Leids universiteitsblad Mare, 01-1-2009, door Franca Treur 10 dec.2009

Tijdens haar studie Nederlands verloor schrijfster Franca Treur haar geloof

Hoe God verdween in Leiden

Franca Treur schreef een boek over een meisje dat opgroeit in een orthodox-gereformeerde gezin op het Zeeuwse platteland. Tijdens haar studie in Leiden viel ze zelf van haar geloof. ‘God ziet en weet alles.’

‘Kind, waar begin je aan? Psychologie studeren nogal liefst. Ik snap niet dat je vader en moeder je laten gaan. Wat moet je dan met je psychologie?’
    ‘Mensen helpen, oma. Als ze in de problemen zitten.’
    ‘Ach, denk toch niet dat je ook maar iets kan klaarmaken. “Een verslagen geest, wie zal dien opheffen?” staat er in de Bijbel. Psychische mensen zijn niet te helpen. Alleen als ze hulp van Boven krijgen, en daar hoef je glad niet voor te studeren, m’n kind. Ik heb je niet over voor de wereld, weet je dat?’

De volgende dag vertrok ik, net 18 jaar oud, per trein naar Leiden. Mijn studententijd was begonnen.

Ik was voorbereid. In Leiden zou ik geconfronteerd worden met onchristelijke medestudenten. Tot die tijd had ik op reformatorische scholen gezeten en was ik alleen met mensen van de kerk omgegaan. Maar in de lange vakantie had ik in een Italiaans restaurant gewerkt om alvast te weten hoe het was om ‘voor mijn geloof uit te moeten komen’.

De eerste dagen was ik ’s avonds huilend terug naar huis gefietst. Mijn collega’s waren nogal pissed omdat ik als enige elke zondag vrij kreeg van de baas. Zij wilden ook wel standaard een vrije dag in het weekend. Ze vroegen of ik al eens seks had gehad en of ik aan de pil was. Of ze me daar achter die kratten niet eens ‘het een en ander’ moesten leren, en of ik dan helemaal nooit een broek aan mocht. Een jongen uit de keuken had zich ten doel gesteld om mij ‘van mijn geloof te trekken’. Het was hem na drie maanden nog steeds niet gelukt. Daar was ik trots op. Ik vertelde het tegen mijn oma, die het vreselijk vond dat ik in zo’n plaats van zonde had gewerkt. Ze keek me treurig aan. ‘Wie meent te staan,’ zei ze, ‘ziet toe dat hij niet valle.’

Ze zou gelijk krijgen.

Ik had een kamer via via in een reformatorisch studentenhuis. Mijn medestudenten namen me in de eerste week al ’s avonds mee naar een lezing van een reformatorische studentenvereniging: Panoplia. Panoplia betekent in het Grieks ‘volledige wapenrusting’. Ik word nergens lid van, had ik me voorgenomen. Dat kon ik er niet naast hebben, meende ik. Maar van mijn huisgenoten moest ik toch mee om te weten ‘waar ik nee tegen zei’.

De lezing was in een collegezaal in de rechtenfaculteit aan de Hugo de Grootstraat. De praeses sloeg met een houten hamer op tafel en ging voor in gebed. Na het amen ging iedereen staan en er werd een lied ingezet. ‘Doet aan Gods wapenrusting, weerstaat des bozen macht,’ was een van de regels. Het ging over ‘het schild van het geloof’ en over Gods Woord dat scherper was dan een zwaard. Ze zongen het vierstemmig. Prachtig. Even moest ik aan mijn oma denken. Ik zou me wapenen tegen de verlokkingen van de wereld.

De praeses ‘gaf het woord aan meneer de lector’ die sprak over een theologische kwestie die mij volledig boven mijn pet ging. In de pauze werd ik voorgesteld aan iemand van het bestuur en ik kreeg een papiertje waarop het adres genoteerd stond van een studentenhuis. Daar werd ik volgende week verwacht op mijn eerste Bijbelkring. Ik was aspirant-lid van Panoplia.

Bijbelkringen, studiekringen, verenigingsweekenden, er werd wat afgediscussieerd, gezongen, gebrald en geborreld. Toen ik later niet meer elk weekend naar mijn ouders ging, kerkte ik ook in Leiden. Na elke dienst werd er gezamenlijk koffie gedronken op de kamer van een verenigingslid. Ik had een tweede thuis gevonden.

Een zondagavond. We zaten met een student of vier te risken. Thuis mochten we nooit spelletjes doen op zondag. Daarover kon je van mening verschillen. Net als over de broek voor een meisje en wel of geen hoedje in de kerk. Over de wezenlijke dingen waren we het wel met elkaar eens. Dat dacht ik tenminste.

‘Zou God nu weten wie van ons gaat winnen?’ vroeg een ouderejaars die ’s zondags weleens een dienst durfde over te slaan. ‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘God ziet en weet alles. Hij weet dat al van eeuwigheid.’ Ik wist het zeker. Zo was ik dat thuis geleerd en op school en op de catechisatie: Zonder Zijn wil zou er geen haar van mijn hoofd vallen. Hem ontging niets en Hij zag geen enkele zonde door de vingers. Ik kreeg het even warm van het idee dat Hij er misschien toch niet zo voor was, voor dat Risken. De jongen keek mij aan. ‘Hij heeft toch wel iets anders aan Zijn hoofd, zou je denken. Honger in Afrika, allerlei politieke beslissingen die genomen moeten worden. Denk je echt dat Hij zich met zoiets futiels als ons potje Risken bezighoudt?’ ‘Ja,’ antwoordde ik stellig. Maar ’s avonds in bed dacht ik er nog lang over na.

Intussen was ik van studie gewisseld. Ik studeerde Nederlands en volgde vakken bij literatuurwetenschap. Mijn eerste tentamen bestond uit algemene kennis van de Griekse en Romeinse mythologie en van de Bijbelse en de vaderlandse geschiedenis. De mythen, ze waren nieuw voor me, werden net als de Bijbel behandeld als verhalen van mensen die de wereld om zich heen hadden geprobeerd te duiden. Voor alles waar ze geen fysische verklaring voor wisten, hadden ze goden verzonnen. Dat was natuurlijk je reinste onzin. Wat in de Bijbel staat klopte; die mythen, dat waren gewoon verhaaltjes.

‘Iets bovennatuurlijk had ik zelf nooit meegemaakt’

Zeker, de Bijbel bevatte ook dingen die moeilijk echt gebeurd konden zijn, zoals de passage in het Bijbelboek Jozua, waarin de zon een dag lang stilstond. Het antwoord daarop is dat God almachtig is, machtig genoeg dus om de zonsondergang uit te stellen. Waarom lazen we dan niet dat de aarde een dag stilstond? De aarde draaide immers om de zon en niet andersom? Op de middelbare school was ik getraind om dit soort vragen te pareren. Dat was omdat God in Zijn openbaring rekening hield met het beperkte bevattingsvermogen van de mens.

Die mythen, dat waren trouwens wel interessante verhaaltjes. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Ik begon er ook andere boeken over te lezen. In musea herkende ik op schildersdoeken nu ook de taferelen uit de klassieke oudheid. Toen las ik over de Enuma Elish, de Babylonische mythe waarin onder meer stond hoe de aarde geschapen is. Ik zag de grote overeenkomsten met het scheppingsverhaal uit Genesis. Het verhaal over de God Marduk bleek veel ouder dan zijn Bijbelse tegenhanger. Ik schrok want dat kon maar één ding betekenen: de Bijbel is beďnvloed door mythologische teksten die destijds circuleerden. Ook het verhaal van de zondvloed was zo’n verhaal dat ook in andere culturen bestond. In het veel oudere Gilgamesj-epos komt zelfs de eropuit gestuurde vogel voor.

Bij literatuurwetenschap hadden we het op een gegeven moment over hoe Bijbelse verhalen in de geschiedenis politiek zijn ingezet om vrouwen achter te stellen. Adam was eerst geschapen, daarna Eva pas. Hij was het hoofd van de vrouw. Zo’n verhaal kwam mannen goed uit. Daarmee konden ze hun controlezucht legitimeren. Door controle waren ze ervan verzekerd dat de kinderen die hun vrouwen baarden daadwerkelijk de hunne waren.

De Bijbelse woorden zijn Gods woorden. De heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Geloofde ik dat nog?

Ik nam kennis van de Schriftkritiek, waarin getwijfeld werd aan de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. Met het geloof in de Bijbel als het ware Woord van God stond of viel alles. Er was Zijn Woord en er waren individuele openbaringen. Veel mensen die ik kende uit de kerk of via Panoplia hadden een bijzondere ervaring met God gehad. Meestal ging het om iets dat moeilijk met woorden te beschrijven was. Iets bovennatuurlijks waar ze dikwijls met veel terughoudendheid over spraken. Iets dergelijks had ik tot mijn grote spijt zelf nooit meegemaakt.

De scepsis tegenover het gezag van de Heilige Schrift deed me ook twijfelen aan het bestaan van God. Was hij niet een product van mensen? Hadden mensen hem niet geschapen omdat zij een verklaring nodig hadden voor fenomenen die ze anders niet verklaren konden? Als dat zo was, kon ik bidden tot ik een ons woog, maar een bovennatuurlijke ervaring zou uitblijven.

De periode van hevige twijfel duurde zo’n anderhalf jaar. Anderhalf jaar waarin ik wel gewoon meezong en –bad bij groepsactiviteiten van de studentenvereniging. Dat voelde als huichelen. Toen hakte ik de knoop door. Ik belde een bestuurslid van Panoplia. Toen hij langskwam, vertelde ik dat ik geen christen meer kon zijn. Hoe jammer ik het ook vond, ik zou de vereniging verlaten.

Na ons gesprek riep mijn hospita me naar beneden. ‘Moet je toch eens kijken,’ zei ze, naar haar tv wijzend. Op het scherm zag ik een vliegtuig die zich in een toren boorde. ‘Nu staat de wereld op zijn kop,’ zei ze.


Tussenstuk:
‘Daar komen nog eens ongelukken van’

De roman Dorsvloer vol confetti vertelt het leven van Katelijne, een jong meisje die opgroeit in orthodox-gereformeerd milieu op het Zeeuwse platteland. Zo begint het boek:

‘’s Winters zijn de zondagen het snelst voorbij. Als de dominee om vier uur de middagdienst afsluit met de zegen voor weer een hele week, vliegen ze alle zeven naar het fietsenhok. ‘Om de poten te breken,’ zegt de vader. ‘Daar komen nog eens ongelukken van.’ Dat zegt hij altijd: ‘Daar komen nog eens ongelukken van.’ Net als:

‘Als je brokken maakt, ik betaal niks hoor.’

Het gaat erom wie het eerst thuis het klinkerpad op rijdt. De eerste noot van het uitleidend orgelspel geldt als startschot. Omwille van het fatsoen wordt de etappe van de kerkbank naar het fietsenhok nog snelwandelend genomen, maar eenmaal op de fiets zijn er geen beperkingen meer. Dan gaat het slalommend door het uitwaaierende kerkvolk, langs mannen in pak en vrouwen met vrome gedachtes, langs kleine meisjes die bang voor hun wielen opzij springen, langs opgeschoten jongens die niet te beroerd zijn om hen uit evenwicht te brengen.

Voorbij de bocht kunnen ze dan eindelijk in de hoogste versnelling langs de vliedberg en recht op de blonde duinkammen af. Wanneer ze door de eerste gemotoriseerde kerkganger worden ingehaald, moeten ze minstens voorbij het pestbosje zijn. Een groepje bomen waar ze nooit mogen spelen, omdat er oude koeien onder begraven liggen die aan iets besmettelijks zijn gestorven.

Op het wegje waar ze aan wonen waait het altijd. Een zoute zeewind die tegen hun voorhoofden beukt en die van hun haren vettige strengetjes maakt. Vlak bij het hofhek van hun boerderij gaat degene aan kop, die niet meer kan worden ingehaald, achteloos rechtop zitten, een hand losjes in de jaszak. La-la-la.

Katelijne klaagt dat ze nooit kan winnen omdat zij meer wind vangt dan de jongens door de plastic zak met haar hoedje aan het stuur, die soms als een razende tekeergaat. En door haar wapperende rok, die dan zo bol staat als landbouwplastic dat over kuilgras wordt gespannen. ‘Dan kun je er ook voordeel van hebben,’ zeggen de broers, maar als de wind haar in de rug duwt en onder haar door komt, heeft ze twee handen nodig om te zorgen dat niemand haar witte onderbroek ziet.’


Naar Religie en psyche , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]