mij uit om te beleven/ aan een verwaten fitter hoe verheven/ hijzelf bij iedere etage wordt.'
    Achterberg publiceerde dit gedicht in 1953. Ik denk niet dat hij Sartre of Pascal had gelezen. Bovendien is God hier zélf het gat dat volgens de geleerden juist door zijn verdwijnen is ontstaan. Maar toch. Hebben we nu te maken met een archetypisch beeld of met een cirkelgang van verwijzingen die langs Pascal, Sartre, Foucault, Achterberg, Armstrong, Kellendonk en Rushdie voert, tot in de eeuwen der eeuwen?
    Ik denk intussen dat die cartoons het god-vormige gat in de vrije meningsuiting vulden. De fundamentalistische moslims en Wilders c.s. sprongen vervolgens in het gat van de politieke propaganda.


IRP:   De aspecten die het verdwijnen van de godheid uit de geest zichtbaar maken zijn tweeledig, met als eerst de oneindigheid van het bestaan. Daarmee kan men van alles doen, maar het heeft er wetenschappelijk gezien alle schijn van dat dit de werkelijkheid is, met een heelal waarvan zowel omvang als inhoud niet in mensentermen is uit te drukken. De behoefte om dat in te perken lijkt enigszins op de behoefte van het bestaan in de baarmoeder: een veilige omhulling waarin men zich niet druk hoeft te maken hoe het buiten staat.

Het tweede aspect aan het goddelijke gat is dat van de toezichthouder, de ultieme autoriteit, de god de vader. De oorzaak daarvan is redelijk bekend, zeker aan die mensen ( en dat zijn er nogal wat) die in hun kindertijd achter de waarheid over sinterklaas kwamen, en vervolgens de rechte denklijn doortrokken naar god. Die rechte denklijn is namelijk dat voor een kind zowel god als sinterklaas dezelfde status van onkenbare oppermacht bezitten. En deze lijn kan ook nog verder doorgetrokken worden (met dank aan Ronald Plasterk) naar de reëel bestaande vorm van de oppermacht: de vader. In die zin is het bestaan van een god, en het gat dat hij achterlaat, net als de angst voor het oneindige, een terugverlangen naar de zekerheden van de jeugd. Ergens begrijpelijk, maar vanuit maatstaven van beschaving behoorlijk kinderlijk. Maar zoals wel meer gesteld hier: het idee dat de huidige mensheid in een stadium van gevorderde beschaving verkeert, is hovaardij van het zuiverste water.


Terug naar Religie, nut , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site
home .

 

[an error occurred while processing this directive]