New Scientist, juli-2014, door Robin Dunbar .2012

Vriendschap

Een goede buur is beter dan een verre vriend.
Maar een goede vriend is nog beter. Vriendschappen gaan soms een leven lang mee, en kunnen een enorme verrijking van het bestaan zijn. Geen wonder dat onderzoekers uit allerlei vakgebieden proberen te achterhalen hoe en waarom mensen vrienden maken.

Inmiddels is gebleken dat het fenomeen vriendschap een lange evolutionaire geschiedenis kent, die we met allerlei andere dieren delen (pag. 34). Vriendschappen zijn zo belangrijk geworden dat ze ons tot op celniveau beÔnvloeden (pag. 40).

Met de komst van sociale media is het gemakkelijker dan ooit om vriendschappen te onderhouden (pag. 45). Misschien zoeken we online ook precies dezelfde mensen op als in de echte wereld. New Scientist leidt je in dit dossier langs de belangrijkste inzichten in onze opmerkelijke neiging tot vrienden maken.



Veeleisende vrienden

Alleen de slimste diersoorten verstaan de kunst om vrienden te maken. Om als sociaal dier te kunnen leven, hebben olifanten, walvissen en mensen grote hersenen nodig. Want vriendschap vereist concentratie.


Tussentitels: Bij alle sociale dieren bestaat de kern van intimi uit ongeveer vijf individuen
150 | Dat is de bovengrens van het aantal sociale relaties dat een gemiddeld mens aankan


De meeste dieren onderhouden relaties, maar weinig soorten zijn in staat om echte vriendschappen te sluiten. Dat selecte gezelschap van zoogdieren omvat apen, paarden, olifanten, walvissen en kameelachtigen. Het is geen toeval dat juist die soorten in hechte sociale groepen leven. Het groepsleven brengt weliswaar voordelen met zich mee, maar het kan ook stressvol zijn, en als je het zwaar te verduren krijgt kun je je niet zomaar aan de groep onttrekken. Dat laatste is waar vriendschap een rol gaat spelen. Vrienden vormen verdedigende coalities die buitenstaanders weghouden.
    Vriendschap geeft sociale groepen een heel ander gezicht dan de vormeloze kuddes van herten of antilopen. Vanuit het gezichtspunt van ieder groepslid bestaat een hechte samenleving uit lagen, net als een ui, waarbij je beste vrienden zich in de kern bevinden en daaropvolgende lagen zijn opgevuld met individuen waarmee je in afnemende mate verbonden bent. Ongeacht de diersoort bestaat die kern in de regel uit ongeveer vijf intimi, de volgende laag uit nog eens tien vrienden, en de buitenste laag uit ongeveer 50 individuen. Elke laag voorziet in andere behoeften. Waar intimi zorgen voor persoonlijke bescherming en aandacht, kun je om voedsel te verkrijgen rekenen op een bredere kring vrienden, en voor bescherming tegen roofdieren zelfs op de hele kolonie.
    Om in zo'n hecht, gelaagd systeem te leven is sociale intelligentie nodig. Terwijl een kuddedier alleen zijn directe omstanders in de gaten hoeft te houden, moet je in een sociale groep de opbouw van het gehele sociale netwerk kennen. Dat is belangrijk want als je mij bedreigt, loop je het risico om mijn gehele vriendengroep tegen je in het harnas te jagen. Met andere woorden: je moet op de hoogte zijn van de bredere sociale implicaties van je daden.
    Dat daarvoor cognitieve vermogens nodig zijn, blijkt uit het verband tussen groepsomvang en hersenvolume - of, meer in het bijzonder nog, uit het verband tussen groepsomvang en de grootte van de voorhoofdskwabben. Met die hersendelen schatten dieren namelijk sociale relaties in. Het gaat daarbij niet alleen om het aantal relaties in een groep maar vooral om de complexiteit ervan.
    Om in een groep van een gegeven grootte te kunnen overleven, hebben slimme apen, zoals bavianen en makaken, grotere hersenen nodig dan minder intelligente apen. Voor mensapen geldt dat die nog grotere hersenen nodig hebben.
De stelling dat er een verband is tussen groepsgrootte en hersenomvang - ook wel de 'sociale brein'-hypothese genoemd - blijkt niet alleen op te gaan tussen diersoorten, maar ook binnen diersoorten. Hersenscanonderzoeken, uitgevoerd bij zowel makaken als mensen, hebben aangetoond dat het aantal vrienden dat een bepaald individu heeft, gerelateerd is aan de grootte van specifieke onderdelen van de voorhoofdskwabben.
    De complexe sociale beslissingen die groepsdieren iedere dag moeten maken, vereisen allerlei cognitieve vaardigheden. Eťn daarvan lijkt daarbij in het bijzonder van belang. Dat is 'mentalisatie' , ofwel het vermogen je te verplaatsen in de gedachtewereld van een ander. De zin 'Ik geloof dat jij ervan uitgaat dat ik me afvraag of jij denkt dat ik van plan ben om...' bevat vijf gedachtes. Dat aantal is het maximum dat een gemiddeld volwassen persoon nog kan bevatten. Hoe goed je daarin bent, hangt nauw samen met de omvang van specifieke onderdelen van je voorhoofdskwabben - en met hoeveel vrienden je hebt.
    Veel diersoorten maken en onderhouden vriendschappen door middel van vlooien en ander verzorgend gedrag, ook wel grooming genoemd. Grooming, wat bij mensen neerkomt op strelen, leidt tot de afgifte van endorfines in de hersenen, waardoor je je ontspannen en op je gemak voelt. Hoe groter de groep, hoe meer tijd dieren besteden aan grooming, en hoe meer ze zich daarbij toeleggen op een steeds kleinere groep vrienden. Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat een grotere groep leidt tot meer stress. In een grote groep is het daardoor nog belangrijker om je te verzekeren van betrouwbare vrienden die voor je zullen opkomen als je hen nodig hebt.
    Dat bereik je door meer tijd met hen door te brengen. Voor baviaanvrouwtjes is het voordeel daarvan aangetoond. Individuen met hechtere vriendschappen maken minder stresshormonen aan en brengen meer nakomelingen voort dan individuen met zwakkere vriendschappen.
    Aangezien de kwaliteit van een vriendschap afhangt van de hoeveelheid tijd die je erin steekt, en je per dag slechts een beperkte hoeveel tijd voor grooming ter beschikking hebt, bestaat er een bovengrens aan de hoeveelheid vrienden die je kunt hebben, en daarmee ook aan de maximale omvang van een sociale groep. Als je probeert om te veel individuen tegelijk aandacht te geven, leidt dat ertoe dat je je tijd teveel verdeelt, waardoor de kwaliteit van een vriendschap afneemt, sociale groepen minder stabiel zijn en vaker uiteenvallen. Bij apen en mensapen ligt de bovengrens van sociale groepen rond de vijftig individuen.
    Die groepsgrootte van 50 individuen is bijvoorbeeld terug te vinden bij de meest sociale apensoorten, zoals bavianen, makaken, gelada's en stompneusapen. Bij al die soorten kent de sociale structuur drie organisatieniveaus. Aan de basis staat een familiegroep, bestaande uit een dominant mannetje en zijn harem, plus jongen en mogelijk enkele ondergeschikte mannetjes. Die familiegroepen leven samen in zogeheten bandsamenlevingen van maximaal 50 individuen. Alleen zo nu en dan, bijvoorbeeld op een voedselrijke plek, komen ook die verzamelingen weer bij elkaar, om groepen van meer dan 500 dieren te vormen.

Zingen
Mensen vormen de uitzondering. In de afgelopen twee miljoen jaar lijken grote sociale groepen een selectievoordeel te hebben opgeleverd. Op basis van de grootte van onze voorhoofdkwabben, uitgaande van de 'sociale brein'-hypothese, kun je berekenen dat onze sociale groepsgrootte rond de 150 individuen zou moeten liggen. Dat aantal is bekend komen te staan als 'het Dunbar-getal' en 150 blijkt wereldwijd inderdaad een veelvoorkomende gemeenschapsgrootte. Het is bovendien de typische grootte van een persoonlijk sociaal netwerk. Maar hoe kunnen mensen zulke grote sociale groepen in standhouden? Met behulp van grooming alleen is dat immers onhaalbaar.
    Het lijkt erop dat we daarvoor gebruikmaken van drie hulpmiddelen die eveneens de afgifte van endorfines stimuleren en, in tegenstelling tot grooming, op meerdere individuen tegelijkertijd kunnen worden toegepast. Die drie hulpmiddelen zijn pas zeer recent in de evolutie ontstaan.
    Als eerste ontstond de lach, die we delen met andere mensapen. Lachen kun je vergelijken met in koor iets zeggen of zingen, en vindt het vaakst plaats in een groep van drie personen. Als hechtingsmechanisme is lachen daardoor efficiŽnter dan grooming. Vervolgens, waarschijnlijk zo'n 500.000 jaar geleden, kwamen daar zingen en dansen bij, waardoor mensengroepen nog groter konden worden. Tenslotte verschafte taal ons de controle over zowel lachen - door middel van grappen - als zingen en dansen. Rituelen raakten geassocieerd met religie, en supergroepen ontstonden.
    Maar zelfs al kunnen we ons verbonden voelen met een supergroep bestaande uit duizenden leden, toch blijft onveranderd dat de meesten van ons niet meer dan 150 mensen in hun persoonlijke sociale kring hebben. Ongeveer de helft hiervan bestaat uit familie, en blijft gedurende iemands leven min of meer constant. Relaties met niet-verwante vrienden verwateren daarentegen snel. Wanneer we een jaar lang geen tijd besteden aan een vriend, neemt de kwaliteit van die vriendschap af met ongeveer een derde.
    Hoewel de samenstelling van onze vriendengroep voortdurend verandert, blijft de manier waarop we over vriendschap onderhandelen hetzelfde. Elk van ons verdeelt op karakteristiek eigen wijze zijn of haar sociale middelen over vrienden - of je dat nu meet in tijd of in emotionele verbondenheid.
    Onze beste vriend bijvoorbeeld, of dat nu je hele leven dezelfde persoon is of regelmatig een ander, krijgt altijd dezelfde hoeveelheid aandacht van ons. Die individuele gedragspatronen zijn zo persoonsgebonden en zo constant dat je zelfs kunt spreken van een sociale vingerafdruk: hij verandert niet of nauwelijks, zelfs als onze vriendengroep dat wel doet. .


Meer informatie

Een kort interview met Robin Dunbar is terug te kijken op bit.ly/ln7mtoq

Dunbars nieuwste boek, Human Evolution, is sinds mei van dit jaar online te bestellen. bit.ly/lxNyUwV

Tussenstuk:
50 of 1500 vrienden?
Mensen kunnen tot wel 1500 gezichten herkennen. Maar zoveel vrienden kun je praktisch gezien niet onderhouden, omdat de relaties dan te oppervlakkig zouden worden.
De Britse antropoloog Robin Dunbar berekende dat het gemiddelde aantal vrienden van een persoon rond de 150 ligt. Hij baseerde zich daarbij op de grootte van onze voorhoofdhersen kwabben.

Fotobijschriften
Niet alleen mensen kunnen vrienden maken. Ook andere primaten smeden hechte vriendschappen.
De kwaliteit van een vriendschap hangt af van hoeveel tijd je erin steekt.


Door Lauren Brent:

Chemie van een vriendschap

Als we vrienden hebben, is dat tot in onze diepste celporiŽn te merken. De mens lijkt wel voorgeprogrammeerd om vriendschappen op te zoeken en te koesteren.


Tussentitels: Proefpersonen die samen met een ander roeiden, produceerden meer endorfines
Sociale isolatie verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en maakt je bovendien vatbaarder voor infecties
In hoeverre iemand sociaal is of niet hangt voor 46 procent af van genetische factoren

 
Een mens kan niet zonder vrienden. Ze hebben een positieve invloed op onze welvaart en op onze lichamelijke en geestelijke gezondheid. Sociale isolatie, daarentegen, roept dezelfde gevoelens op als fysieke pijn. Het maakt ons gespannen en vatbaar voor ziektes. Ons lichaam reageert op de afwezigheid van vrienden alsof er een primaire behoefte onvervuld blijft. Heel verrassend is dat niet. Voor mensen zijn vrienden niet een optionele extra - we zijn geŽvolueerd om op ze te vertrouwen.
    Vriendschap komt wel met een prijs. De tijd die we met onze vrienden doorbrengen, hadden we ook kunnen besteden aan activiteiten die noodzakelijk zijn voor onze overleving, zoals seks, slapen, of het bereiden van voedsel. Bovendien geldt dat wanneer iets goed voor ons is, dat nog niet automatisch wil zeggen dat we datgene ook doen. Daarom heeft de evolutie ons uitgerust met een intrinsiek verlangen om vrienden te maken en tijd met ze door te brengen. Evenals seks, eten en al het andere dat het voortbestaan van organismen moet garanderen, worden we tot vriendschappen aangespoord door een inwendig systeem van bekrachtiging en beloning. Concreter geformuleerd: wanneer we ons sociaal gedragen, stimuleert dat de afgifte van verscheidene neurotransmitters in onze hersenen, plus die van andere stofjes in ons lichaam ervoor zorgen dat we ons prettig voelen.
    Een goed begrip van onze innerlijke motivatie achter vriendschappen begint op een verrassende plek: de lactatie. Tijdens het zogen van een baby komt in de hypofyse van de moeder een neuropeptide genaamd oxytocine vrij. Dat hormoon zorgt ervoor dat spieren in de borst samentrekken en moedermelk gaat stromen. Daarnaast vermindert het hormoon angst, bloeddruk en hartslag. Zowel voor moeders als baby's geldt dat het ontspannen gevoel dat oxytocine oproept het zogen aanmoedigt en bijdraagt aan een hechte, liefdevolle band tussen moeder en kind.
    Dat systeem is werkzaam in alle zoogdieren, maar bij mensen, en het handjevol andere diersoorten dat vriendschappen onderhoudt, is het systeem aangewend voor meerdere doeleinden. In plaats van het wiel opnieuw uit te vinden, heeft de evolutie bespaard op de kosten. Oxytocine speelt bij mensen een rol in meer relaties dan de moeder-kind relatie alleen. Het systeem dat oxytocine afgeeft, reageert op meerdere vormen van fysiek contact met een ander persoon, waaronder op knuffels, strelingen en massages. Het resulterende aangename gevoel is je beloning voor interactie en moedigt je aan om die persoon nogmaals te ontmoeten.
    Nu is het natuurlijk wel zo dat de meeste interacties tussen vrienden lang niet altijd gepaard gaan met fysiek contact. Maar oxytocine werkt op meer manieren. Het verhoogt ons vertrouwen in de medemens, zet aan tot generositeit, en beÔnvloedt onze besluitvorming.
    Bovendien is oxytocine weliswaar belangrijk, maar niet de enige chemische promotor van vriendschap. Een andere belangrijke rol hierin is weggelegd voor een groep van opiumachtige chemicaliŽn genaamd endorfines, die net als oxytocine worden geproduceerd door de hypofyse. Ze worden afgegeven in reactie op milde pijn, zoals tijdens fysieke inspanning, en fungeren in de hersenen als neurotransmitters die zorgen voor een gevoel van welzijn. Alle gewervelden produceren endorfines, wat betekent dat die stofjes in een vroeg stadium van de evolutionaire geschiedenis moeten zijn ontstaan. Maar net als oxytocine hebben de endorfines pas in een later evolutionair stadium de functie gekregen vriendschappen te stimuleren. Dat doen ze door je je bij fysiek contact prettig te laten voelen, maar ook op een andere manier.

Koppels
Evolutionair psycholoog Robin Dunbar en zijn collega's van de universiteit van Oxford vroegen proefpersonen om in een boot te roeien - alleen of in koppels. Voorafgaand en na afloop van het roeien maten de onderzoekers de endorfinewaardes van de proefpersonen. Hun bevindingen waren opmerkelijk. Ondanks het feit dat alle proefpersonen exact dezelfde fYsieke inspanning leverden, produceerden de personen die in koppels roeiden, meer endorfines dan de personen die alleen roeiden. Die uitkomst krijgt betekenis als je bedenkt dat synchronisatie van gedrag een voornaam aspect is van vriendschap. Om een vriendschap te onderhouden moeten vrienden op hetzelfde moment op dezelfde plaats aanwezig zijn. Het lijkt erop dat endorfines vriendschappen bevorderen door synchronie prettig aan te laten voelen.
    De keerzijde hiervan is dat je je tijdens sociale isolatie juist heel ongelukkig voelt. Eenzame personen hebben verhoogde waardes van het stresshormoon cortisol. Chronische stress tast je gezondheid aan, en dat verklaart waarschijnlijk waarom sociale isolatie de kans op hart- en vaatziekten verhoogt, en waarom het je vatbaarder maakt voor infecties.
    Toch kan stress ook nuttig zijn. De stressrespons ontstaat na activatie van een systeem dat bekend staat als de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as. Activatie van dat systeem duidt erop dat de homeostase - de regulatie van stabiele interne lichaamscondities - verstoord is geraakt. Stress spoort ons aan ons zodanig te gedragen dat het interne evenwicht wordt hersteld, bijvoorbeeld door te rusten in het geval van oververmoeidheid of door de koelte van schaduw op te zoeken bij oververhitting. En misschien dat het stress-systeem ons ook wel stimuleert om sociaal contact te zoeken wanneer we alleen zijn. Het feit dat we in een stressvolle situatie minder cortisol produceren als we vrienden om ons heen hebben dan wanneer we alleen zijn, doet vermoeden dat de aanwezigheid van vrienden bijdraagt aan het herstel van homeostase, of dat het verstoring ervan zelfs voorkomt.
    Voor het kiezen, verkrijgen en behouden van vrienden hebben we sociale informatie nodig. Opnieuw geldt dat dit iets is waarvan we genieten. Zelfs nog voordat baby's een woord gesproken hebben, kijken ze liever naar een mensengezicht dan naar wat anders ook. We ervaren het verkrijgen van sociale informatie als een beloning omdat het hersengebieden stimuleert die betrokken zijn bij beloning. Dat bleek bijvoorbeeld uit onderzoek van neurowetenschapper Dar Meshi van de vrije universiteit van Berlijn. Toen Meshi aan proefpersonen in een MRI-scanner foto's van hun Facebook-pagina liet zien, ontdekte hij sterke hersenactiviteit in de zogeheten nucleus accumbens, een hersengebied dat betrokken is bij drugsverslaving. De proefpersonen bij wie de sterkste respons optrad, waren interessant genoeg de personen die het meest van Facebook gebruik maakten.

Verwanten
Hoewel de onderliggende neurale en biochemische processen van vriendschappen voor iedereen hetzelfde zijn, heeft niet iedereen evenveel vrienden. Mogelijk zijn sommige personen gewoon beter in staat vrienden te maken, maar Meshi's resultaten sluiten ook een andere verklaring niet uit. Het lijkt erop dat sommige personen meer gemotiveerd zijn om vrienden te maken dan andere, omdat hun beloning - in de vorm van gelukshormonen - sterker is.
    Socialere personen bezitten mogelijk ook speciale genen. Sociologen J ames Fowler van de universiteit van CaliforniŽ en Nicholas Cristakis van Harvard University, vergeleken de sociale netwerken van eeneiige tweelingen met die van twee-eiige tweelingen. Hun tweelingonderzoek liet zien dat de populariteit van personen voor 46 procent wordt bepaald door genetische factoren.
    Toch zijn ook de meest populaire personen niet met iedereen bevriend. Hoe bepalen we, van al die mensen die we in ons leven ontmoeten, wie onze vrienden worden? Op het eerste gezicht lijkt het antwoord op die vraag voor de hand te liggen: we zijn vrienden met personen die veel met ons gemeen hebben, zoals leeftijd, geslacht en beroep. Maar het blijkt dat zelfs die tendens van 'soort zoekt soort' betrekking heeft op onze genetische opmaak. Fowler en Christakis hebben ontdekt dat onverwante vrienden genetisch evenzeer overeenkomen als verre familieleden: ze delen evenveel genen als achterachterachterneefjes en -nichtjes met elkaar delen.
    Een van de grote mysteries van vriendschap is waarom we zo gewillig zouden samenwerken met volstrekt vreemden. Gezien vanuit evolutionair perspectief is het voordeliger om samen te spannen met familieleden dan met niet-verwanten. Het is namelijk ook in jouw belang als familieleden zich voortplanten, omdat ze veel genen met jou gemeenschappelijk hebben. Maar als vrienden genetisch meer overeenkomsten met ons vertonen dan kan worden verklaard op basis van pure kanswerking, moeten we vrienden misschien niet zien als vreemden maar als 'optionele verwanten'.
    Mogelijk bepaalt je genoom dus niet alleen hoe sociaal je bent, maar ook wie je als vriend kiest. Niemand weet hoe we herkennen of personen genetisch aan ons gelijk zijn. Het zou te maken kunnen hebben met overeenkomsten in gezichtskenmerken, stem, gebaren of geur. Onze voorkeur om vriendschappen te sluiten met mensen die kenmerken met ons delen, kan zelfs een antwoord op zichzelf zijn. Je persoonlijkheid wordt deels bepaald door je genen. Als je vrienden kiest met ongeveer dezelfde persoonlijkheid als jijzelf, hoef je dus niet raar op te kijken als die vrienden deels dezelfde genen blijken te hebben.
    Wat het ook is dat ons aantrekt tot bepaalde personen, ťťn ding staat in ieder geval vast: wanneer je vrienden maakt, zul je daarvoor beloond worden. Want als er iets is wat we allemaal weten over vrienden, is het dat het goed voelt om ze te hebben. .


Cristakis en Fowler hebben samen een boek geschreven over de invloed van sociale netwerken op ons gedrag en op onze gezondheid: Connected. bit.1y/ls83K2Q
Lauren Brent heeft een eigen website: www.laurenbrent.com


Tussenstuk:
Soort zoek soort

Dat mensen vrienden uitkiezen die veel op henzelf lijken is geen geheim. Recent hebben sociologen ontdekt dat vrienden ook in genetisch opzicht op elkaar lijken. De onderzoekers bestudeerden het genetische materiaal van bijna 2000 Amerikanen. Ze ontdekten dat vrienden genetisch evenzeer aan elkaar verwant zijn als achterachterachterneefjes en -nichtjes.



Vriendenvragen

1 Hebben we vrienden nodig?


Ja, Mensen met zwakke sociale banden hebben 50 procent meer kans om in een bepaalde periode te overlijden dan mensen met hechte vriendschappen. Sociale isolatie is volgens sommige schattingen net zo slecht voor je als 15 sigaretten per dag roken.
Vriendschappen maken je ook gelukkiger, hoewel daarbij kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit.
Tijdens een onderzoek onder 423 studenten bleek dat de kwaliteit van vriendschappen in grote mate iemands geluk bepaalde, en dat het aantal vrienden weinig verschil maakte. Toch kunnen per persoon de voordelen van vriendschappen verschillend uitpakken, Dat verklaart mogelijk waarom sommige mensen toch het liefst alleen zijn,

2 Wat zijn de vereisten voor vriendschap?

We maken het snelst vrienden met mensen die enigszins op onszelf lijken, De zes belangrijkste criteria daarbij zijn taal, beroep, wereldbeeld (politiek, moreel en religieus), gevoel voor humor, lokale identiteit en opleiding, Persoonlijkheid lijkt minder belangrijk te zijn dan culturele voorkeuren, zoals de boeken die je leest en de grapjes waar je om lacht. Een gedeelde muzieksmaak is het beste voorteken.

3 Waarom hebben sommige mensen veel vrienden?

Mogelijk schuilt dat in hun biologische opmaak. Uit hersenstudies blijkt dat mensen met veel grijze stof in in amygdala - die betrokken is bij geheugen en emotionele verwerking - vaker meer vrienden hebben. Het is echter niet duidelijk wat precies het verband daartussen is, Omgevingsfactoren spelen ook een rol. Mensen uit grote families hebben vaak minder niet - verwante vrienden dan degene uit kleinere families,

4 Kunnen mannen en vrouwen 'gewoon vrienden' zijn?

Ja, maar dan nog kunnen ze elkaar aantrekkelijk vinden. In talloze studies kwam naar voren dat aantrekkingskracht bij zulke vriendschappen een rol speelt. Bij een onderzoek onder Amerikaanse studenten bleek dat de helft seks had gehad met een verder platonische vriend of vriendin. Jonge mannen voelen zich vaker aangetrokken tot hun vrouwelijke vrienden dan andersom. Ze sluiten ook vaker vriendschappen met een vrouw omdat ze die aantrekkelijk vinden, Ook overschatten ze vaker hoe aantrekkelijk platonische vriendinnen hen vinden.

5 Hebben mannen andere vriendschappen dan vrouwen?

Vrouwen hebben vaker een beste vriendin, terwijl mannen meer geneigd zijn om op te trekken met een groep. Vrouwen beschrijven vriendschappen vaak in termen van emotionele verbondenheid, Mannen daarentegen denken aan hoeveel tijd ze samen doorbrengen of hoe lang ze elkaar kennen. Vriendschappen tussen vrouwen zijn vaker intiemer. Vrouwen zoeken vriendinnen op die fysiek ongeveer even aantrekkelijk zijn. Dat lijkt een goede strategie - de vriendinnen trekken mannen aan die hen ook aantrekkelijk kunnen vinden - maar het leidt ook tot concurrentie.


Door Michael Bond:

Rijen dik, echte vrienden

Dankzij Facebook en andere technologieŽn zijn vriendschappen wezenlijk veranderd. We kunnen over de hele wereld vrienden maken, maar toch blijken we altijd met dezelfde mensen om te gaan.


Tussentitels: Exen, vage kennisen oud-collega's: dankzij sociale media blijven we met ze in contact
Bij online contact kunnen sociale nuances helemaal verloren gaan
In robots moeten foutjes zitten, anders accepteren we ze niet als sociaale wezens
300 - Zoveel Facebook-vrienden heeft een gemiddelde Amerikaanse tiener


'Vriendschap is het enige cement dat de wereld bij elkaar houdt', aldus de Amerikaanse president Woodrow Wilson honderd jaar geleden. Doet onze 21e-eeuwse, verstedelijkte hightech-samenleving dit cement verkruimelen?
    Volgens het Amerikaanse General Social Survey nam tussen 1985 en 2004 het gemiddelde aantal intieme vrienden - mensen tot wie je je kunt wenden in tijden van crisis - af van drie naar twee. Het percentage mensen zonder intieme vrienden nam in dezelfde periode toe van 8 tot 23. In Groot-BrittanniŽ heeft het groeiende aantal alleenstaanden, samen met de verzwakking van gemeenschappen doordat mensen sneller verhuizen, geleid tot waarschuwingen over een 'vriendschappencrisis'. Andere studies hebben een relatie gelegd tussen (mobiel) internet en sociale isolatie. Maar hoewel nieuwe technologieen inderdaad hun invloed hebben op traditionele vormen van vriendschap, zijn er ook aanwijzingen dat deze invloed positief kan uitpakken.
    Facebook werd in 2004 op de universiteit van Harvard opgericht met als doel het leven op de campus te veraangenamen. Veel mensen gebruiken het nog altijd op deze manier. 'De onderliggende motieven zijn nog altijd dezelfde: mensen vinden waar je emotionele steun aan ondervindt of met wie je kunt roddelen of flirten', zegt senior onderzoeker Danah Boyd van Microsoft Research. We beschikken nog altijd over een kerngroep van vrienden waarmee we het meest contact hebben - of dat nu online of offline is. 'Alleen hebben de technologie en de huidige jeugdcultuur de dynamiek van ons sociale leven veranderd.'
    Het meest in het oog springende verschil betreft het aantal mensen waarmee we langdurig contact onderhouden. Onderzoekers van de Universiteit van CaliforniŽ in Los Angeles ontdekten dat het sociale netwerk van een gemiddelde student zich tussen 2006 en 2009 uitbreidde van 137 tot 440 contacten. Volgens een studie van het Pew Research Center in Washington heeft een typische Amerikaanse tiener tegenwoordig ongeveer 300 Facebook-vrienden en 79 volgers op Twitter - die overigens niet allemaal als sociale contacten meegeteld worden omdat ze niet altijd worden teruggevolgd.
    Hoe dan ook, dit is nog altijd veel meer dan de 150 contacten waarvan Robin Dunbar heeft berekend dat dat het maximale aantal 'betekenisvolle vrienden' is dat onze hersenen kunnen hanteren. De vraag is: wie zijn al die extra mensen?
Het blijkt te gaan om zogenoemde 'zwakke contacten': vroegere schoolvrienden, (voormalige) collega's, vroegere partners, reis contacten en vage kennissen. Sociale netwerken stellen ons in staat met deze perifere vrienden contact te houden door heel af en toe een berichtje te sturen of hooguit hun foto's en updates te bekijken. Vroeger verloren we deze mensen simpelweg uit het oog.
    Nieuw onderzoek lijkt aan te tonen dat Facebook de kwaliteit van deze verre en fragiele relaties daadwerkelijk kan vergroten. Jellica Vitak van de universiteit van Maryland in College Park onderzocht vierhonderd Facebook-gebruikers. Ze ontdekte dat Facebook vooral nuttig is voor het onderhouden van contact met vrienden die meer dan drie uur weg wonen.
Hoe verder twee vrienden van elkaar vandaan wonen, hoe meer contact ze met elkaar onderhouden via de site. Bij zulke vrienden, zo zeg Vitak, kan Facebook het verschil betekenen tussen een daadwerkelijke relatie en de herinnering eraan.
    Online contact leggen met anderen - of het nu een felicitatie is via Facebook, een 'endorsement' op Linkedin of een 'like' op Instagram - is een vorm sociaal gedrag die in feite teruggaat tot op onze prehistorie. 'Het zijn allemaal manieren waarmee je kunt laten zien dat je iemand opmerkt en dat je bereid bent aandacht te schenken', zegt Nicole Ellison van de University of Michigan. 'Net zoals apen die elkaar vlooien, koesteren we verwachtingen van wederkerigheid: we verwachten in de toekomst aandacht terug.'
    Ellison en Vital hebben ontdekt dat Facebook zeer effectief is bij het onderhouden van zwakke contacten - en dat er bovendien veel goede redenen bestaan om dat te doen. Hoewel onvergelijkbaar met de diepe, emotionele band die onze belangrijkste relaties kenmerkt, hebben zwakke contacten zo hun eigen pluspunten. Ze kunnen ons inspireren en nieuwe perspectieven opleveren, ons op nieuwe carriŤremogelijkheden wijzen en het gevoel geven deel uit te maken van een grotere gemeenschap.
    Dankzij sociale netwerken leven we meer dan vroeger mee met mensen die we eigenlijk niet goed kennen. Een groep onder leiding van James Fowler van de Universiteit van CaliforniŽ in San Diego analyseerde meer dan een miljard statusupdates op Facebook. De onderzoekers ontdekten dat mensen zonder daar zelf veel acht op te slaan zowel positieve als negatieve gemoedstoestanden laten weerklinken in hun berichten - ook aan hun zwakke contacten in andere steden (PloS One, nr. 9, pag. e90315). 'Het is nog maar kort geleden dat de online wereld dit op massale schaal mogelijk heeft gemaakt' , zegt Fowler. 'Ik denk dat we wereldwijd steeds meer synchroniciteit in emoties zullen waarnemen. Meer dan ooit zullen we voelen wat de wereld voelt.'

Sociale nuances
Ander gedrag, zoals eet- en drinkgewoontes, verspreidt zich eveneens online. Dat gebeurt echter bijna uitsluitend via de sterke contacten: familie en goede vrienden. Hetzelfde geldt voor stemgedrag, zo toonde Fowler in een andere studie aan. Op 2 november 2010, de dag van de Amerikaanse Congresverkiezingen, plaatste zijn team in de newsfeed van 61 miljoen Amerikanen een bericht waarin werd opgeroepen te gaan stemmen, en een eventuele stembus gang online kenbaar te maken. 60.000 mensen die aanvankelijk niet van plan waren te gaan stemmen deden dit alsnog, evenals 280.000 van hun Facebookvrienden. Toen de onderzoekers deze 280.000 mensen analyseerden, bleek dat de grote meerderheid ervan bestond uit goede vrienden van de oorspronkelijke ontvangers van het bericht (Nature, nr.
489, pag. 295). 'Het hele sociale effect werd veroorzaakt door de top tien van de vrienden. Dat bevestigt ons vermoeden dat wanneer je gedrag wilt veranderen, je je moet richten op de netwerken die bestaan in de echte wereld. Dit schept de mogelijkheid online netwerken te gebruiken om de wereld te verbeteren', zegt Fowler.
    Het vriendschapslandschap is de afgelopen tien jaar zeker veranderd. Maar of dit een verandering ten goede is geweest, is nog altijd onderwerp van verhit debat.
Sommig onderzoek lijkt aan te tonen dat online contact psychologisch even waardevol is als menselijk contact in de echte wereld, en dat het evenzeer stress en depressie onderdrukt en gevoelens van welbehagen stimuleert. Moira Burke van Carnegie Mellon University onderzoekt sociale patronen in online gemeenschappen. Ze ontdekte dat hoe meer mensen Facebook gebruiken om in contact te treden met hun vrienden, des te minder eenzaam ze zijn - al is vooralsnog onduidelijk of Facebook eenzaamheid vermindert of dat mensen die sowieso meer contacten hebben de dienst vaker gebruiken.
     Maar aan het online onderhouden van vriendschappen kleven ook risico's. 'De sociale nuances kunnen verloren gaan', zegt psycholoog Rachel Grieve van de universiteit van TasmaniŽ in AustraliŽ. 'Wat eigenlijk als een betrekkelijk onbeduidende opmerking tegenover een vriend bedoeld is, kan uitgroeien tot een boude bewering die door allerlei mensen verkeerd kan worden opgevat.'
    Andere gevaren zijn subtieler, zo beschrijft Boyd in haar boek It's Complicated. De mogelijkheid om voortdurend contact te houden met al hun kennissen maakt het voor tieners lastig om nieuwe betekenisvolle relaties aan te gaan wanneer ze gaan studeren. 'Ze blijven tijdens het eerste moeilijke semester teveel leunen op hun contacten uit hun middelbare schooltijd', zegt ze.

Imperfecte robot
De meest serieuze aanklacht tegen sociale netwerken is dat ze individualisme en narcisme zouden stimuleren. 'Emotionele incontinentie wordt publiek', zegt ontwikkelingspsycholoog Patricia Greenfield van de universiteit van CaliforniŽ in Los Angeles. Ze verwijst naar onderzoek van Jean Twenge van San Diego State University dat aantoonde dat sinds de vroege jaren negentig Amerikaanse studenten vaker narcistische trekken vertonen.
Narcisten zijn meer ook dan gemiddeld actieve gebruikers van Facebook en Twitter.
Anderen zijn voorzichtiger. Nieuw onderzoek laat zien dat in de hedendaagse studentenpopulatie, die vaak verweten wordt de meest navelstaarderige van alle bevolkingsgroepen te vormen, geen verband wordt aangetroffen tussen narcisme en het gebruik van sociale netwerken als Facebook (Computers in Human Behavior, nr.
31, pag. 212).
    Zal onze sterke behoefte aan contact, in combinatie met de mogelijkheid van nieuwe technologieŽn, er wellicht toe leiden dat we ons sociaal in de wereld van de kunstmatige intelligentie zullen begeven? Hoe geavanceerd moet een robot eigenlijk zijn om onze basisbehoefte aan menselijke vriendschap te vervullen? Zoals Sherry Turkle beschrijft in haar boek Alone Together bestaan er al technologieŽn die op onze 'Darwiniaanse knoppen' drukken. Er zijn inmiddels robots die oogcontact maken, gebaren volgen en de indruk wekken dat 'er iemand thuis is' .
    Zo heeft Takayuki Kanda van ATR Intelligent Robotics and Communication Laboratories in het Japanse Kyoto een humanoÔde robot ontwikkeld, Robovie genaamd, waarvan de interactieve capaciteiten geavanceerd genoeg zijn om een 15-jarige ervan te overtuigen dat hij een met gevoelens behept sociaal wezen is. Kanda zegt dat het een van de grootste uitdagingen is om robots te ontwikkelen die mensen voortdurend - dus niet alleen thuis - kunnen vergezellen. Hoe meer tijd mensen met een robot doorbrengen, des te groter is de kans is dat ze een 'werkelijke relatie' met ze ontwikkelen.
    Cruciaal bij de ontwikkeling van sociale robots is dat ze inherent feilbaar moeten zijn, zegt John Murray van de University of Lincoln in Groot-BrittanniŽ. Murray en zijn collega's voegen cognitieve onvolkomenheden aan hun robots toe, zoals een geheugenfoutje dat ervoor zorgt dat ze sommige dingen die ze horen verkeerd verwerken. 'We proberen de imperfecte robot te ontwikkelen. We willen onderzoeken of mensen eerder geneigd zijn zulke robots sociaal te accepteren.' De uitdaging, zo zegt hij, is om geen 'griezel' te bouwen: een machine die eruit ziet als een mens maar die op een alien-achtige manier handelt en reageert.
    Is dit de toekomst van de vriendschap? Turkle, die leiding geeft aan het MIT Initiative on Technology and Self, hoopt van niet. 'Mensen lijken meer dan ooit gefixeerd op robots die kinderen iets kunnen leren en die ouderen gezelschap kunnen houden', zegt ze. 'Maar ouderen verdienen het om aan het einde van hun leven te kunnen praten met mensen die weten wat liefde en verlies is. Een robot zal hier nooit aan kunnen voldoen.'
    Ook in de 21e eeuw draait vriendschap uiteindelijk niet om kwantiteit maar kwaliteit. 'Een groot sociaal netwerk stelt je in staat informatie te verzamelen en veel contacten te leggen', zegt Grieve. 'Maar als het aankomt op warmte en verbondenheid, ben je aangewezen op die paar echte vrienden.' Want zoals iedereen die met internet is opgegroeid weet: echte vriendschap is elkaars huis binnenlopen en merken dat je smartphone automatisch verbinding legt met die van de ander. .

Meer informatie

Een TEDtalk van Sherry Turkle is terug te kijken op: bit.ly/leQ6Flk
James Fowler heeft een persoonlijke webpagina: fowler.ucsd.edu/


Naar Sociologische krachten , Sociologie lijst , Sociologie overzicht , of site
home .
 

[an error occurred while processing this directive]