De Volkskrant, 13-12-2008, door Peter Giesen

Criminaliteit | Onderzoeker: een buurt heeft minder invloed op jongeren dan een stad en een school

Het kwaad zit thuis en bij vrienden

Bij de bestrijding van jeugdcriminaliteit is er doorgaans meer aandacht voor de buurt dan voor de school. Andersom is beter, blijkt uit nieuw onderzoek.

Tussentitel: ‘Dat de buurt criminaliteit in de hand zou werken, lijkt logisch, maar daaris geen bewijs voor’

Wie opgroeit in een buurt als de Haagse Schilderswijk of het Utrechtse Kanaleneiland, loopt een grotere kans om in de criminaliteit te belanden.
    Zulke buurten geven een boodschap af: het is vrij normaal om een pakje drugs te bezorgen of iemand te beroven. Zo verloopt de inwijding in een criminele levensstijl er gemakkelijker dan in betere buurten, concludeerden onderzoekers van het Verwey-Jonker Instituut deze zomer.
    Het lijkt een logische conclusie, maar ze is toch onjuist, zegt socioloog Gijs Weijters, die vorige week in Nijmegen promoveerde op het proefschrift Youth delinquency in Dutch cities and schools: a multilevel approach. Volgens de statistische analyses van Weijters heeft de buurt slechts een marginale invloed, minder dan de stad waar jongeren wonen en de school die zij bezoeken. De belangrijkste verklarende factoren voor jeugddelinquentie liggen op individueel niveau, aldus Weijters: de situatie thuis en de vriendengroep.

‘In sommige buurten komt veel meer criminaliteit voor dan in andere. Daarom zijn mensen geneigd te denken: de criminaliteit zal wel door de buurt in de hand gewerkt worden. Maar daar is geen bewijs voor’, zegt Weijters, verbonden aan het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum van het ministerie van Justitie. Ook in andere Europese landen is volgens hem geen verband tussen buurt en delinquentie gevonden. In de Verenigde Staten wel. ‘Maar in Amerika heb je veel meer gesloten buurten. In Nederland gaan jongeren vaak in een andere buurt naar school of naar een sportvereniging’, zegt hij.

Door een statistische analyse probeert Weijters te ontrafelen welke factoren tot criminaliteit leiden. Dat is niet eenvoudig. Wat is precies de rol van etnische herkomst, een laag inkomen, het opgroeien in een eenoudergezin, de buurt, de stad en de school? In een multilevel-analyse wordt geprobeerd deze factoren van elkaar te scheiden. De invloed van de buurt wordt bijvoorbeeld onderzocht door te kijken naar jongeren met dezelfde achtergrondkenmerken die in een andere buurt wonen. Volgens Weijters blijkt de invloed van een buurt dan marginaal. Anders gezegd: als een jongere uit een chique buurt verkeerde vrienden heeft en een slechte relatie met zijn ouders, loopt hij evenveel kans om te ontsporen als een jongen uit een Vogelaarwijk. En omgekeerd: een jongen uit een prachtwijk heeft evenveel kans om op het rechte pad te blijven, als hij goede ouders en vrienden heeft. Wél significant is het aantal eenoudergezinnen in een buurt, zegt Weijters. Hoe meer eenoudergezinnen, hoe minder toezicht en hoe meer gelegenheid om delicten te plegen.

Postcode ‘Wij hebben ook zulke statistische analyses toegepast, en we komen tot andere bevindingen’, zegt criminologe dr. Josine Junger-Tas, die aan het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut meewerkte. ‘Weijters kijkt op een andere manier naar de buurt dan wij. Hij bepaalt de status van een buurt op basis van de postcode. Wij hebben jongeren zelf gevraagd hun buurt te beschrijven, bijvoorbeeld door te vragen of er dichtgespijkerde huizen in hun straat zijn. Die methode is fijnmaziger. Binnen een gebied met dezelfde postcode kun je heel verschillende straten hebben.’

Maar los van zulke methodologische verschillen: het wil er bij Junger-Tas simpelweg niet in dat de buurt geen invloed heeft. ‘Kijk naar een buurt als de Schilderswijk. Daar zie je een cumulatie van problemen, van armoede, schulden, psychiatrische problemen. Voor kinderen is er heel weinig te doen. Daarnaast is er gelegenheid te over om in de criminaliteit te belanden, bijvoorbeeld door drugs te runnen. Die samenballing van problemen kun je niet vergelijken met de situatie in een betere buurt, waar de mensen veel mondiger zijn en in actie komen als er iets mis dreigt te gaan’, zegt zij.

Ook het Verwey-Jonker Instituut wijst op het belang van individuele factoren als de relatie met ouders en vrienden. Een gebrek aan ouderlijke controle is een goede voorspeller van delinquent gedrag, gevolgd door mislukking op school. Jongeren die slecht functioneren, zoeken aansluiting bij andere gemarginaliseerde jongeren, aldus de onderzoekers. Het gebruik van alcohol en drugs wordt aangemoedigd, delinquent gedrag normaal gevonden. Maar in een slechte buurt gebeurt dat veel sneller dan in een betere buurt. De mogelijkheden om een delict te plegen zijn groter, en een jongere zal eerder worden opgenomen in de criminele netwerken in zijn directe leefomgeving.

Overigens ziet Weijters wel een verband dat hierbij aansluit. In meer welvarende buurten zijn ouders doorgaans beter in staat om hun kinderen voor ontsporing te behoeden dan in achterstandswijken. Niettemin zijn stad en school van groter belang voor het ontstaan van criminaliteit dan de buurt, meent hij.

‘Het klopt natuurlijk dat er verschillen zijn in criminaliteit tussen steden. In een havenstad als Rotterdam, met zijn bars en bordelen, zijn veel meer mogelijkheden voor heling en vage handeltjes dan in een stad als Leeuwarden’, zegt ook Junger-Tas.

School onderschat Weijters gelooft dat de invloed van de school vaak wordt onderschat. De verschillende mate waarin delinquent gedrag op scholen voorkomt, is grotendeels te verklaren door verschillen in de leerlingenpopulatie (zoals etnische herkomst, geslacht, leeftijd en schooltype). Maar ook de zogeheten staf-studentratio, de verhouding tussen het aantal leerlingen en het aantal leraren en overige medewerkers, is van belang. Dat is een voor de hand liggende bevinding, erkent Weijters. Hoe meer toezicht, hoe minder gelegenheid om over de schreef te gaan. Ook Junger-Tas benadrukt het belang van toezicht, mede om mislukking en schooluitval tegen te gaan.

Het onderzoek van Weijters is een sterk theoretische, macro-sociologische exercitie. Hij heeft buurt noch boef gezien. Toch zijn de resultaten relevant voor beleidsmakers, vindt hij. Bij de bestrijding van jeugdcriminaliteit is er doorgaans meer aandacht voor de buurt dan voor de school. Dat zou beter omgekeerd kunnen worden, bijvoorbeeld door meer toezichthouders op scholen aan te stellen. Weijters: ‘Natuurlijk bekijk ik de buurt alleen vanuit het oogpunt van het ontstaan van jeugdcriminaliteit. Er kunnen talloze andere goede redenen zijn om in een buurt te investeren.’
 


Terug naar Misdadiger, behandeling zware , Menswetenschappen, bronnen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]